Verdrag inzake het Energiehandvest, Lissabon, 17 december 1994, Trb. 1995, 108.
HR, 17-10-2025, nr. 24/01964
ECLI:NL:HR:2025:1569
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-10-2025
- Zaaknummer
24/01964
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1569, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑10‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:351
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:425
ECLI:NL:PHR:2025:425, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1569
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑05‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0079
NTHR 2025/56, p.262
JBPr 2026/5 met annotatie van mr. B.J. Scheepvaart, prof. mr. B. van Zelst
JBPr 2026/5 met annotatie van mr. B.J. Scheepvaart, prof. mr. B. van Zelst
Uitspraak 17‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Arbitrage. Yukos. Vordering tot vernietiging arbitrale vonnissen o.g.v. in arbitrageprocedure gepleegd bedrog (art. 1065 lid 1, onder e, (oud) Rv; beroep op bedrog tijdig gedaan? Strijd met goede procesorde (art. 130 lid 1 Rv)? Rechtsmiddelenverbod (art. 130 lid 2 Rv). Vervolg op HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01964
Datum 17 oktober 2025
ARREST
In de zaak van
DE RUSSISCHE FEDERATIE,
zetelend te Moskou, Rusland,
EISERES tot cassatie,
hierna: de Russische Federatie,
advocaten (aangewezen door de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Den Haag op de voet van art. 13 Advocatenwet): A.H.M. van den Steenhoven en M.A.M. Wagemakers,
tegen
1. HULLEY ENTERPRISES LIMITED,
gevestigd te Douglas, Isle of Man,
hierna: Hulley,
2. VETERAN PETROLEUM LIMITED,
gevestigd te Douglas, Isle of Man,
hierna: VPL,
3. YUKOS UNIVERSAL LIMITED,
gevestigd te Douglas, Isle of Man,
hierna: YUL,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: HVY,
advocaten: T. Cohen Jehoram, J.W.M.K. Meijer en J.J. Valk.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn arrest van 5 november 2021 in de zaak 20/01595 (ECLI:NL:HR:2021:1645);
b. het arrest in de zaak 200.303.103/01 van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2024.
De Russische Federatie heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.HVY hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.De advocaten van de Russische Federatie hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) HVY zijn, althans waren, aandeelhouder in Yukos Oil Company (hierna: Yukos), een in de Russische Federatie gevestigde oliemaatschappij. Yukos is op 1 augustus 2006 failliet verklaard en op 21 november 2007 uit het Russische handelsregister geschrapt.
(ii) HVY hebben in 2004 op de voet van art. 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest (The Energy Charter Treaty, hierna: ECT)1.arbitrageprocedures aanhangig gemaakt tegen de Russische Federatie (hierna: de arbitrageprocedures). HVY vorderden in de arbitrageprocedures dat de Russische Federatie veroordeeld zou worden om aan hen schadevergoeding te betalen. Zij legden daaraan ten grondslag dat de Russische Federatie in strijd met de ECT hun investeringen in Yukos had onteigend en had nagelaten deze investeringen te beschermen. De plaats van de arbitrages was Den Haag.
(iii) Het ingevolge het UNCITRAL-arbitragereglement benoemde scheidsgerecht (hierna: het scheidsgerecht) heeft in drie afzonderlijke interim awards (hierna: de interim awards)2.geoordeeld over een aantal preliminaire verweren die de Russische Federatie had opgeworpen, onder meer met betrekking tot de bevoegdheid van het scheidsgerecht. In de interim awards heeft het scheidsgerecht bepaalde bevoegdheids- en ontvankelijkheidsverweren verworpen en ten aanzien van andere preliminaire verweren beslist dat het oordeel daarover zou worden aangehouden tot de inhoudelijke fase (the merits phase) van het geding.
(iv) In drie afzonderlijke final awards (hierna: de final awards)3.heeft het scheidsgerecht de nog resterende bevoegdheids- en ontvankelijkheidsverweren van de Russische Federatie verworpen, geoordeeld dat de Russische Federatie haar verplichtingen onder art. 13 lid 1 ECT heeft geschonden en de Russische Federatie veroordeeld aan HVY schadevergoeding te betalen ten bedrage van USD 8.203.032.751 (aan VPL), USD 1.846.000.687 (aan YUL) en USD 39.971.834.360 (aan Hulley).
2.2
In deze procedure vordert de Russische Federatie de vernietiging van de arbitrale vonnissen (de interim awards en de final awards). De Russische Federatie heeft daartoe een beroep gedaan op diverse vernietigingsgronden, waaronder de grond dat de arbitrale vonnissen in strijd met de openbare orde tot stand zijn gekomen (art. 1065 lid 1, aanhef en onder e, (oud) Rv4.).
2.3
De rechtbank5.heeft de vordering toegewezen wegens het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst.
2.4
In hoger beroep heeft de Russische Federatie bij memorie van antwoord onder meer gesteld dat de arbitrale vonnissen ook in strijd zijn met de openbare orde omdat HVY in de arbitrageprocedures bedrog hebben gepleegd. Bij tussenarrest6.heeft het gerechtshof Den Haag het bezwaar van HVY tegen deze nieuwe stellingen gegrond geacht. Bij eindarrest7.heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van de Russische Federatie afgewezen.
2.5
Bij arrest van 5 november 20218.heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, de klacht van de Russische Federatie gegrond geacht dat een beroep op in een arbitrageprocedure gepleegd bedrog niet alleen in een herroepingsprocedure (art. 1068 Rv), maar ook in een vernietigingsprocedure (art. 1065 Rv) kan worden gedaan. In verband met het slagen van deze klacht heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (voetnoten niet weergegeven):
“5.1.14 Ingevolge art. 1064 lid 5 (oud) Rv moeten de gronden die eiser aan de vordering tot vernietiging ten grondslag wil leggen, op straffe van verval van het recht daartoe in de inleidende dagvaarding worden opgenomen. In het arrest […]/[…] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 1064 lid 5 (oud) Rv zich op zichzelf niet ertegen verzet dat, naar aanleiding van het gevoerde verweer in het verdere verloop van het geding, of naar aanleiding van de beslissing van de eerste rechter, in hoger beroep een nadere uitwerking wordt gegeven van de bij inleidende dagvaarding aangevoerde gronden, en zo nodig een omissie wordt hersteld. De mogelijkheid om reeds bij dagvaarding aangevoerde gronden in hoger beroep nader uit te werken, of nieuwe feitelijke stellingen aan te voeren, is evenwel niet onbeperkt. Deze mogelijkheid wordt onder meer begrensd door de gewone regels geldend voor het hoger beroep, zoals art. 130 Rv. Daarnaast wordt die mogelijkheid begrensd door specifieke bepalingen die voorschrijven wanneer een bepaalde vernietigingsgrond (voor het eerst) moet worden ingeroepen, op straffe van verval van het recht daarop later alsnog een beroep te doen. Indien een dergelijke bepaling aan de orde is, zal telkens in een concreet geval beoordeeld moeten worden of een in de loop van de vernietigingsprocedure aangevoerde nieuwe feitelijke of juridische stelling, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, met de strekking van een dergelijke bepaling in strijd komt.
5.1.15
Uit hetgeen hiervoor (…) is overwogen, volgt dat de herroepingsprocedure aan degene die meent dat het arbitrale vonnis op bedrog berust, een extra mogelijkheid geeft op die grond het vonnis in rechte aan te tasten, hetgeen in het bijzonder van belang is als de andere rechtsmiddelen, zoals de vordering tot vernietiging, reeds zijn uitgeput of de termijnen voor het instellen daarvan ongebruikt zijn verstreken op het moment dat het bedrog wordt ontdekt.
