Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.3.2
5.3.2 Alternatieve scenario’s
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200773:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In een ‘wetenschappelijke’ benadering van de bewijsbeslissing door de rechter (2011: 273 e.v.) moet volgens Van Koppen het ‘schuldige’ scenario dat het OM presenteert worden afgewogen tegen een eventueel ‘redelijk alternatief scenario’. Hiervan is volgens hem sprake indien voor dit scenario een ‘serieus aanknopingspunt’ in het strafdossier kan worden gevonden of ‘in andere gegevens over de strafzaak’ (p. 283).
Praktisch gezien zal een onschuldige verdachte soms niet in staat zijn om een alternatief scenario met bewijs te staven of onderzoekbare aanknopingspunten kunnen aanleveren. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer zich parallelle gebeurtenissen hebben voorgedaan. Als een verdachte in de buurt van een plaats delict is gezien (ook al is het iemand die eerder is veroordeeld), hoeft hij nog niet de dader te zijn. Ook kan een DNA-spoor voor onschuldige verdachten onverklaarbaar zijn.
Tijdens de interviews werd door officieren van justitie regelmatig naar alternatieve scenario’s verwezen om de eigen opvattingen over hoe met bewijsbeoordeling moet worden omgegaan, te illustreren. Daarom wordt dit begrip in deze subparagraaf apart besproken.
Een manier om het element van overtuiging bij de bewijsbeslissing uit art. 338 Sv te interpreteren, is als een aansporing voor de strafrechter om na te gaan welke verschillende scenario’s ‘den inhoud van wettige bewijsmiddelen’ mogelijk maken. Volgens dit artikel kan de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan immers pas aannemen op het moment dat hijzelf ‘de overtuiging heeft bekomen’ (zie voetnoot 6). Ook kan de verdediging de rechter ertoe bewegen behalve het ‘schuldige’ scenario van de tenlastelegging één of meerdere alternatieve scenario’s onder ogen te zien.
De laatste jaren zijn de termen ‘(alternatieve) scenario’s’ en ‘scenariodenken’ ingeburgerd geraakt in de strafrechtspraktijk. Ook zijn ze veelvuldig (zij het op heel verschillende manieren geïnterpreteerd) in rechterlijke uitspraken terug te vinden (Stevens, 2014: 2848). Tijdens de interviews met officieren van justitie lijken onder ‘scenariodenken’ uiteenlopende vormen van beoordeling van bewijs te worden verstaan. Behalve op het systematisch gebruikmaken van één of meerdere alternatieve scenario’s bij de bewijsbeslissing, zoals in Nederland veelvuldig gepromoot door Van Koppen (2011; 2013), lijkt het begrip bij officieren van justitie betrekking te hebben op hiervan afgeleide werkwijzen, redeneringen en overtuigingen. Zo doelen officieren van justitie op uiteenlopende door hen ervaren verschijnselen wanneer ze tijdens de interviews aangeven dat ze ‘last hebben van scenario’s’ of menen dat ‘het scenariodenken is doorgeschoten’. Sommigen brengen dit in verband met een ervaren ‘angst die bij de rechtbanken is binnengeslopen om te veroordelen’.
Enkele officieren van justitie menen dat de ‘voorzichtigheid’ onder strafrechters is toegenomen en dat dit een goede ontwikkeling is, gezien de problemen waarmee politie en justitie in het verleden te kampen hadden (zie hoofdstuk 1). Op grond daarvan zou het begrijpelijk zijn dat rechters zich meer een eigen beeld wensen te vormen van relevante feiten dan voorheen, onder meer door meer getuigen te (laten) horen (door de rechter-commissaris). Verder denken sommige officieren van justitie dat het scenario van de verdachte tegenwoordig eerder wordt geloofd en dat rechters eerder geneigd zijn een van het OM afwijkend standpunt in te nemen, doordat hun vertrouwen zou zijn afgenomen in de processen-verbaal van de politie. Een officier van justitie:
‘Er zijn collega’s die vinden dat het [scenariodenken] doorslaat. Maar wat er na de Schiedammer Parkmoord is gebeurd, vind ik heel goed. (...) We besteden meer aandacht aan kwaliteit en wat je ziet is dat rechters kritischer zijn geworden en terecht. Wat we zien is dat sommige zaken meer tijd in beslag nemen omdat rechters zelf getuigen willen horen. De politie moet veel meer woordelijk uitwerken. Vroeger werd het proces-verbaal van de politie geloofd, maar nu willen ze het zelf zien en dat hebben we aan onszelf en de opsporing te wijten.’
