Inhoudsopgave
VFP 2025/87:Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3
VFP 2025/87
Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3
Documentgegevens:
Drs. J.H.J. Brauwers, datum 30-05-2025
- Datum
30-05-2025
- Auteur
Drs. J.H.J. Brauwers1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD13642:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Vermogensrendementsheffing (box 3)
Inkomstenbelasting / Algemeen
Fiscale wetsvoorstellen (V)
- Wetingang
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Drs. J.H.J. (Jos) Brauwers begeleidt en adviseert professionals op het gebied van vermogensplanning, vermogensstructurering, estate planning, bedrijfsoverdracht en -opvolging.
De Staatssecretaris heeft aangegeven de definitie voor startende ondernemingen nog te willen aanpassen. Brief aan de Tweede kamer 2 juni 2025, nr. 2025-0000149927, https://open.overheid.nl/documenten/a34fe055-68c2-4951-bea3-5a12fd551eef/file.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane heeft op 19 mei 2025 het Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 bij de Tweede Kamer ingediend. Met dit wetsvoorstel komt een einde aan de forfaitaire vaststelling van het inkomen in box 3 door de invoering van een heffing op basis van het werkelijke rendement behaald met het vermogen in box 3. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028.
1. Naar een nieuw box 3-stelsel
Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad in het zogenoemde Kerstarrest beslist dat het in 2017 ingevoerde forfaitaire box 3-stelsel een inbreuk vormt op het discriminatieverbod en de bescherming van het eigendomsrecht. Naar aanleiding van het Kerstarrest heeft de wetgever de Wet rechtsherstel box 3 (voor de jaren 2017-2022) en de Overbruggingswet box 3 (voor de jaren 2023 en verder) ingevoerd om de heffing in box 3 in overeenstemming te brengen met het oordeel in het Kerstarrest.
In de arresten van 6 juni 2024 (de zogenoemde D-day arresten) heeft de Hoge Raad echter vervolgens geoordeeld dat de verdragsschending, die in het Kerstarrest was geconstateerd, niet voldoende is weggenomen door deze wetgeving. De heffing in box 3 schendt nog steeds het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht in de gevallen waarin het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Als het werkelijke rendement over hun gehele vermogen lager is dan het forfaitaire rendement, dan moet de belasting worden verminderd zodat alleen belasting wordt geheven over het werkelijke rendement.
Het kabinet stelt in het Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 van 19 mei 2025 voor om in lijn met de arresten van de Hoge Raad per 1 januari 2028 een nieuw box 3-stelsel in te voeren met een heffing op basis van het werkelijke rendement. De forfaitaire vaststelling van het inkomen in box 3 komt daarmee te vervallen.
2. Kader en hoofdregels van het nieuwe stelsel
In het nieuwe box 3-stelsel wordt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen belast. Het tarief is 36%.
Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd met de te verrekenen verliezen uit sparen en beleggen. Het inkomen uit sparen en beleggen is het resultaat uit sparen en beleggen, verminderd, voor zover dit resultaat positief is, met het heffingsvrije resultaat (€ 1800 per belastingplichtige) en de persoonsgebonden aftrek.
Het resultaat uit sparen en beleggen is het gezamenlijke bedrag van:
Het resultaat behaald met bezittingen en schulden; en
Het resultaat behaald met box 3-panden en aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming;
Verminderd met de aftrekbare kosten.
Bij fiscaal partners wordt het resultaat uit sparen en beleggen gezamenlijk bepaald en naar vrije keuze van de partners toegedeeld.
Voor bezittingen en schulden geldt de vermogensaanwassystematiek. Het resultaat dat wordt behaald met bezittingen en schulden is hierdoor het gezamenlijke bedrag van de reguliere voordelen en de vermogensaanwas (de aanwasvoordelen).
Voorbeeld uit de Memorie van Toelichting
Gerwin heeft in box 3 een aandeel, waarvoor de vermogensaanwasbelasting geldt. Het aandeel is aan het begin van jaar 1 € 1000 waard. Aan het einde van jaar 1 is het aandeel € 1010 waard en aan het einde van jaar 2 is de waarde € 1020. Gerwin ontvangt in jaar 1 een dividend van € 20 en in jaar 2 van € 25. Gerwin verkoopt het aandeel in jaar 3 voor € 1150. Er zijn geen kosten.
Het totale voordeel bedraagt € 150 (de eindwaarde minus de beginwaarde: € 1150 -/- € 1000) plus € 45 dividend is € 195.
jaar 1
jaar 2
jaar 3
totaal
Aanwasvoordeel
10
10
130
150
Regulier voordeel
20
25
0
45
Belastbaar voordeel
30
35
130
195
Voor box 3-panden en aandelen in en winstbewijzen van een startende onderneming geldt de vermogenswinstsystematiek. Het resultaat dat wordt behaald met box 3-panden of aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming is hierdoor het gezamenlijke bedrag van de reguliere voordelen en de voordelen die worden behaald bij de vervreemding (de vervreemdingsvoordelen).
Voorbeeld uit de Memorie van Toelichting
Rita koopt in jaar 1 een box 3-pand voor € 500.000. Zij verhuurt het pand. Rita ontvangt de volgende huur: in jaar 1 € 20.000 en in jaar 2 en 3 elk jaar € 25.000.
Rita verkoopt het pand in jaar 3 voor € 520.000. Er zijn geen kosten.