Dat die mogelijkheid in de tijd wordt beperkt door de termijn van drie maanden nadat het bedrog bekend is geworden (art. 1068 lid 2, eerste volzin, (oud) Rv), strekt ertoe dat de wederpartij na het ongebruikt verstrijken van die termijn ervan mag uitgaan dat het arbitrale vonnis niet langer blootstaat aan vernietiging als gevolg van herroeping. Deze termijn dient dus de rechtszekerheid. Indien evenwel reeds een vernietigingsprocedure aanhangig is waarin in de dagvaarding is betoogd dat het vonnis, of de wijze waarop het tot stand kwam, in strijd is met de openbare orde, kan de wederpartij rekening houden met de mogelijkheid dat het arbitrale vonnis op die grond niet in stand zal blijven, en wordt het belang van de rechtszekerheid niet geschaad wanneer het beroep op de openbare orde in de loop van de vernietigingsprocedure nader wordt uitgewerkt met een beroep op bedrog.
De strekking van art. 1068 lid 2, eerste volzin, (oud) Rv brengt dan ook niet mee dat ook in een vernietigingsprocedure een beroep op bedrog binnen de in die bepaling genoemde termijn moet zijn gedaan, op straffe van verval van het recht daarop later alsnog een beroep te doen. Of in een vernietigingsprocedure in een later stadium alsnog een beroep op bedrog gedaan kan worden, moet voor het overige beoordeeld worden aan de hand van de hiervoor in 5.1.14 weergegeven regels.
5.1.16
Ten aanzien van de toepassing van art. 130 lid 1 Rv geldt dat telkens in een concreet geval beoordeeld moet worden of het aanvoeren van een nieuwe stelling ter onderbouwing van een reeds bij dagvaarding aangevoerde vernietigingsgrond, in strijd komt met de eisen van een goede procesorde. Daarbij kan onder meer van belang zijn wat de reden is voor het niet eerder aanvoeren van de nieuwe stelling.
Van de in art. 130 lid 1 Rv bedoelde strijd met de eisen van een goede procesorde kan onder meer sprake zijn indien in een geval als het onderhavige, waarin wordt gesteld dat het arbitrale vonnis onder invloed van bedrog tot stand is gekomen, de hiervoor bedoelde nadere uitwerking later wordt gegeven dan in de eerstvolgende conclusie of akte nadat het bedrog bekend is geworden.
(…)
5.1.18
In dit geval heeft de Russische Federatie gesteld dat zij na de datum van het vonnis van de rechtbank bedrog aan de zijde van HVY heeft ontdekt, en heeft zij daarop een beroep gedaan in de eerstvolgende conclusie van haar zijde in het hoger beroep (de memorie van antwoord). De vraag of deze door de Russische Federatie in de memorie van antwoord gegeven nadere uitwerking van de reeds bij inleidende dagvaarding ingeroepen vernietigingsgrond in strijd is met de eisen van een goede procesorde zoals bedoeld in art. 130 lid 1 Rv, heeft het hof niet behandeld.”
De Hoge Raad heeft de arresten van het gerechtshof Den Haag vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof).
2.6
Het hof9.heeft opnieuw het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van de Russische Federatie afgewezen. Daartoe heeft het hof, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“6.4. De Russische Federatie heeft voor het eerst in hoger beroep aangevoerd dat HVY (procedureel) bedrog hebben gepleegd in de arbitrageprocedures, onder verwijzing naar nieuwe stukken. Dit beroep op bedrog is geplaatst in het kader van de vernietigingsgrond van strijd met de openbare orde en is aangemerkt als een nadere uitwerking daarvan. Het beroep op bedrog is na verwijzing verder uitgewerkt, waarbij weer nieuwe stukken zijn ingediend. HVY hebben zich hiertegen verzet, zowel voor als na verwijzing.
6.5.
Uit hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rov. 5.1.14, 5.1.15 en 5.1.16 van zijn arrest in deze zaak, blijkt dat het hof moet nagaan of het beroep op bedrog en de verdere uitwerking die de Russische Federatie daaraan heeft gegeven, zijn gebleven binnen de grenzen van de gewone regels die gelden voor het hoger beroep, waaronder de twee-conclusieregel en de eisen van de goede procesorde (art. 130 lid 1 Rv). Wat betreft de goede procesorde is onder meer van belang of de nadere uitwerking later is gegeven dan in de eerstvolgende conclusie of akte nadat het bedrog bekend is geworden. Het hof is van oordeel dat het beroep van de Russische Federatie op bedrog in strijd is met de goede procesorde en legt hierna uit waarom.
6.6.
Het beweerde bedrog heeft volgens de stellingen van de Russische Federatie betrekking op het indienen van valse verklaringen, het achterhouden van documenten die relevant zijn voor cruciale geschilpunten in de arbitrages en het doen van geheime betalingen aan een van HVY’s voornaamste getuigen.
(…)
6.8.
Uit de stellingen van de Russische Federatie volgt dat zij in 2015 en/of 2016, tijdens de procedure in eerste aanleg, het beweerde bedrog in de arbitrages heeft ontdekt. In haar memorie van antwoord in hoger beroep van 28 november 2017 bevestigt de Russische Federatie dit:
(…)
6.9.
Het hof kan uit deze eigen stellingen van de Russische Federatie niet anders opmaken dan dat de Russische Federatie het beweerde bedrog reeds in eerste aanleg bekend was of is geworden. Daaraan doet niet af of de Russische Federatie later de beschikking heeft gekregen over aanvullende documenten en verklaringen die de stelling kunnen ondersteunen dat sprake is van bedrog. Desondanks heeft de Russische Federatie in eerste aanleg daarop geen beroep gedaan bij het uitwerken van de aangevoerde vernietigingsgronden. De Russische Federatie heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat zij daartoe niet in staat was of dat anderszins een toereikende reden vormt voor het achterwege laten daarvan. Naar het oordeel van het hof is het in strijd met de goede procesorde om deze uitwerking pas te geven bij memorie van antwoord in hoger beroep, hoewel dit al in eerste aanleg mogelijk – en daarmee geboden – was. De herstelfunctie van het hoger beroep houdt niet in dat een ontijdig beroep op bedrog alsnog als tijdig moet worden aangemerkt. Het beroep op bedrog behoort daarom buiten beschouwing te blijven.
6.10.
Met het voorgaande is gegeven dat de arbitrale vonnissen niet vanwege bedrog behoren te worden vernietigd. Over de andere aangevoerde vernietigingsgronden en de uitwerking daarvan is reeds definitief beslist. Dit brengt mee dat het hof eenzelfde beslissing zal geven als het hof Den Haag bij het eindarrest van 18 februari 2020 heeft gedaan.”
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof Hulley en VPL ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, indien Hulley en VPL zijn opgehouden te bestaan na de statutaire zetelverplaatsing van deze vennootschappen tijdens het hoger beroep.
3.1.2
Het onderdeel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder
3.3-3.5.
3.2.1
Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 6.5-6.9, waarin het hof heeft geoordeeld dat het (bij memorie van antwoord in hoger beroep gedane) beroep van de Russische Federatie op bedrog in strijd met de goede procesorde is en daarom buiten beschouwing dient te blijven.
3.2.2
In de door onderdeel 2 bestreden rov. 6.5-6.9 heeft het hof, overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad in rov. 5.1.14-5.1.18 van zijn arrest van 5 november 2021 heeft overwogen (zie hiervoor in 2.5), beoordeeld of het beroep op bedrog in strijd is met de eisen van een goede procesorde als bedoeld in art. 130 lid 1 Rv. Tegen een beslissing van de rechter op grond van art. 130 lid 1 Rv staat geen rechtsmiddel open (art. 130 lid 2 Rv). Hierop stuiten de klachten van onderdeel 2 af.