Zoals eerder opgemerkt achten sommige officieren van justitie (net als een deel van de politiemensen) de beoordeling van bewijs regelmatig te streng. In hun kritiek op sommige beslissingen van rechters (hierbij wordt ook verwezen naar uitspraken van gerechtshoven) over een ‘overdreven voorzichtige’ beoordeling van beschikbaar bewijs, komen vooral twee elementen naar voren met betrekking tot alternatieve scenario’s. Ten eerste is men van mening dat het alternatieve scenario dat van de kant van de verdachte tijdens het strafproces wordt ingebracht, door de rechter vaker als onbetrouwbaar terzijde geschoven zou moeten worden. Ten tweede leggen rechters in de ogen van officieren van justitie bij de beoordeling van bewijs te veel nadruk op mogelijke alternatieve scenario’s.
In gevallen waarin verdachten pas na meerdere rechtszittingen een verklaring geven, zou deze vaker door de rechter terzijde kunnen worden geschoven, zo menen sommige officieren van justitie. Hieraan ligt het vermoeden ten grondslag dat nogal eens sprake is van een (op initiatief van de advocaat) geconstrueerde (mogelijk verzonnen) alternatieve verklaring. Deze zou er in de ogen van officieren van justitie precies op zijn berekend het door het OM gepresenteerde ‘schuldige’ scenario te kunnen weerleggen en rechters op het verkeerde been te zetten. Een officier van justitie: ‘Het is veel beter om een [geconstrueerd] alternatief scenario neer te leggen dan om te zwijgen. Niet zwijgen, maar spreken is goud.’ Een andere officier van justitie wijt het bestaan van de mogelijkheid voor verdachten om pas met een verklaring te komen nadat het dossier volledig beschikbaar is gekomen niet aan de rechters, maar eerder aan geldend recht:
‘Je hebt te maken met alternatieve scenario’s, dat is de laatste tijd zeer dominant. De verdachte wacht het dossier af en komt met een scenario. Dat kan je [als rechter] alleen terzijde schuiven als het volstrekt onaannemelijk is. Ik merk dat de rechtbank dat ook wel doet omdat de overtuiging een zware rol speelt, bijvoorbeeld omdat iemand pas op het laatste moment met zijn verhaal komt.’
Tegenover de opvatting dat alternatieve scenario’s van verdachten vaker terzijde geschoven moeten worden door de rechter staat de soms door officieren geuite opvatting dat bij de beslissing een verklaring van de verdachte als niet-aannemelijk te beschouwen, geregeld twijfelachtige argumenten worden gebruikt.
‘Een geringe twijfel kun je soms niet tackelen. Je kan dan alleen met argumenten komen: “U komt er wel laat mee.” Of je zegt: “Het is wel bijzonder toevallig allemaal.” Dat zijn onderbuikargumenten: “Waarom gaat u vier maanden zitten terwijl het volgens u alleen maar om hennep gaat?” (…) Desalniettemin worden wel mensen veroordeeld doordat dit soort argumenten worden gebruikt, waarbij de overtuiging een grote rol speelt.’
Enkele officieren van justitie vinden dat rechters soms van een onwaarschijnlijke alternatieve lezing van het bewijs uitgaan. Zij stellen dat rechters hiervoor, behalve in de verklaring van verdachte, vaak geen steun vinden. In het vonnis van de rechter kan in dergelijke gevallen een zinsnede worden aangetroffen als: ‘het alternatief kan niet worden uitgesloten’ (zie ook: Stevens, 2014).1 Een geïnterviewde officier van justitie kan voor een dergelijke redenering van rechters geen begrip opbrengen:
‘Als een alternatieve lezing niet kan worden uitgesloten, is dat een criterium? Je mag op basis van een dossier gewoon oordelen dat een alternatieve lezing, zoals door de verdediging neergelegd, niet aannemelijk is, deze terzijde schuiven en doorgaan met het bewijs dat er is. Niet uitsluiten is volgens mij niet een goed criterium.’
Verwacht wordt dat een alternatieve lezing wordt ondersteund door gegevens uit het dossier of door bewijs2 van de kant van de verdachte: ‘Je kan [als verdachte] een mooi alternatief scenario bedenken, maar dan moet je ook met aanknopingspunten komen, want ook dat moet dan worden bewezen.’
Onder invloed van het volgens officieren sterker geworden belang van alternatieve scenario’s in de rechtspraak, is volgens sommige van hen het gezag van het opsporingsonderzoek verminderd. Het opsporingswerk wordt in hun ogen door rechters onvoldoende op waarde geschat, waarbij als onredelijk ervaren verwachtingen over onderzoek naar mogelijke scenario’s een te groot beslag zouden leggen op de politiecapaciteit.