Het totale voordeel bestaat uit het vervreemdingsvoordeel van € 20.000 (= € 520.000 -/- € 500.000), plus € 70.000 aan ontvangen huur. Het totaal door Rita behaalde voordeel is dus € 90.000.
jaar 1
jaar 2
jaar 3
totaal
Vervreemdingsvoordeel
0
0
20
20
Regulier voordeel
20
25
25
70
Belastbaar voordeel
20
25
45
90
Voor een box 3-pand kan afhankelijk van het gebruik van het pand (verhuur, eigen gebruik of andere doeleinden) en de hoogte van de opbrengsten uit verhuur het box 3-resultaat ook worden vastgesteld op basis van de zogenoemde vastgoedbijtelling (zie hierna onder ‘Resultaat box 3-pand’).
Schematisch kan de bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen als volgt worden weergegeven:
Bezittingen en schulden
Reguliere voordelen
€ 0
Bij: aanwasvoordelen
€ 0
Resultaat behaald met bezittingen en schulden
€ 0
Box 3-panden
Reguliere voordelen of vastgoedbijtelling
€ 0
Bij: vervreemdingsvoordelen
€ 0
Resultaat behaald met box 3-panden
€ 0
Aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming
Reguliere voordelen
€ 0
Bij: vervreemdingsvoordelen
€ 0
Resultaat behaald met aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming
€ 0
Resultaat behaald met box 3-panden en aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming
€ 0
Af: aftrekbare kosten
€ 0
Resultaat uit sparen en beleggen
€ 0
Af: heffingsvrije resultaat
€ 0
Af: persoonsgebonden aftrek
€ 0
Inkomen uit sparen en beleggen
€ 0
Af: nog te verrekenen verliezen
€ 0
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
€ 0
3. Administratieplicht
Er wordt een administratieplicht geïntroduceerd voor bezittingen en schulden in box 3 waar de Belastingdienst van derden niet automatisch gegevens ontvangt. Via een algemene maatregel van bestuur worden bezittingen en schulden concreet aangewezen die niet onder de administratieplicht vallen, omdat de gegevens hiervan door financiële instellingen worden aangeleverd bij de Belastingdienst.
De administratieplicht gaat daarom gelden voor:
Box 3-panden.
Overige box 3-bezittingen die rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van een financiële instelling, zijn verkregen door de belastingplichtige (zoals het uitlenen van geld of het rechtstreeks kopen van een 4%-aandelenbelang in een vennootschap).
Box 3-schulden die zijn aangegaan bij particulieren en buitenlandse financiële instellingen.
Voor de adviseur
De administratieplicht gaat dus niet gelden voor:
Binnenlandse en buitenlandse bank- en spaarrekeningen voor zover deze gegevens automatisch worden aangeleverd.
Financiële instrumenten en verzekeringsproducten die worden aangehouden bij een financiële instelling die automatisch gegevens aanlevert aan de Belastingdienst op basis van nationale of internationale verplichtingen (zoals CRS en FATCA).
Schulden die zijn aangegaan bij een Nederlandse financiële instelling die automatisch gegevens aanlevert aan de Belastingdienst (onder CRS en FATCA worden geen financiële gegevens over schulden uitgewisseld).
Cryptovaluta (onder DAC8 zijn vanaf 2027 gegevens beschikbaar).
Beoogd wordt dat ketenpartners de benodigde gegevens zo veel mogelijk renseigneren aan de Belastingdienst voor de vooraf ingevulde aangifte.
4. Verliesverrekening
Als het inkomen uit sparen en beleggen in een kalenderjaar een negatief bedrag is, wordt dit aangemerkt als verlies uit sparen en beleggen, voor zover dit bedrag in absolute zin hoger is dan € 500. Een verlies uit sparen en beleggen kan onbeperkt in de tijd worden verrekend met inkomens uit sparen en beleggen van toekomstige kalenderjaren. Verliesverrekening is voor het eerst mogelijk in het jaar na het jaar van invoering van het nieuwe stelsel.
Voor de adviseur
Als het nieuwe stelsel per 1 januari 2028 wordt ingevoerd, is 2029 het eerste jaar waarin verliesverrekening mogelijk is.
Bij overlijden van een fiscaal partner kan de overblijvende partner een verlies uit sparen en beleggen van zijn overleden partner verrekenen met inkomens uit sparen en beleggen van toekomstige kalenderjaren, voor zover dit verlies is ontstaan door de toerekening van negatieve gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en het daardoor ontstane verlies uit sparen en beleggen niet (volledig) is verrekend op het tijdstip waarop de partner, aan wie deze inkomensbestanddelen zijn toegerekend, overlijdt. Daarnaast geldt de voorwaarde dat zowel de belastingplichtige als de partner op het tijdstip van beëindiging van het partnerschap binnenlands belastingplichtige of kwalificerend buitenlands belastingplichtige zijn.
5. Reguliere voordelen
In de voorgestelde wettekst wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van een aantal (positieve) reguliere voordelen. Dit zijn:
Rente
Huur
Pacht
Dividend
Winstuitkering
Vergoeding voor het verstrekken van kapitaal
Licentievergoeding
Gebruiksvergoeding.
Renten, die de belastingplichtige heeft betaald op schulden, worden aangemerkt als negatieve reguliere voordelen en zijn aftrekbaar. Hierbij moet worden opgemerkt, dat een aantal verplichtingen niet kwalificeert als schuld, waardoor de op deze verplichtingen betaalde rente niet aftrekbaar is. Dit zijn dezelfde verplichtingen, die ook al onder de huidige box 3-wetgeving niet kwalificeren als schuld. Een voorbeeld hiervan zijn bijna alle belastingschulden.