3.3
De onderdelen 3 tot en met 8 zijn voorgesteld onder de voorwaarde dat enige klacht van onderdeel 1 of 2 slaagt. Hiervoor in 3.1.1-3.2.2 is gebleken dat deze voorwaarde niet is vervuld. De onderdelen 3 tot en met 8 behoeven daarom geen behandeling.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de Russische Federatie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HVY begroot op € 16.410,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Russische Federatie deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑10‑2025
Hulley Enterprises v. The Russian Federation, PCA Case No. 226, Interim Award on Jurisdiction and Admissibility, 30 november 2009; Yukos Universal v. The Russian Federation, PCA Case No. 227, Interim Award on Jurisdiction and Admissibility, 30 november 2009; Veteran Petroleum v. The Russian Federation, PCA Case No. 228, Interim Award on Jurisdiction and Admissibility, 30 november 2009.
Hulley Enterprises v. The Russian Federation, PCA Case No. 226, Final Award, 18 juli 2014; Yukos Universal v. The Russian Federation, PCA Case No. 227, Final Award, 18 juli 2014; Veteran Petroleum v. The Russian Federation, PCA Case No. 228, Final Award, 18 juli 2014.
In deze procedure tot vernietiging van de arbitrale vonnissen is van toepassing het Vierde Boek (‘Arbitrage’) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals dat gold tot 1 januari 2015; zie HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, rov. 3.2.
Rechtbank Den Haag 20 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4229.
Gerechtshof Den Haag 25 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2476.
Gerechtshof Den Haag 18 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:234.
HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645.
Gerechtshof Amsterdam 20 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:351.
Conclusie 11‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Arbitrage. Internationaal privaatrecht. Yukos. Schorsing geding (art. 225 Rv) na zetelverplaatsing ‘buitenom’ van verweersters in cassatie (art. 10:120 BW)? Vordering tot vernietiging arbitrale vonnissen o.g.v. in arbitrageprocedure gepleegd bedrog (art. 1065 lid 1, onder e, (oud) Rv; beroep op bedrog tijdig gedaan?; strijd met goede procesorde (art. 130 lid 1 Rv)?; rechtsmiddelenverbod (art. 130 lid 2 Rv). Vervolg na HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01964
Zitting 11 april 2025
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
De Russische Federatie, zetelend te Moskou, Rusland
tegen
1. Hulley Enterprises Limited,
(hierna HEL),
2. Veteran Petroleum Limited,
(hierna VPL)
3. Yukos Universal Limited,
(hierna YUL),
(hierna alle gezamenlijk: HVY)
1. Inleiding
1.1
De Russische Federatie is in arbitrale vonnissen veroordeeld schadevergoeding te betalen aan drie (voormalige) aandeelhouders van de in de Russische Federatie gevestigde oliemaatschappij Yukos Oil Company (hierna: Yukos) wegens schending van haar verplichtingen uit het Verdrag inzake het Energiehandvest (The Energy Charter Treaty, hierna: ECT).1.Nu de desbetreffende arbitrage in Nederland heeft plaatsgevonden, heeft de Russische Federatie bij de Nederlandse rechter vernietiging van de arbitrale vonnissen gevorderd. Het hof Den Haag heeft bij arresten van 25 september 2018 en 18 februari 2020 de vordering tot vernietiging afgewezen.2.De Russische Federatie heeft daartegen cassatieberoep ingesteld.
1.2
Bij arrest van 5 november 20213.heeft de Hoge Raad geoordeeld dat slechts onderdeel 1 van het cassatiemiddel van de Russische Federatie slaagt. De Hoge Raad heeft de bestreden arresten vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof Amsterdam. Na verwijzing heeft het hof Amsterdam slechts te beslissen of de arbitrale vonnissen moeten worden vernietigd vanwege door HVY in de arbitrageprocedure gepleegd bedrog.
1.3
Bij arrest van 20 februari 20244.heeft het hof Amsterdam geoordeeld, kort gezegd, dat de Russische Federatie een ontijdig beroep op bedrog heeft gedaan en dat daarom de arbitrale vonnissen niet vanwege bedrog behoren te worden vernietigd. Het hof is vervolgens ten overvloede ingegaan op de vraag of de arbitrale vonnissen zouden moeten worden vernietigd indien de Russische Federatie wel tijdig een beroep op bedrog had gedaan. Het hof heeft geoordeeld dat dit niet het geval is en de vorderingen van de Russische Federatie afgewezen. Daartegen richt zich het onderhavige cassatieberoep.
1.4
De advocaten die de Russische Federatie in deze zaak bijstaan, zijn daartoe op de voet van art. 13 Advocatenwet aangewezen door de deken van de Orde van Advocaten.
1.5
Ik roep in herinnering dat op deze procedure tot vernietiging van arbitrale vonnissen van toepassing is het Vierde Boek (‘Arbitrage’) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals dit heeft gegolden tot 1 januari 2015.5.In deze conclusie wordt naar de bepalingen van dat Vierde Boek verwezen met de aanduiding ‘(oud) Rv’, ook indien wordt verwezen naar bepalingen die gelijkluidend zijn aan bepalingen met hetzelfde nummer in de thans geldende tekst van het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Het hof neemt in rov. 3.1 van het thans bestreden arrest tot uitgangspunt de feiten die de Hoge Raad heeft vermeld in onderdeel 3 van zijn arrest van 5 november 2021.6.Deze feiten zijn de volgende.
(i) HVY zijn, althans waren, aandeelhouder in Yukos, een in de Russische Federatie gevestigde oliemaatschappij. Yukos is op 1 augustus 2006 failliet verklaard en op 21 november 2007 uit het Russische handelsregister geschrapt.
(ii) HVY hebben in 2004 op de voet van art. 26 ECT arbitrageprocedures aanhangig gemaakt tegen de Russische Federatie. HVY vorderden in de arbitrageprocedures dat de Russische Federatie veroordeeld zou worden om aan hen schadevergoeding te betalen. Zij legden daaraan ten grondslag dat de Russische Federatie in strijd met de ECT hun investeringen in Yukos had onteigend en had nagelaten deze investeringen te beschermen. De plaats van de arbitrages was Den Haag.
(iii) Het ingevolge het UNCITRAL-arbitragereglement benoemde scheidsgerecht (hierna: het scheidsgerecht) heeft in drie afzonderlijke interim awards7.geoordeeld over een aantal preliminaire verweren die de Russische Federatie had opgeworpen, onder meer met betrekking tot de bevoegdheid van het scheidsgerecht. In de interim awards heeft het scheidsgerecht bepaalde bevoegdheids- en ontvankelijkheidsverweren verworpen en ten aanzien van andere preliminaire verweren beslist dat het oordeel daarover zou worden aangehouden tot de inhoudelijke fase (de merits phase) van het geding.
(iv) In drie afzonderlijke final awards8.heeft het scheidsgerecht de nog resterende bevoegdheids- en ontvankelijkheidsverweren van de Russische Federatie verworpen, geoordeeld dat de Russische Federatie haar verplichtingen onder art. 13 lid 1 ECT heeft geschonden en de Russische Federatie veroordeeld aan HVY schadevergoeding te betalen ten bedrage van USD 8.203.032.751 (aan VPL), USD 1.846.000.687 (aan YUL) en USD 39.971.834.360 (aan HEL). Het scheidsgerecht oordeelde, kort gezegd, dat de Russische Federatie met een aantal belasting- en invorderingsmaatregelen jegens Yukos had aangestuurd op het faillissement van Yukos met geen ander doel dan de uitschakeling van [betrokkene 1] (de chairman van Yukos en een van haar aandeelhouders) als potentiële politieke tegenstander van president Poetin, en het verwerven van de activa van Yukos.