‘Ik constateer dat we heel veel last hebben van alternatieve scenario’s. (...) Nu begint het al met de vraag van de rechter-commissaris [bij de voorgeleiding]: “Welke andere scenario’s heb je ook nog uitgezocht?” Dan denk ik, dat is in algemene zin een goede vraag, maar het moet niet een ding op zichzelf worden of een ritueel. Als er geen andere scenario’s zijn bekeken, bijvoorbeeld omdat de verdachte [nog] niks zegt, dan hoeft het nog niet te gaan om een slecht onderzoek. Dan misken je volgens mij de bewijskracht van sommige bewijsmiddelen al a priori. Het kan best zijn dat als de verdachte niks anders zegt en je veel bewijsmateriaal hebt tegen de verdachte, dat je dan van de opsporing niet kan vragen mensen in te zetten op allerlei onredelijke uitzoekrichtingen.’
Aangezien een verdachte mag zwijgen is opmerkelijk dat deze officier de verantwoordelijkheid voor het selecteren van onderzoeksrichtingen bij de verdachte neerlegt.
Bij veel officieren van justitie leiden ervaren veranderingen in de beoordelingswijze van rechters niet tot onbegrip. Zij vinden dat het OM simpelweg meer (overtuigend) bewijs moet aanleveren, zodat de rechter alsnog overtuigd wordt. Daarbij wordt door sommigen expliciet de onafhankelijke positie van de rechter onderschreven:
‘Zonder meer uitgaan van de juistheid van de verklaring van verdachte: dat doen rechters soms. Maar het mag helder zijn dat [het OM] moet bewijzen. Het is aan de rechter om de bewijsmiddelen te beoordelen en te waarderen. Hij is daar heel erg vrij in, en ik denk terecht. Wel wordt het heel erg lastig als je zo streng bent voor het bewijs [dat je elke theoretische mogelijkheid wilt kunnen uitsluiten]. Maar ik ben me ervan bewust dat er een verschil is tussen bewijs en overtuiging.’
Vanuit het besef dat rechters mogelijk zullen afgaan op een van de verdachte afkomstig alternatief scenario, lijkt het OM zich daarop in het algemeen voor te bereiden. In veel gevallen wil de officier van justitie, anticiperend op de beslissing van de rechter, voor de hand liggende onderzoeksmogelijkheden (die eventueel ontlastend kunnen zijn voor de verdachte) ook zelf benutten. Zo maakt het voor de beoordeling van een strafdossier (ook door officieren van justitie zelf) uit of voor de hand liggende opsporingsmogelijkheden zijn benut of niet.
Meerdere officieren menen dat van de politie verlangd moet worden niet alleen de meest noodzakelijke getuigenverhoren uit te voeren, maar zoveel mogelijk. Tijdens een interview kwam een autokraak aan de orde, waarbij de politie glassplinters in de sok van de verdachte aantrof. Vervolgens zijn deze in opdracht van de officier forensisch onderzocht om de zogeheten brekingsfactor van het glas te bepalen en te vergelijken met die van het ingeslagen autoglas.
Soms speelt ook een efficiencystreven een rol in opvattingen van officieren van justitie, zoals naar voren komt wanneer een strafzaak mogelijk wordt aangehouden voor nader onderzoek. Een officier: ‘Er is soms ook een proceseconomisch argument dat veel collega’s zo voelen. We moeten die zaak niet gaan aanhouden [nadat een alternatieve verklaring is gegeven], dan maar risico lopen op vrijspraak.’ Merk op dat een dergelijk efficiencystreven geen afbreuk hoeft te doen aan de waarborgfunctie van het strafrecht. Dit is in lijn met de kritiek op Packers gedachte dat bescherming van de individuele verdachte zonder meer is gediend bij een strafproces waarin de tijd wordt genomen voor reflectie en nader onderzoek (zoals in het due process model). Het kan juist ook in het belang van de verdachte zijn om de knoop door te hakken (zie hoofdstuk 2). Zo kan ook crime control gediend zijn met het investeren van tijd. Waarschijnlijk roept een alternatieve verklaring bij de rechter minder twijfel op, wanneer het strafdossier bewijs bevat waar geen speld tussen te krijgen is. Een officier van justitie wijst erop dat dit mede afhankelijk is van de ter beschikking gestelde capaciteit en financiële middelen voor een bepaalde zaak: ‘In een grote zaak heb je carte blanche om onderzoek te doen. Daar gaan tienduizenden euro’s zitten [in forensisch onderzoek]. Dat kan je niet uitgeven aan een fietsendief of een woninginbraak.’