Voor de adviseur
De huidige schuldendrempel (2025: € 3800) komt niet terug in het wetsvoorstel.
De reguliere voordelen worden als hoofdregel belast op het moment dat de belastingplichtige er de beschikkingsmacht over krijgt (het kasstelsel). Meestal is dat op het moment dat de voordelen worden ontvangen. Daarnaast is dit het geval wanneer de reguliere voordelen worden verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden.
Reguliere voordelen, die betrekking hebben op een tijdvak van langer dan een jaar of op een tijdvak dat meer dan zes maanden voor het begin van het kalenderjaar is aangevangen, worden toegerekend aan het kalenderjaar waarop zij betrekking hebben (het vorderingenstelsel).
Voor de adviseur
Door voor reguliere voordelen, die betrekking hebben op langere periodes, het vorderingenstelsel te hanteren, wordt voorkomen dat belastingplichtigen hun inkomsten langdurig naar de toekomst kunnen verschuiven.
De reguliere voordelen worden gecorrigeerd als er sprake is van onzakelijke elementen. In dat geval wordt gekeken naar de voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, en worden de reguliere voordelen op basis daarvan bepaald.
6. Aftrekbare kosten
Het nieuwe box 3-stelsel biedt de mogelijkheid van kostenaftrek. Echter alleen de kosten, die uitsluitend verband houden met de inning, het behoud en de verwerving van de reguliere voordelen, die worden behaald met bezittingen en schulden of met box 3-panden of aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming, zijn aftrekbaar.
Voor de adviseur
Onderhoudskosten en beheerskosten zijn direct aftrekbaar, maar voor verbeteringskosten en kosten ter verkrijging van een bezitting (transactiekosten bij aan- en verkoop) geldt een andere benadering. Bij de vermogensaanwassystematiek worden deze als storting in aanmerking genomen en bij de vermogenswinstsystematiek wordt de aankoopprijs (de ‘verkrijgingsprijs’) van de bezitting met deze kosten verhoogd. Daardoor kunnen deze kosten (pas) bij verkoop van de te belasten verkoopopbrengst worden afgetrokken.
In de voorgestelde wettekst is een lijst met kosten opgenomen die toch niet aftrekbaar zijn. Op deze lijst staan onder andere de volgende kosten die verband houden met:
Geheven dividendbelasting en kansspelbelasting.
Belasting die buiten Nederland in enige vorm naar het inkomen of bestanddelen van het inkomen wordt geheven als voor de belastingplichtige ter zake daarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.
Congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke.
Vervoer, reizen en verblijf.
Werkruimte, de inrichting daaronder begrepen.
Telefoonabonnementen.
Literatuur.
Gereedschappen.
Computers en andere hardware.
De vergoeding van arbeid door de partner van de belastingplichtige.
Bepaalde geldboeten.
Voor het tijdstip van aftrek is dezelfde systematiek van toepassing die geldt voor het genietingsmoment van de reguliere voordelen (zie onder ‘Regulier voordelen’). Voor het moment van kostenaftrek geldt dus ket kasstelsel en voor kosten, die betrekking hebben op langere periodes, het vorderingenstelsel.
De aftrekbare kosten worden gecorrigeerd als er sprake is van onzakelijke elementen. De kosten worden in een onzakelijke situatie bepaald op basis van hetgeen onafhankelijke partijen in het economische verkeer zouden zijn overeengekomen.
7. Vermogensaanwassystematiek
De vermogensaanwassystematiek geldt voor alle bezittingen en schulden met uitzondering van box 3-panden en aandelen in en winstbewijzen van een startende onderneming. De vermogensaanwassystematiek is daarmee onder andere van toepassing op beleggingen in effecten, cryptovaluta, bepaalde verzekeringsproducten, vorderingen, bankrekeningen en spaardeposito’s.
In de vermogensaanwassystematiek wordt naast de reguliere voordelen ook het voordeel door vermogensaanwas in de heffing betrokken. Dit aanwasvoordeel wordt bepaald aan de hand van de volgende vermogensvergelijking:
Box 3-vermogen (bezittingen -/- schulden) per 31 december
Af: box 3-vermogen (bezittingen -/- schulden) per 1 januari
Af: de stortingen in het kalenderjaar
Bij: de onttrekkingen in het kalenderjaar
De vermindering met de stortingen zorgt ervoor dat elementen, die wel leiden tot een hoger eindvermogen, maar niet het resultaat zijn van een vermogensaanwas, buiten de vaststelling van het werkelijke rendement blijven. Nieuw vermogen, dat wordt ingebracht in box 3 en tot de bezittingen en schulden gaat horen, wordt aangemerkt als een storting. Een voorbeeld is de storting van salaris op een bankrekening. De overgang van een bezitting uit box 1 of box 2 naar box 3 is ook een storting.
Voor de adviseur
De vermogensaanwas kan net als het saldo van bezittingen en schulden een positief of een negatief bedrag zijn. Voor de duidelijkheid is in de wettekst expliciet bepaald dat een afname van een negatief saldo van bezittingen en schulden een positieve vermogensaanwas is en een toename van een negatief saldo van bezittingen en schulden een negatieve vermogensaanwas.