2.2
Over het procesverloop kan, voor zover thans in cassatie van belang, het volgende worden vermeld. De Russische Federatie heeft bij de Nederlandse rechter de vernietiging van de arbitrale vonnissen (de interim awards en de final awards) gevorderd en daartoe een beroep gedaan op diverse vernietigingsgronden, waaronder de grond dat de arbitrale vonnissen in strijd met de openbare orde tot stand zijn gekomen (art. 1065 lid 1, onder e, (oud) Rv). De rechtbank Den Haag heeft de vordering toegewezen wegens het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst.9.HVY hebben tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.
2.3
In hoger beroep heeft de Russische Federatie bij memorie van antwoord onder meer gesteld dat de arbitrale vonnissen ook in strijd zijn met de openbare orde omdat HVY in de arbitrageprocedures bedrog hebben gepleegd, onder meer door valse verklaringen in te dienen, door documenten achter te houden die relevant zijn voor cruciale geschilpunten in de arbitrages en door geheime betalingen te doen aan een van HVY’s voornaamste getuigen. HVY hebben vervolgens bezwaar gemaakt tegen het toelaten van (nieuwe) stellingen. Bij tussenarrest van 25 september 2018 heeft het hof Den Haag dit bezwaar gegrond geoordeeld voor zover het betrekking heeft op door de Russische Federatie aangevoerde stellingen over beweerdelijk door HVY gepleegd bedrog in de arbitrageprocedures, omdat tijdens de arbitrageprocedure gepleegd bedrog alleen in een herroepingsprocedure aan de orde kan worden gesteld.10.
2.4
In het eindarrest van 18 februari 2020 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van de Russische Federatie afgewezen.11.
2.5
De Russische Federatie heeft tegen het tussenarrest en het eindarrest van het hof Den Haag cassatieberoep ingesteld. In cassatie heeft de Russische Federatie in onderdeel 1 van het cassatiemiddel onder meer de vraag aan de orde gesteld of, zoals het hof Den Haag heeft geoordeeld, bedrog in de arbitrageprocedures alleen in een herroepingsprocedure aan de orde kan worden gesteld. De Hoge Raad heeft bij het reeds genoemde arrest van 5 november 2021 deze vraag ontkennend beantwoord, de desbetreffende cassatieklacht doen slagen en het cassatieberoep voor het overige verworpen. De Hoge Raad heeft nog het volgende overwogen:
‘5.1.14 Ingevolge art. 1064 lid 5 (oud) Rv moeten de gronden die eiser aan de vordering tot vernietiging ten grondslag wil leggen, op straffe van verval van het recht daartoe in de inleidende dagvaarding worden opgenomen. In het arrest […] / […] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 1064 lid 5 (oud) Rv zich op zichzelf niet ertegen verzet dat, naar aanleiding van het gevoerde verweer in het verdere verloop van het geding, of naar aanleiding van de beslissing van de eerste rechter, in hoger beroep een nadere uitwerking wordt gegeven van de bij inleidende dagvaarding aangevoerde gronden, en zo nodig een omissie wordt hersteld. De mogelijkheid om reeds bij dagvaarding aangevoerde gronden in hoger beroep nader uit te werken, of nieuwe feitelijke stellingen aan te voeren, is evenwel niet onbeperkt. Deze mogelijkheid wordt onder meer begrensd door de gewone regels geldend voor het hoger beroep, zoals art. 130 Rv. Daarnaast wordt die mogelijkheid begrensd door specifieke bepalingen die voorschrijven wanneer een bepaalde vernietigingsgrond (voor het eerst) moet worden ingeroepen, op straffe van verval van het recht daarop later alsnog een beroep te doen. Indien een dergelijke bepaling aan de orde is, zal telkens in een concreet geval beoordeeld moeten worden of een in de loop van de vernietigingsprocedure aangevoerde nieuwe feitelijke of juridische stelling, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, met de strekking van een dergelijke bepaling in strijd komt.
5.1.15
Uit hetgeen hiervoor in 5.1.7-5.1.10 is overwogen, volgt dat de herroepingsprocedure aan degene die meent dat het arbitrale vonnis op bedrog berust, een extra mogelijkheid geeft op die grond het vonnis in rechte aan te tasten, hetgeen in het bijzonder van belang is als de andere rechtsmiddelen, zoals de vordering tot vernietiging, reeds zijn uitgeput of de termijnen voor het instellen daarvan ongebruikt zijn verstreken op het moment dat het bedrog wordt ontdekt. Dat die mogelijkheid in de tijd wordt beperkt door de termijn van drie maanden nadat het bedrog bekend is geworden (art. 1068 lid 2, eerste volzin, (oud) Rv), strekt ertoe dat de wederpartij na het ongebruikt verstrijken van die termijn ervan mag uitgaan dat het arbitrale vonnis niet langer blootstaat aan vernietiging als gevolg van herroeping. Deze termijn dient dus de rechtszekerheid. Indien evenwel reeds een vernietigingsprocedure aanhangig is waarin in de dagvaarding is betoogd dat het vonnis, of de wijze waarop het tot stand kwam, in strijd is met de openbare orde, kan de wederpartij rekening houden met de mogelijkheid dat het arbitrale vonnis op die grond niet in stand zal blijven, en wordt het belang van de rechtszekerheid niet geschaad wanneer het beroep op de openbare orde in de loop van de vernietigingsprocedure nader wordt uitgewerkt met een beroep op bedrog. De strekking van art. 1068 lid 2, eerste volzin, (oud) Rv brengt dan ook niet mee dat ook in een vernietigingsprocedure een beroep op bedrog binnen de in die bepaling genoemde termijn moet zijn gedaan, op straffe van verval van het recht daarop later alsnog een beroep te doen. Of in een vernietigingsprocedure in een later stadium alsnog een beroep op bedrog gedaan kan worden, moet voor het overige beoordeeld worden aan de hand van de hiervoor in 5.1.14 weergegeven regels.
5.1.16
Ten aanzien van de toepassing van art. 130 lid 1 Rv geldt dat telkens in een concreet geval beoordeeld moet worden of het aanvoeren van een nieuwe stelling ter onderbouwing van een reeds bij dagvaarding aangevoerde vernietigingsgrond, in strijd komt met de eisen van een goede procesorde. Daarbij kan onder meer van belang zijn wat de reden is voor het niet eerder aanvoeren van de nieuwe stelling. Van de in art. 130 lid 1 Rv bedoelde strijd met de eisen van een goede procesorde kan onder meer sprake zijn indien in een geval als het onderhavige, waarin wordt gesteld dat het arbitrale vonnis onder invloed van bedrog tot stand is gekomen, de hiervoor bedoelde nadere uitwerking later wordt gegeven dan in de eerstvolgende conclusie of akte nadat het bedrog bekend is geworden.’ (voetnoten weggelaten, A-G)
2.6
De Hoge Raad heeft de bestreden arresten vernietigd voor zover het het oordeel betreft dat het beweerde bedrog alleen in een herroepingsprocedure aan de orde kan worden gesteld, en de zaak verwezen naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
2.7
Bij het thans in cassatie bestreden arrest heeft het hof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 april 2016 vernietigd en de vorderingen van de Russische Federatie tot vernietiging van de arbitrale vonnissen afgewezen. Daartoe heeft het hof geoordeeld dat het beroep op bedrog in de vernietigingsprocedure niet tijdig is gedaan. Volgens het hof is het in strijd met de goede procesorde om de uitwerking van de aangevoerde vernietigingsgrond dat HVY frauduleus zouden hebben gehandeld pas bij memorie van antwoord in hoger beroep te geven, terwijl de Russische Federatie in eerste aanleg al bekend was of is geworden met het beweerde bedrog. De Russische Federatie heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat zij daartoe niet in staat was of dat anderszins een toereikende reden vormt voor het achterwege laten daarvan. De uitwerking van de in de inleidende dagvaarding opgenomen vernietigingsgrond dat de arbitrale vonnissen tot stand zijn gekomen in strijd met de openbare orde, omdat HVY frauduleus zouden hebben gehandeld, was daarom in eerste aanleg al mogelijk en daarmee volgens het hof ook geboden (rov. 6.4 t/m rov. 6.10).
2.8
Het hof oordeelt voorts dat als het beroep op bedrog in hoger beroep wel toelaatbaar was geweest, de twee documenten die met betrekking tot de zeggenschap over HVY zijn ingebracht, namelijk de aandeelhoudersovereenkomst van 5 april 2000 en de toetredingsakte van 3 april 2003, te laat in het geding zijn gebracht. Volgens de Russische Federatie zijn deze documenten op 18 september 2018 verkregen, toen het hoger beroep bij het hof Den Haag aanhangig was waarin het debat over de zeggenschap over HVY een grote rol speelde, onder meer in de discussie over de ‘unclean hands’. Bij diverse akten heeft de Russische Federatie stukken ingediend die betrekking hadden op de zeggenschap over HVY, zoals op 12 augustus 2019. Volgens het hof is het in strijd met de goede procesorde om deze documenten voor het eerst, na cassatie en verwijzing, in het geding te brengen alleen ten behoeve van het beroep op bedrog, terwijl over het debat over de zeggenschap al is beslist (rov. 6.11 t/m rov. 6.20).
2.9
Daarnaast was volgens het hof de zeggenschapskwestie over HVY niet van belang voor het oordeel van de arbiters. In de interim awards hebben de arbiters in de eerste plaats geoordeeld dat HVY kwalificeren als investeerders in de zin van art. 1(7) (a) (ii) ECT en dat het gaat om een investering in de zin van art. 1(6) ECT, ongeacht wie eigenaar is of zeggenschap heeft. Bij de behandeling van art. 17 ECT is geoordeeld dat de Russische Federatie geen toepassing heeft gegeven aan art. 17 ECT en dat de zeggenschap in dat kader niet relevant is. De Hoge Raad heeft dit oordeel vervolgens in zijn arrest van 5 november 2021 in rov. 5.3.8-5.3.10 bevestigd (rov. 6.21 t/m rov. 6.25).
2.10
Voor zover de zeggenschap nog relevant zou worden in de inhoudelijke fase van de arbitrages, hebben de arbiters geoordeeld dat Group Menatep Limited (hierna: GML) en/of de trusts eigenaar zijn van HVY en zeggenschap hebben over HVY (rov. 6.24). In de final awards zijn de arbiters evenwel niet meer teruggekomen op de zeggenschapskwestie. Voor zover de Russische Federatie betoogt dat ‘an entity and persons seperate from the Claimants’ in nr. 1370 van de final awards zo moet worden uitgelegd dat het oordeel van de arbiters over de zeggenschapskwestie toch relevant was voor het oordeel over het unclean hands-verweer, valt volgens het hof niet kenbaar op te maken dat die uitleg, als al niet tardief, juist is. Die uitleg is al verworpen door het hof Den Haag en dat oordeel is in cassatie niet met succes bestreden (rov. 6.26 en rov. 6.27). Volgens het hof blijkt evenmin dat de zeggenschapskwestie relevant was voor het oordeel van de arbiters over de eigen schuld van HVY (rov. 6.28).
2.11
Aangezien de zeggenschapskwestie niet relevant was voor de uitkomst van de arbitrages, kan niet worden gezegd dat de arbitrale vonnissen als gevolg van bedrog of fraude van HVY tot stand zijn gekomen (rov. 6.29). De overige documenten die de zeggenschapskwestie betreffen, behoeven bij deze stand van zaken volgens het hof geen nadere bespreking (rov. 6.30).
2.12
Voorts heeft de Russische Federatie gesteld dat haar na de arbitrages door een verklaring van [betrokkene 2] in een Amerikaanse procedure bekend is geworden dat ‘de Russische Oligarchen’ de getuige [betrokkene 3] , heimelijk betalingen hebben gedaan. Het gaat om een betaling van USD 200.000 in maart 2013 door Yukos-stichtingen aan het Cato Institute, waaraan [betrokkene 3] destijds was verbonden (rov. 6.31). Het hof is van oordeel dat ter zake van het oordeel van de arbiters over ‘The Tax Assessments Starting in December 2003’ de verklaring van [betrokkene 3] niet tot het bewijsmateriaal behoort dat de arbiters in beschouwing hebben genomen en van cruciaal belang was (rov. 6.33). Ter zake van het oordeel inzake ‘Harassment, Intimidation and Arrests’ zijn de verwijzingen naar de verklaring van [betrokkene 3] volgens het hof van ondergeschikte betekenis in het grotere geheel van voorgevallen feiten. Volgens het hof is de verklaring van [betrokkene 3] over de speciale unit die de Russische Federatie zou hebben opgezet om Yukos ten val te brengen een stukje in het bewijs over de campagne van lastig vallen en intimidatie, en ziet het hof gelet op het overige bewijs niet in hoe de arbitrale beslissing anders had kunnen uitvallen, hetgeen de Russische Federatie ook niet heeft toegelicht. De arbiters zijn in dit kader niet, althans niet in overwegende mate, afgegaan op alleen de verklaringen van [betrokkene 3] over de speciale unit of anderszins (rov. 6.34 en rov. 6.35). Met betrekking tot het oordeel inzake de veiling van Yukos en de veilingprijs kan volgens het hof in geen enkel opzicht uit de overwegingen van de arbiters worden afgeleid dat de verklaringen van [betrokkene 3] van enige, laat staan van wezenlijke invloed zijn geweest (rov. 6.36 en rov. 6.37). Voor zover het gaat om het oordeel over de overlevingskansen van Yukos zonder Yuganskneftegaz (hierna YNG), is de verklaring van [betrokkene 3] volgens het hof weinig méér dan een mening over feiten die de arbiters als vaststaand hebben aangenomen. Dat de verkoop van YNG de fatale klap voor Yukos was, werd al duidelijk uit de wijze waarop het verlies van YNG in die periode werd omschreven en is al vermeld in uitspraken van het EHRM en de Quasar-arbitrage, waarnaar de arbiters (in nr. 1043) verwijzen (rov. 6.38).
2.13
Uit de final awards blijkt voor het overige niet dat de verklaringen van [betrokkene 3] verder van enige betekenis zijn geweest voor de beslissingen van de arbiters. Deze verklaringen zijn in het grote geheel van bewijs en vaststaande feiten volgens het hof van zo ondergeschikte betekenis, dat niet aannemelijk is dat de uitkomst van die arbitrages anders zou zijn zonder die verklaringen. Er is in dat licht bezien onvoldoende naar voren gebracht dat de wetenschap van de betaling door Yukos-stichtingen aan het Cato Institute in verband met het optreden van [betrokkene 3] als getuige, de arbiters tot een andere uitkomst van de arbitrages zou hebben gebracht (rov. 6.40).
2.14
Het hof concludeert dat als de Russische Federatie tijdig een beroep zou hebben gedaan op bedrog bij wijze van het uitwerken van de vernietigingsgrond van de openbare orde, de arbitrale vonnissen niet zouden zijn vernietigd (rov. 6.41).
2.15
De Russische Federatie heeft tegen het arrest van het hof Amsterdam (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. HVY hebben geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. De Russische Federatie heeft gerepliceerd en HVY hebben gedupliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit negen onderdelen. De onderdelen 1, 2 en 9 zijn onvoorwaardelijk ingesteld, terwijl de onderdelen 3 t/m 8 zijn ingesteld onder de voorwaarde en uitsluitend voor het geval dat een of meer van de klachten van de onderdelen 1 en/of 2 zouden slagen.12.