De bezittingen en schulden aan het begin en aan het eind van het kalenderjaar moeten worden gewaardeerd tegen de op dat moment geldende waarde in het economische verkeer. Dat geldt ook voor de stortingen en de onttrekkingen in het kalenderjaar. Ook deze moeten worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer op het moment van de storting dan wel van de onttrekking.
Voor de adviseur
Valutaresultaten van banktegoeden in vreemde valuta worden ook in de heffing betrokken.
In gelieerde verhoudingen (bijvoorbeeld tussen ouder en kind of tussen een DGA en zijn bv) kunnen transacties plaatsvinden met voorwaarden die afwijken van de voorwaarden bij vergelijkbare transacties tussen derden. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat er verliezen worden gecreëerd die bij zakelijke, vergelijkbare transacties niet zouden optreden. Hierdoor zou de heffing in box 3 kunnen worden vermeden. Bijvoorbeeld in het geval van verkoop van aandelen door een ouder aan zijn of haar kind tegen een lager bedrag dan de waarde in het economische verkeer. Dergelijke transacties vormen een onttrekking. Doordat de onttrekking echter moet worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer wordt het resultaat in box 3 op zakelijke wijze bepaald.
Voorbeeld uit de Memorie van Toelichting
Piet bezit op 1 januari van jaar 1 aandelen met een waarde van € 95. Op 1 mei verkoopt Piet voor € 1 de aandelen met een werkelijke waarde van op dat moment € 100 aan zijn dochter Emma. Eind jaar 1 zijn de aandelen € 105 waard. Op 1 februari van jaar 2 daalt de koers en verkoopt Emma de aandelen voor € 80.
Voor Piet houdt deze transactie een onttrekking in van € 100 (€ 99 vanwege de bevoordeling en € 1 resultaat vanwege de verkoop). Voor Emma betekent dit een storting van € 100 (€ 99 vanwege de bevoordeling en € 1 omdat zij dat heeft betaald voor de koop). De uitkomst van Piet en Emma gecombineerd komt overeen met de totale waardemutatie, het verschil tussen € 95 (waarde begin jaar 1) en € 80 (waarde bij verkoop), namelijk een waardedaling van € 15.
Jaar 1
Piet
Emma
Totaal
Waarde aandelen per 31-12
0
105
Waarde aandelen per 01-01
95
0
Mutatie
-/-95
105
Af: stortingen
0
100
Bij: onttrekkingen
100
0
Resultaat jaar 1
5
5
10
Jaar 2
Waarde aandelen per 31-12
0
0
Waarde aandelen per 01-01
0
105
Mutatie
0
-/-105
Af: stortingen
0
0
Bij: onttrekkingen
0
80
Resultaat jaar 2
0
-/25
-/-25
Totaal
5
-/20
-/-15
Er moet worden opgemerkt, dat het vermogen van Emma per 31 december van jaar 2 € 80 zal bedragen. Dit betreft liquide middelen ontstaan uit de verkoopopbrengst van de aandelen. Dit is in de vermogensvergelijking over jaar 2 van Emma een storting, waardoor de toename van de liquide middelen met € 80 geen vermogensaanwasvoordeel tot gevolg heeft.
Het begrip ‘stortingen’ wordt in de voorgestelde wettekst uitgebreid met een limitatieve lijst van kosten. Het gaat om kosten ter zake van de verkrijging, verbetering of vervreemding van een bezitting of kosten ter zake van het aangaan, aflossen of overdragen van een schuld.
Bij de kosten ter zake van de verkrijging van een bezitting of het aangaan van een schuld wordt de voorwaarde gesteld dat de bezitting, onderscheidenlijk de schuld, direct na de verkrijging, onderscheidenlijk het aangaan, tot het box 3-vermogen is gaan behoren.
Als een storting worden mede aangemerkt:
De ten laste van de verkrijger van een bezitting gekomen kosten ter zake van die verkrijging, als die bezitting direct na de verkrijging tot de bezittingen is gaan behoren.
De kosten van verbetering van een bezitting. Bij verbeteringskosten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een ingrijpende restauratie van een schilderij dat hoofdzakelijk als belegging dient of van een oldtimer die hoofdzakelijk als belegging dient.
De ten laste van de vervreemder van een bezitting gekomen kosten ter zake van die vervreemding.
De ten laste van de schuldenaar gekomen kosten ter zake van het aangaan van een schuld, als die schuld direct na het aangaan tot de schulden is gaan behoren.
De ten laste van de schuldenaar gekomen kosten ter zake van het aflossen of overdragen van een schuld.
Een positieve waardemutatie, die het gevolg is van onderhoud van een bezitting, kwalificeert echter niet als storting.
In de praktijk zal in de regel eerst de vermogensaanwas voor de verschillende onderdelen van het box 3-vermogen afzonderlijk worden berekend en daarna de totale vermogensaanwas, die bestaat uit de vermogensaanwas van de verschillende onderdelen van het box 3-vermogen gezamenlijk. Als dit op de juiste manier wordt berekend, dan komt hier dezelfde vermogensaanwas uit als bij een gezamenlijke berekening direct voor alle bezittingen en schulden in het vermogensaanwasregime.
Voor de adviseur
Het kan per belastingplichtige verschillen wat de meest praktische manier van berekenen is. Stel dat een belastingplichtige in box 3 twee verschillende beleggingsportefeuilles bij twee verschillende banken heeft. In dat geval kan het praktisch zijn om eerst de vermogensaanwas voor deze twee beleggingsportefeuilles afzonderlijk te berekenen en daarna de totale vermogensaanwas te bepalen.