3.2
Onderdeel 1 valt uiteen in twee subonderdelen (1.a. en 1.b.). Het onderdeel vraagt in de kern om opheldering over de statutaire zetelverplaatsing van HEL en VPL op 3 november 2023 van Cyprus naar Isle of Man. Voor zover HEL en VPL door ontbinding op Cyprus zijn opgehouden te bestaan, hadden deze rechtspersonen volgens het onderdeel geen belang meer bij voortzetting van hun hoger beroep en is het cassatieberoep evenmin tegen de juiste partijen ingesteld. Onderdeel 1.a. betoogt dat het hof HEL en VPL niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat zij als gevolg van de statutaire zetelverplaatsing zijn opgehouden te bestaan. Volgens onderdeel 1.b. is, voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat HEL en VPL nog wel een zelfstandig belang hebben, dat oordeel onbegrijpelijk nu stellingen van de zijde van HVY waaruit dat belang zou blijken, ontbreken en het hof dergelijke stellingen niet heeft beoordeeld.
3.3
Over dit onderdeel merk ik het volgende op. In hun schriftelijke toelichting hebben HVY erop gewezen dat zij in hoger beroep op 6 en 21 november 2023 hebben laten weten dat HEL en VPL sinds 3 november 2023 niet meer zijn gevestigd op Cyprus, maar op Isle of Man.13.Het gaat volgens HVY om een statutaire zetelverplaatsing van beide rechtspersonen, waarbij de rechtspersonen zijn blijven voortbestaan. De statutaire zetelverplaatsing levert dan ook geen grond op voor een schorsing van het geding op de voet van art. 225 Rv, aldus HVY.
3.4
Bij de beantwoording van de vraag of HEL en VPL zijn opgehouden te bestaan is van belang of HEL en VPL na de statutaire zetelverplaatsing zijn blijven voortbestaan als dezelfde rechtspersonen zonder ontbinding en vereffening. Het gaat hier om een verplaatsing van HEL en VPL van Cyprus, een EU-lidstaat, naar Isle of Man, een derde staat, met behoud van de naam en de identiteit van de beide rechtspersonen.
3.5
In dit geval is sprake van een zetelverplaatsing buiten Nederland om, dat wil zeggen een verplaatsing van de statutaire zetel van een rechtspersoon van het ene vreemde land naar het andere vreemde land. De vraag of een dergelijke zetelverplaatsing naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt erkend, is geregeld in art. 10:120 BW. Op grond van art. 10:120 BW wordt, indien een rechtspersoonlijkheid bezittende corporatie haar statutaire zetel verplaatst naar een ander land en het recht van de staat van de oorspronkelijke zetel en dat van de staat van de nieuwe zetel op het tijdstip van de zetelverplaatsing het voortbestaan van de corporatie als rechtspersoon erkennen, haar voortbestaan als rechtspersoon ook naar Nederlands recht erkend.14.Op grond van zowel het recht van Cyprus, het emigratieland, als het recht van Isle of Man, het immigratieland, blijven HEL en VPL na de zetelverplaatsing als rechtspersoon voortbestaan zonder dat van ontbinding sprake is.15.Krachtens art. 10:120 BW wordt dit voortbestaan in Nederland erkend. De continuïteit van de rechtspersoonlijkheid van HEL en VPL is met de statutaire zetelverplaatsing dus niet doorbroken. HEL en VPL zijn dezelfde rechtspersonen gebleven en daarmee dezelfde procespartijen met een zelfstandig procesbelang in deze procedure. Schorsing van het geding, facultatief of van rechtswege, is hier niet aan de orde. Onderdeel 1 stuit op het voorgaande geheel af.
3.6
Onderdeel 2 valt uiteen in negen subonderdelen en is gericht tegen rov. 6.5 t/m rov. 6.9 van het bestreden arrest waarin het hof heeft geoordeeld dat de Russische Federatie in deze vernietigingsprocedure het beroep op bedrog als uitwerking van de in de inleidende dagvaarding opgenomen vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1, onder e, (oud) Rv niet tijdig heeft gedaan. Het hof heeft in rov. 6.9 het volgende geoordeeld:
‘6.9. Het hof kan uit deze eigen stellingen van de Russische Federatie niet anders opmaken dan dat de Russische Federatie het beweerde bedrog reeds in eerste aanleg bekend was of is geworden. Daaraan doet niet af of de Russische Federatie later de beschikking heeft gekregen over aanvullende documenten en verklaringen die de stelling kunnen ondersteunen dat sprake is van bedrog. Desondanks heeft de Russische Federatie in eerste aanleg daarop geen beroep gedaan bij het uitwerken van de aangevoerde vernietigingsgronden. De Russische Federatie heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat zij daartoe niet in staat was of dat anderszins een toereikende reden vormt voor het achterwege laten daarvan. Naar het oordeel van het hof is het in strijd met de goede procesorde om deze uitwerking pas te geven bij memorie van antwoord in hoger beroep, hoewel dit al in eerste aanleg mogelijk - en daarmee geboden - was. De herstelfunctie van het hoger beroep houdt niet in dat een ontijdig beroep op bedrog alsnog als tijdig moet worden aangemerkt. Het beroep op bedrog behoort daarom buiten beschouwing te blijven.’
3.7
In hun schriftelijke toelichting hebben HVY ten aanzien van onderdeel 2 onder meer het verweer gevoerd dat de Russische Federatie in cassatie niet-ontvankelijk is, omdat het bestreden oordeel een op de voet van art. 130 lid 1 Rv genomen beslissing is en hiertegen ingevolge art. 130 lid 2 Rv geen rechtsmiddel openstaat. Dit wettelijk rechtsmiddelenverbod kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet worden doorbroken. Volgens HVY brengt de niet-ontvankelijkheid met zich dat het cassatieberoep voor het overige moet worden verworpen wegens gebrek aan belang. Het oordeel dat het beroep op het gestelde procesbedrog als eiswijziging buiten beschouwing wordt gelaten omdat het in strijd is met de eisen van een goede procesorde, is een zelfstandig dragende grond voor de beslissing van het hof om het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 april 2016 te vernietigen en de vorderingen van de Russische Federatie in deze vernietigingsprocedure, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, af te wijzen.
3.8
Ik merk over dit ontvankelijkheidsverweer het volgende op. Een wijziging van de juridische of feitelijke grondslag van het gevorderde is te kwalificeren als een eiswijziging. In hoger beroep is een eiswijziging op grond van art. 353 lid 1 Rv in verbinding met art. 130 lid 1 Rv toegestaan, tenzij de wijziging volgens de rechter in strijd is met de eisen van een goede procesorde.16.De ratio hiervan is met name gelegen in het bieden van bescherming aan gedaagden die in persoon procederen en daarnaast is deze bevoegdheid van de rechter een uitwerking van de verplichting van de rechter om te waken tegen onredelijke vertraging van het geding, zoals neergelegd in art. 20 lid 1 Rv.17.Ingevolge art. 130 lid 2 Rv staat tegen de beslissingen van de rechter als bedoeld in art. 130 lid 1 Rv geen hogere voorziening open.18.Het wettelijk rechtsmiddelenverbod geldt zowel bij een positieve of negatieve beslissing naar aanleiding van bezwaar van de wederpartij tegen een eiswijziging, als bij een ambtshalve weigering.19.
3.9
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de doorbrekingsjurisprudentie ten aanzien van dit wettelijk rechtsmiddelenverbod niet van toepassing is.20.De doorbrekingsjurisprudentie houdt in dat een partij in een hogere voorziening tegen een beslissing waarvoor een rechtsmiddelenverbod geldt toch ontvankelijk is, indien en voor zover daarin een van de volgende klachten wordt aangevoerd: (a) de rechter is buiten het toepassingsgebied van het desbetreffende artikel getreden; (b) de rechter heeft het artikel ten onrechte buiten toepassing gelaten; (c) de rechter heeft het artikel met verzuim van essentiële stellingen toegepast. Bij de laatste grond gaat het om schending van fundamentele rechtsbeginselen, zoals hoor en wederhoor, zodat geen sprake meer is van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.21.
3.10
In het verwijzingsarrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 is uitdrukkelijk overwogen dat telkens in een concreet geval moet worden beoordeeld of het aanvoeren van een nieuwe stelling ter onderbouwing van een reeds bij dagvaarding aangevoerde vernietigingsgrond in strijd komt met de eisen van een goede procesorde. Daarvan kan, zo overwoog de Hoge Raad, onder meer sprake zijn ‘indien in een geval als het onderhavige, waarin wordt gesteld dat het arbitrale vonnis onder invloed van bedrog tot stand is gekomen, de hiervoor bedoelde nadere uitwerking later wordt gegeven dan in de eerstvolgende conclusie of akte nadat het bedrog bekend is geworden’ (rov. 5.1.16).
3.11
Het hof heeft in rov. 6.4 t/m 6.10 geoordeeld over de vraag of de Russische Federatie tijdig een beroep op bedrog heeft gedaan. Het hof is tot de slotsom gekomen dat de Russische Federatie reeds in eerste aanleg met het beweerde bedrog bekend was of is geworden en desondanks daarop geen beroep heeft gedaan bij het uitwerken van de aangevoerde vernietigingsgronden en ook niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zij niet in staat was om daarop een beroep te doen. De Russische Federatie heeft ook geen andere reden aangevoerd waarom zij geen beroep op het beweerde bedrog heeft gedaan. Het hof heeft het daarom in strijd met de goede procesorde geacht dat de Russische Federatie deze uitwerking pas bij memorie van antwoord in hoger beroep heeft gegeven, hoewel dit dus al in eerste aanleg mogelijk en geboden was. In rov. 6.9 heeft het hof terecht overwogen dat de herstelfunctie van het hoger beroep niet inhoudt dat een ontijdig beroep op bedrog alsnog als tijdig moet worden aangemerkt.
3.12
Dit oordeel van het hof valt aan te merken als een beslissing in de zin van art. 130 lid 1 Rv. Op grond van art. 130 lid 2 Rv staat tegen een dergelijke beslissing geen hogere voorziening open. Zoals gezegd, is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de doorbrekingsjurisprudentie ten aanzien van dit rechtsmiddelenverbod niet van toepassing, zodat de Russische Federatie in zoverre niet in haar klachten kan worden ontvangen.
3.13
De Russische Federatie heeft in haar repliek betoogd dat het, kort gezegd, principieel onjuist is om een rechtsmiddelenverbod over een ‘voorvraag’, namelijk de vraag wanneer bedrog is ontdekt in de zin van art. 1068 (oud) Rv, van toepassing te achten. De Russische Federatie wijst erop dat de Hoge Raad in het verwijzingsarrest van 5 november 2021 (rov. 5.1.8-5.1.12) heeft geoordeeld dat de Russische Federatie dit bedrog (ook) in het kader van de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1, onder e, (oud) Rv aan de orde kon stellen en dat het de Russische Federatie binnen de kaders van het hoger beroep, daaronder begrepen art. 130 Rv, was toegestaan om haar stellingen nader uit te werken met later in de procedure ontdekt procesbedrog. Dat procesbedrog vormt dus de kern van het na verwijzing overgebleven geschil tussen partijen. Volgens de Russische Federatie valt daarom de beslissing van het hof in rov. 6.9 niet onder het rechtsmiddelenverbod van art. 130 Rv.22.
3.14
In haar repliek gaat de Russische Federatie eraan voorbij dat de Hoge Raad in het verwijzingsarrest in rov. 5.1.18 uitdrukkelijk heeft overwogen dat ‘(d)e vraag of deze door de Russische Federatie in de memorie van antwoord gegeven nadere uitwerking van de reeds bij inleidende dagvaarding ingeroepen vernietigingsgrond in strijd is met de eisen van een goede procesorde zoals bedoeld in art. 130 lid 1 Rv’ door het hof Den Haag niet is behandeld. Na verwijzing heeft het hof Amsterdam deze vraag behandeld en geoordeeld dat de Russische Federatie niet tijdig beroep heeft gedaan op het beweerde bedrog. Daarmee is – in lijn met het verwijzingsarrest van de Hoge Raad – een oordeel gegeven in de zin van art. 130 lid 1 Rv. Ik acht het standpunt van de Russische Federatie dan ook onjuist.
3.15
De klachten van onderdeel 2 stuiten op het voorgaande geheel af.
3.16
Voor zover de Hoge Raad zou menen dat hier geen sprake is van een beslissing in de zin van art. 130 lid 1 Rv, ga ik – in mijn visie ten overvloede – in het kort nog in op de verschillende klachten van onderdeel 2.
3.17
Onderdeel 2.1 betoogt dat het hof met zijn oordeel in rov. 6.9 heeft miskend dat het bedrog pas is ontdekt zodra de bedrogene bekend is met alle feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van bedrog en over bewijs daarvan beschikt. Het bedrog moet in zijn volle omvang zijn ontdekt en een vermoeden van bedrog is onvoldoende, aldus het onderdeel.
3.18
Het hof heeft in rov. 6.4-6.10 beoordeeld op welk moment de Russische Federatie het beweerde bedrog aan de orde had kunnen en moeten stellen. Bij die beoordeling neemt het hof in rov. 6.7 in aanmerking hetgeen de Russische Federatie tijdens de mondelinge behandeling op 9 februari 2016 in eerste aanleg reeds heeft gesteld over het bedrog van HVY. Het hof heeft in rov. 6.8 die stellingen zo uitgelegd dat de Russische Federatie in 2015 en/of 2016, tijdens de procedure in eerste aanleg, het bedrieglijk gedrag van HVY heeft ontdekt. Voorts heeft het hof de memorie van antwoord zijdens de Russische Federatie zo uitgelegd dat de Russische Federatie het voorgaande bevestigt. Het hof heeft met zijn oordeel niet miskend dat een vermoeden van bedrog onvoldoende is, maar geoordeeld dat het bedrog is ontdekt tijdens de procedure in eerste aanleg, terwijl het redelijkerwijs mogelijk was om tijdens de procedure in eerste aanleg een beroep te doen op het bedrog. Volgens het hof heeft de Russische Federatie niets aangevoerd waaruit blijkt dat zij daartoe niet in staat was of dat anderszins een toereikende reden vormt voor het achterwege laten daarvan. Volgens het hof is de Russische Federatie het bedrieglijke gedrag van HVY in eerste aanleg te weten gekomen en is het bedrog dus op dat moment ontdekt. Van een ‘vermoeden van bedrog’ is dan geen sprake meer. De door het onderdeel verdedigde opvatting dat de Russische Federatie zich pas op bedrog kon beroepen wanneer zij bekend is met alle relevante feiten en omstandigheden, is onjuist.23.Zodra de bedrogen partij met het vermeende bedrog bekend is geworden, is het aan die partij om daarop een beroep te doen en daarmee niet te wachten totdat álle feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. De klacht dat het hof heeft miskend dat het bedrog in volle omvang moet zijn ontdekt, faalt dus. De door het hof gegeven uitleg aan de gedingstukken dat het gestelde bedrog inzake de zeggenschap over HVY in eerste aanleg is ontdekt, is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
3.19
Volgens het hof doet aan het oordeel dat het bedrog al in eerste aanleg is ontdekt, niet af dat de Russische Federatie later de beschikking heeft verkregen over aanvullende documenten en verklaringen die de stelling kunnen ondersteunen dat sprake is van bedrog. Zie in dit verband rov. 6.15 van het bestreden arrest, waarin het hof overweegt dat het beroep op bedrog en de verdere uitwerking die de Russische Federatie daaraan heeft gegeven, op verschillende documenten en verklaringen steunen die aantonen dat HVY in strijd met de waarheid hebben beweerd dat zij niet onder zeggenschap stonden van zogenoemde Russische Oligarchen. De gestelde achtergehouden stukken die betrekking hebben op de zeggenschap over HVY zijn volgens het hof dus aanvullende documenten en een nadere uitwerking van de stelling dat HVY vals hebben verklaard over die zeggenschap. Aangezien te laat aan de orde is gesteld dat HVY in strijd met de waarheid over de zeggenschap hebben verklaard, kan dit punt volgens het hof niet alsnog met een beroep op achtergehouden stukken aan de orde worden gesteld. Het oordeel dat het gaat om een nadere uitwerking van eerder ontdekt bedrog is niet onbegrijpelijk, en berust voor het overige op aan het hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken. Op het voorgaande stuit onderdeel 2.1 geheel af.