8. Resultaat box 3-pand
Voor alle onroerende zaken in box 3 wordt een vermogenswinstsystematiek voorgesteld. Daar vallen ook gebruiksrechten onder die direct of indirect betrekking hebben op onroerende zaken. De gebruiksrechten zijn vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, erfpacht, opstal, recht van gebruik en recht van bewoning.
Voor de adviseur
In de Memorie van Toelichting wordt opgemerkt dat certificaten niet vallen onder de zakelijke rechten die betrekking hebben op onroerende zaken. Bij certificering wordt meestal een stichting administratiekantoor (STAK) opgericht. De gecertificeerde goederen vallen in het vermogen van de STAK en worden door de STAK beheerd. Op grond van de beheersovereenkomst geeft de STAK aan de certificaathouders het recht op de waardemutaties en de vruchten van het gecertificeerde vermogen. Civielrechtelijk wordt een uitgereikt certificaat als een vorderingsrecht van de certificaathouder op de STAK aangemerkt. De certificaathouder heeft geen goederenrechtelijke aanspraak, maar een verbintenisrechtelijke aanspraak ten opzichte van de STAK. Dit vorderingsrecht valt in het voorgestelde stelsel voor box 3 onder het vermogensaanwasregime.
Het resultaat uit een box 3-pand is het totaal van de reguliere voordelen (zie hiervoor onder ‘Reguliere voordelen’) of de eventuele vastgoedbijtelling en de vervreemdingsvoordelen.
8.1 Vastgoedbijtelling
Met de vastgoedbijtelling wordt op forfaitaire wijze de economische waarde van de beschikbaarheid voor gebruik (verhuur, eigen gebruik of andere doeleinden) van een box 3-pand belast. Hiertoe wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende drie categorieën box 3-panden:
Het pand wordt het gehele jaar verhuurd: als het pand minimaal 90% van het jaar wordt verhuurd, zijn de huurinkomsten belast en de jaarlijkse onderhoudskosten en andere kosten aftrekbaar. Verbeteringskosten worden aan de waarde van het pand toegevoegd.
Het pand wordt het gehele jaar niet verhuurd: als het pand het hele jaar niet wordt verhuurd, dan wordt het directe rendement berekend via de zogenoemde vastgoedbijtelling. Deze bijtelling is 3,35% over de WOZ-waarde.
Het pand wordt gemengd gebruikt: als sprake van een combinatie van verhuur (minder dan 90% van het kalenderjaar) en van niet-verhuur wordt een systematiek voorgesteld waarin ofwel de voordelen uit verhuur worden belast (zoals bij categorie 1), ofwel dat voor de heffing wordt uitgegaan van de vastgoedbijtelling (zoals bij categorie 2). De heffing vindt plaats over de hoogste van de voordelen uit verhuur en de vastgoedbijtelling.
Voor de adviseur
In een regulier kalenderjaar wordt uitgegaan van 328 dagen (90% van 365 dagen), in een schrikkeljaar 329 dagen (90% van 366 dagen).
8.2 Vervreemdingsvoordeel
Het vervreemdingsvoordeel op een box 3-pand wordt in de heffing betrokken bij vervreemding van dit pand. Met het begrip vervreemding wordt gedoeld op de obligatoire overeenkomst waarmee wordt beoogd om de bezitting te vervreemden. Het tijdstip van vervreemding is het tijdstip waarop de obligatoire overeenkomst perfect is geworden. Het tijdstip van levering of het tijdstip van betaling is niet relevant.
Voor het in de heffing betrekken van het vervreemdingsvoordeel geldt voor alle drie hiervoor beschreven categorieën hetzelfde regime. Er wordt op dit punt dus geen onderscheid gemaakt naar het gebruik van het pand.
Het vervreemdingsvoordeel is de overdrachtsprijs minus de verkrijgingsprijs.
De verkrijgingsprijs is de tegenprestatie bij de verkrijging (de aanschafprijs) van het box 3-pand, vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten ter zake van de verkrijging. De verkrijgingsprijs wordt bovendien verhoogd met het bedrag van de kosten die door de verkrijger na de verkrijging zijn gemaakt voor verbeteringen aan het box 3-pand.
Als er geen aanschafprijs is, dan wordt voor de verkrijgingsprijs uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van het pand op het moment dat het pand deel gaat uitmaken van het box 3-vermogen. Hierbij kan gedacht worden aan situaties van schenking, migratie, overlijden en aangaan en verbreken van een (al dan niet beperkte) gemeenschap van goederen.
De overdrachtsprijs is de tegenprestatie bij de vervreemding verminderd met de ten laste van de vervreemder komende kosten ter zake van de vervreemding. Bij het ontbreken van een tegenprestatie of bij een tegenprestatie die is bedongen bij een niet onder zakelijke omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt de tegenprestatie gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van de vervreemding van het box 3-pand.
Een pand kan ook bij de belastingplichtige overgaan van box 1 naar box 3 en andersom. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat een pand ter beschikking wordt gesteld aan de eigen vennootschap (terbeschikkingstellingsregeling in box 1) of dat de belastingplichtige permanent gaat wonen in zijn voormalige box 3-woning, waardoor de woning voortaan als hoofdverblijf wordt belast in box 1. In deze situaties is ook sprake van een vervreemding waarbij de waarde in het economische verkeer in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het vervreemdingsvoordeel. In omgekeerde situaties (box 1-pand wordt een box 3-pand) wordt de aanschafprijs bij de berekening van het vervreemdingsvoordeel gesteld op de waarde in het economische verkeer van het pand ten tijde van de overgang naar box 3.
8.3 Step-up
Bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel per 1 januari 2028 wordt de beginwaarde voor alle woningen in box 3 gesteld op de WOZ-waarde die is gebaseerd op de waardepeildatum 1 januari 2028 (dat is de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2029). Dit wijkt af van de huidige systematiek waarbij de WOZ-waarde gebaseerd op de waardepeildatum 1 januari van het vorige jaar (t-1) in aanmerking wordt genomen.
Voor de beginwaarde geldt voor verhuurde woningen, die in Nederland zijn gelegen en waarvoor de huurder recht heeft op huurbescherming, de leegwaarderatio.
Voor alle niet-woningen, ongeacht of deze zijn verhuurd, wordt de beginwaarde gesteld op de waarde in het economische verkeer op de peildatum 1 januari 2028.
De hiervoor beschreven regels voor de vaststelling van de beginwaarde voor woningen en niet-woningen hebben tot gevolg dat alleen de waardeontwikkeling van box 3-panden is belast, die ontstaan is vanaf de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.
9. Resultaat aandelen in en winstbewijzen van een startende onderneming2
Voor aandelen in en winstbewijzen van een startende onderneming, waarbij het belang minder dan 5% van het kapitaal is, wordt ook een vermogenswinstsystematiek voorgesteld.
Onder aandelen in en winstbewijzen van een startende onderneming worden mede begrepen rechten op voordelen uit dergelijke aandelen en winstbewijzen, en rechten om dergelijke aandelen of winstbewijzen te verwerven of te vervreemden. Dit heeft tot gevolg, dat genotsrechten en opties ter zake van aandelen in en winstbewijzen van een startende onderneming in de heffing worden betrokken.
Van een startende onderneming is sprake als voldaan wordt aan alle volgende voorwaarden:
De vennootschap (bv of nv) is niet langer dan vijf jaar geleden opgericht.
De vennootschap drijft uitsluitend een onderneming, die niet langer dan vijf jaar geleden is gestart of drijft uitsluitend meerdere ondernemingen die alle niet langer dan vijf jaar geleden zijn gestart.
De jaaromzet van de vennootschap bedraagt niet meer dan € 30 miljoen.
De aandelen of winstbewijzen van de vennootschap worden niet verhandeld op een gereguleerde markt.
De aandelen of winstbewijzen van de vennootschap zijn voor niet meer dan 25% rechtens dan wel worden niet in feite, direct of indirect gehouden door een lichaam waarvan:
De aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op een gereguleerde markt; of
De jaaromzet meer dan € 30 miljoen bedraagt.
Op het moment dat niet meer aan de vereisten wordt voldaan, is er sprake van een sfeerovergang. Voor dat moment wordt in dit wetsvoorstel een fictief vervreemdingsmoment voorgesteld. De vermogenswinst of -verlies tot dat moment wordt dan in de heffing betrokken. Daarna geldt voor de aandelen en de winstbewijzen de vermogensaanwassystematiek.
Het resultaat uit aandelen in en winstbewijzen van een startende onderneming is het totaal van de reguliere voordelen (zie hiervoor onder ‘Reguliere voordelen’) en de vervreemdingsvoordelen.
Het vervreemdingsvoordeel is overdrachtsprijs minus de verkrijgingsprijs.
De verkrijgingsprijs is de tegenprestatie bij de verkrijging, vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten ter zake van de verkrijging. Als een aandeel of winstbewijs na de verkrijging daarvan gaat kwalificeren als een aandeel in of winstbewijs van een startende onderneming wordt de verkrijgingsprijs gesteld op de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip.
De overdrachtsprijs is de tegenprestatie bij de vervreemding verminderd met de ten laste van de vervreemder komende kosten ter zake van de vervreemding. Bij het ontbreken van een tegenprestatie of bij een tegenprestatie die is bedongen bij een niet onder zakelijke omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt de tegenprestatie wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van de vervreemding van de aandelen in en winstbewijzen van een startende onderneming.
10. Vrijstellingen in box 3
Het nieuwe box 3-stelsel kent een groot aantal vrijstellingen. Een aantal van deze vrijstellingen zijn gelijk aan de vrijstellingen in het huidige box 3-stelsel. Dit zijn de volgende vrijstellingen:
Vrijstelling bepaalde verkrijgingen krachtens erfrecht.
Vrijstelling rechten op roerende zaken krachtens erfrecht.
Vrijstelling nettolijfrenten.
Vrijstelling nettopensioen.
Vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen.
Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap.
Vrijstelling bepaalde rechten.
De ‘vrijstelling bepaalde rechten’ betreft de box 3-vrijstelling van rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart.
In afwijking van de huidige vrijstelling wordt er in het wetsvoorstel geen maximumbedrag meer genoemd voor het vrijgestelde bedrag.
In het wetsvoorstel worden twee nieuwe vrijstellingen geïntroduceerd.
Een roerende zaak is in beginsel geen bezitting in de zin van box 3 als deze roerende zaak niet hoofdzakelijk ter belegging dient. Voor een roerende zaak die wel hoofdzakelijk ter belegging dient, maar daarnaast ook oor privédoeleinden wordt gebruikt, worden de voordelen uit eigen gebruik of verbruik van deze roerende zaak vrijgesteld.
Verder wordt voorgesteld om een kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling in te voeren. Deze vrijstelling heeft tot gevolg dat het inkomen (het kwijtscheldingsvoordeel), dat bij een schuldenaar ontstaat als gevolg van kwijtschelding van een schuld, onder voorwaarden is vrijgesteld van heffing in box 3.
Het kwijtscheldingsvoordeel is bij de schuldenaar vrijgesteld als sprake is van de kwijtschelding van een financieel onvolwaardige vordering en voor zover het kwijtscheldingsvoordeel groter is dan het heffingsvrije resultaat, eventuele andere verliezen in het jaar zelf en de verrekenbare verliezen uit eerdere kalenderjaren.
11. Specifieke waarderingsregels
De hoofdregel van de waardering van de bezittingen en de schulden is de waarde in het economische verkeer. In afwijking van deze hoofdregel worden de volgenden afwijkende waarderingsregels voorgesteld.
11.1 Vorderingen en schulden tussen natuurlijke personen
Als de verschuldigde rente van een vordering of schuld voor een bepaalde periode vast staat dan kan de (markt)waarde van de vordering of schuld fluctueren als de marktrente ten opzichte van de overeengekomen rente wijzigt. Als de marktrente stijgt, dan zal een vordering met een lage rente die langdurig vaststaat in waarde dalen.
Eenvoudshalve wordt echter voorgesteld dat vorderingen en schulden die voortvloeien uit een geldleningsovereenkomst tussen natuurlijke personen in afwijking van de hoofdregel worden gewaardeerd op de nominale waarde. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ouders die een geldlening verstrekken aan hun kind voor de financiering van een eigen woning.
Voor de adviseur
Alle vorderingen of schulden tussen natuurlijke personen en rechtspersonen zullen jaarlijks gewaardeerd moet worden. Hierdoor kan er sprake zijn van een vermogensaanwasvoordeel.
11.2 Waardering levensverzekeringen
De waarde van levensverzekeringen wordt gesteld op de actuariële reservewaarde.
11.3 Waardering genotsrechten
Het genotsrecht is het recht op genot van een zaak of vermogensrecht, het recht om gebruik te maken van iets. Een veel voorkomend genotsrecht is het vruchtgebruik.
Periodieke vergoedingen voor een genotsrecht worden belast als directe inkomsten bij de blote eigenaar en zijn voor de genotsgerechtigde aftrekbaar als kosten. Een eenmalige vergoeding op het moment van vestiging van het genotsrecht tegen een zakelijke prijs is daarentegen voor de verkoper van het genotsrecht een vermogensmutatie waarbij het totale vermogen gelijk blijft. De verkoopprijs van het genotsrecht is dan immers gelijk aan de totale waardedaling van het goed waarop het genotsrecht rust.
Ieder jaar wordt de resterende periode waarin het genotsrecht korter. Daardoor stijgt de waarde van het blote eigendom en daalt de waarde van het genotsrecht. De blote eigenaar heeft daarmee ieder jaar een tussentijds resultaat vanwege de toename van de waarde van het blote eigendom tegenover de vermindering van de waarde van het resterende genotsrecht. Daar staat tegenover dat de genotsgerechtigde ieder jaar de waardedaling van het genotsrecht kan aftrekken. Met het oog op eenvoud wordt voorgesteld om de waardemutaties van het blote eigendom en het genotsrecht tijdsevenredig te berekenen.
Op deze systematiek wordt een uitzondering voorgesteld, namelijk voor de koper van een bloot eigendom van een onroerende zaak of van aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming. Voor deze bezittingen wordt in box 3 een vermogenswinstsystematiek voorgesteld waarbij de waardeontwikkeling voor deze vermogensbestanddelen wordt belast bij realisatie, onder andere omdat deze bezittingen niet liquide zijn.
12. Diversen
12.1 Antiboxhop- en antipeildatumarbitragebepalingen
De zogenoemde antiboxhop- en antipeildatumbepalingen komen te vervallen. Deze bepalingen zijn met het vervallen van de peildatum van 1 januari niet meer van belang.
12.2 Vervreemdingsfictie bij overlijden en emigratie
Bij overlijden van een belastingplichtige worden onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip van die onroerende zaken, aandelen, onderscheidenlijk winstbewijzen.
Bij emigratie wordt er ook geacht sprake te zijn van een vervreemding van aandelen in en winstbewijzen van startende ondernemingen en in het buitenland gelegen onroerende zaken. Dit heeft tot gevolg dat de waardeveranderingen die gedurende de binnenlandse belastingplicht hebben plaatsgevonden maar nog niet in de heffing zijn betrokken, alsnog in de heffing worden betrokken.
Ten aanzien van in Nederland gelegen onroerende zaken blijft een belastingplichtige ook na emigratie (buitenlands) belastingplichtig. Daarom geldt de vervreemdingsfictie ten aanzien van onroerende zaken alleen voor in het buitenland gelegen onroerende zaken. De positieve inkomensbestanddelen die als gevolg van de fictieve vervreemding worden belast, worden aangemerkt als te conserveren inkomen waarvoor een conserverende belastingaanslag wordt opgelegd.
De inspecteur zal ondanks de fictieve vervreemding bij emigratie in beginsel geen conserverende belastingaanslag opleggen ten aanzien van onroerende zaken die zijn gelegen in een land waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten ter voorkoming van dubbele belasting. De belastingverdragen die Nederland heeft gesloten plegen namelijk het heffingsrecht over vermogenswinsten behaald met de vervreemding van onroerende zaken exclusief toe te wijzen aan de staat waarin de onroerende zaak is gelegen. De fictieve vervreemding zal zodoende in de praktijk beperkt zijn tot onroerende zaken die zijn gelegen in een niet-verdragsland.
Evenals bij een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang wordt voor een conserverende belastingaanslag voor onbepaalde tijd uitstel van betaling verleend.
Verder wordt gedurende het uitstel van betaling geen invorderingsrente in rekening gebracht en er wordt alleen zekerheid gevraagd wanneer de belastingschuldige zich verplaatst of woonachtig wordt buiten de Europese Unie.
Het uitstel wordt al dan niet gedeeltelijk beëindigd wanneer er middelen vrij komen waarmee de belastingschuldige zijn belastingaanslag kan voldoen. Hierbij wordt rekening gehouden met de in het buitenland verschuldigde belasting.
12.3 Voorkoming van dubbele belasting
Nederland heeft met een groot aantal landen belastingverdragen afgesloten ter voorkoming van dubbele belasting. In een belastingverdrag staat welk land belasting mag heffen over inkomsten. Als er geen belastingverdrag is, geldt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (Bvdb 2001). De voorgestelde wijziging van box 3 heeft gevolgen voor het Bvdb 2001.
Er moet nog een keuze worden gemaakt voor de toedeling van het heffingsvrije resultaat aan binnenlands en buitenlands inkomen uit sparen en beleggen.
Door de mogelijkheid van verliesverrekening binnen box 3 zal het Bvdb 2001 moeten worden aangepast voor de doorschuiving en inhaal van vrij te stellen buitenlands inkomen.
In het wetsvoorstel is een verliesverrekeningsdrempel opgenomen. Ook hiervoor zal geregeld moeten worden hoe deze voor de voorkoming van dubbele belasting aan binnenlands en buitenlands inkomen uit sparen en beleggen moet worden toegedeeld.
12.4 Kapitaalverzekeringen
Voorgesteld wordt om het overgangsrecht voor kapitaalverzekeringen die zijn afgesloten vóór 2001 af te schaffen.
Bij de invoering van het nieuwe stelsel wordt een toetsmoment (1 januari 2028) gecreëerd. Per die datum wordt – op basis van de regelgeving van het huidige overgangsrecht – beoordeeld of voor nog lopende kapitaalverzekeringen te zijner tijd gebruikt gemaakt kan worden van de uitkeringsvrijstelling. Als dat niet het geval is, wordt voorgesteld om in het kader van het afschaffen van het overgangsrecht de heffing over het rentebestanddeel zoals dat op het toetsmoment voor de periode tot en met 31 december 2027 is vastgesteld op een van de twee volgende manieren plaats te laten vinden:
Op het moment van het daadwerkelijke uitkeringsmoment van de kapitaalverzekering als de datum van expiratie ná 31 december 2027 en vóór 1 november 2029 ligt; of
Op een vervroegd afrekenmoment wanneer de kapitaalverzekering op of ná 1 november 2029 expireert.
Om de fiscale heffing over het te belasten rentebestanddeel voor verzekeraars, belastingplichtigen en de Belastingdienst zo soepel mogelijk te laten verlopen wordt voorgesteld om met een inhoudingsverplichting voor de verzekeraars te werken.
De kapitaalverzekeringen, die op grond van de bepalingen van het huidige overgangsrecht recht hebben op de bezittingsvrijstelling, zullen onder het nieuwe box 3-stelsel op een vergelijkbare wijze worden vrijgesteld. De vermogensaanwas van deze kapitaalverzekeringen zal alleen worden belast voor zover deze is toe te rekenen aan de waarde boven € 123.428 (het bedrag van de bezittingsvrijstelling in box 3). De huidige bezittingsvrijstelling eindigt met ingang van 14 september 2029. Voorgesteld wordt om de vrijstelling voor dergelijke verzekeringen tot en met 31 december 2029 van toepassing te laten zijn.
Verder wordt voorgesteld om de imputatieregeling voor kapitaalverzekeringen in box 3 af te schaffen.
13. Ten slotte
De Raad van State heeft in zijn advies van 27 november 2024 aangegeven dat er zwaarwegende bezwaren kleven aan het voorgestelde nieuwe box 3-stelsel, onder andere op het gebied van de uitvoering. Vanwege de zwaarwegende bezwaren was het advies om de vormgeving van het box 3-stelsel opnieuw te bezien. Hiertoe heeft de Raad van State een aantal alternatieve opties aangedragen.
Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat volgens de staatssecretaris een stelsel op basis van het werkelijke rendement, met een combinatie van vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting de beste optie blijft. Alle alternatieve opties scoren niet beter op uitvoerbaarheid, doenvermogen, complexiteit, juridische houdbaarheid en budgettaire gevolgen ten opzichte van het voorgestelde nieuwe stelsel.
Ook de Tweede Kamer is kritisch over met name de vermogensaanwascomponent in het wetsvoorstel. Tijdens de parlementaire behandeling zal blijken of er aanpassingen van het voorstel nodig zijn en in hoeverre de beoogde invoeringsdatum per 1 januari 2028 daadwerkelijk haalbaar is.
De staatssecretaris heeft aangegeven, dat inwerkingtreding per 1 januari 2028 mogelijk is als het wetsvoorstel uiterlijk op 15 maart 2026 door de Tweede Kamer is aangenomen. Dit is nodig om banken en verzekeraars voldoende tijd te geven om hun software aan te passen voor het nieuwe stelsel.
Informatie: vtboa@xs4all.nl