3.20
Onderdeel 2.2 klaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 6.9 dat de Russische Federatie het procesbedrog van HVY in eerste aanleg al had ontdekt. Betoogd wordt, kort gezegd, dat uit de beslissing van het hof niet volgt wat de Russische Federatie exact op welk moment wist, en op welke wijze zij voldoende zekerheid had dat sprake was van bedrog en over welke bewijsstukken zij op dat moment beschikte, zodat onduidelijk is op welk moment het procesbedrog is ontdekt. Uit de stelling dat de Russische Federatie in 2015 en 2016 enkele stukken in handen heeft gekregen, volgt niet op welk moment en op basis van welke stukken de vermoedens van bedrog zijn omgeslagen in voldoende zekerheid. De tweetal verklaringen en het deskundigenrapport, die in eerste aanleg in het geding zijn gebracht, zijn daarvoor onvoldoende, aldus het onderdeel.
3.21
Onderdeel 2.2 bouwt voort op onderdeel 2.1 en behoeft bij het falen van dat onderdeel geen bespreking.
3.22
Onderdeel 2.3 is gericht tegen rov. 6.9 en 6.10 van het bestreden arrest. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep het hof terughoudend moet zijn met het oordeel dat een nieuwe stelling in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Bovendien hebben HVY hoor en wederhoor geschonden door het gepleegde bedrog en heeft het hof ten onrechte de ontijdigheid van het beroep op bedrog niet voor rekening van HVY gelaten. De Russische Federatie heeft adequaat gereageerd en zo niet, dan is dat een direct gevolg van het procesbedrog van HVY. Voor zover het hof uit de stellingen van HVY bijzondere omstandigheden heeft afgeleid die tot een ander oordeel moeten leiden, is dat oordeel onbegrijpelijk, omdat HVY ter zake niets hebben aangevoerd, aldus het onderdeel.
3.23
Het hof heeft, geheel in lijn met het verwijzingsarrest van de Hoge Raad van 5 november 2021, geoordeeld of de Russische Federatie in de vernietigingsprocedure tijdig een beroep op bedrog heeft gedaan. Volgens het hof is dat niet het geval. Het hof heeft vervolgens in rov. 6.9 uitdrukkelijk overwogen dat de herstelfunctie van het hoger beroep niet inhoudt dat een ontijdig beroep op bedrog alsnog als tijdig moet worden aangemerkt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het onderdeel faalt.
3.24
Onderdeel 2.4 klaagt dat HVY geen beroep mogen doen op de goede procesorde, omdat zij zelf de goede procesorde hebben geschonden door het procesbedrog in de arbitrale procedure (‘de pot verwijt de ketel’).
3.25
Het onderdeel bouwt voort op onderdeel 2.3 en behoeft bij het falen van dat onderdeel geen bespreking.
3.26
Onderdeel 2.5 klaagt dat het hof in rov. 6.9 niet heeft geoordeeld dat de nadere uitwerking niet heeft plaatsgevonden in de eerstvolgende conclusie of akte na ontdekking van het procesbedrog, althans niet heeft gespecificeerd in welke conclusie of akte in eerste aanleg de Russische Federatie dat dan aan de orde had kunnen stellen. In cassatie moet daarom als uitgangspunt gelden dat de nadere uitwerking heeft plaatsgevonden in de eerstvolgende conclusie of akte. Het oordeel van het hof dat de nadere uitwerking in strijd is met een goede procesorde is dan ook onjuist, aldus het onderdeel.
3.27
De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft immers geoordeeld dat het gestelde bedrog in eerste aanleg had kunnen en moeten worden uitgewerkt. Het hof overweegt in rov. 6.9 dat het uit de eigen stellingen van de Russische Federatie niet anders kan opmaken dan dat de Russische Federatie met het beweerde bedrog reeds in eerste aanleg bekend was of is geworden, maar dat de Russische Federatie daarop desondanks in eerste aanleg geen beroep heeft gedaan bij het uitwerken van de aangevoerde vernietigingsgronden. De Russische Federatie heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat zij daartoe niet in staat was noch anderszins een toereikende reden aangevoerd voor het achterwege laten daarvan. Naar het oordeel van het hof is het in strijd met de eisen van een goede procesorde om deze uitwerking pas te geven bij memorie van antwoord in hoger beroep, hoewel dit al in eerste aanleg mogelijk - en daarmee geboden - was. Aan het voorgaande doet niet af dat het hof niet specificeert in welke akte of conclusie de uitwerking had kunnen plaatsvinden. De klacht faalt daarom.
3.28
Onderdeel 2.6 bevat kort gezegd de klacht dat als in het oordeel van het hof besloten ligt dat de Russische Federatie het procesbedrog niet in de eerste conclusie of akte aan de orde heeft gesteld, die beslissing onbegrijpelijk is. Het oordeel dat de Russische Federatie reeds in eerste aanleg bekend was met het bedrog, kan die beslissing niet dragen omdat dit de mogelijkheid openlaat dat er geen eerstvolgende conclusie of akte meer voorhanden was om de kwestie aan de orde te stellen. Het hof had moeten vaststellen op welk moment de Russische Federatie voldoende zekerheid had over het procesbedrog. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de Russische Federatie gesteld dat de beweringen van de Oligarchen over hun (gebrek aan) zeggenschap in HVY onjuist zijn.24.Het bedrog was toen nog niet ontdekt, omdat het overgrote deel van de bewijsstukken pas na het vonnis in eerste aanleg beschikbaar is gekomen en zelfs pas na het tussenarrest van het hof Den Haag van 25 september 2018.25.De Russische Federatie heeft uitdrukkelijk vermeld op welke momenten zij welke bewijsstukken in handen heeft gekregen.26.Daaruit volgt dat het procesbedrog pas na eerste aanleg in volle omvang is ontdekt en de Russische Federatie niet eerder in staat was het bedrog aan de orde te stellen, aldus het onderdeel.
3.29
De klacht bouwt in de kern voort op onderdeel 2.1. Het hof heeft beoordeeld op welk moment de Russische Federatie het beweerde bedrog aan de orde had kunnen en moeten stellen. Bij die beoordeling heeft het hof in rov. 6.7 in aanmerking genomen hetgeen de Russische Federatie tijdens de mondelinge behandeling op 9 februari 2016 in eerste aanleg reeds heeft gesteld over het bedrog van HVY. Het hof heeft deze stellingen zo uitgelegd in rov. 6.8 dat de Russische Federatie in 2015 en/of 2016, tijdens de procedure in eerste aanleg, het bedrieglijk gedrag van HVY heeft ontdekt. Voorts heeft het hof de memorie van antwoord in hoger beroep van de Russische Federatie van 28 november 2017 zo uitgelegd dat de Russische Federatie het voorgaande daarin bevestigt. Deze uitleg is niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen de Russische Federatie tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd inzake de zeggenschap over HVY, en voor het overige is het aan het hof om de gedingstukken uit te leggen.
3.30
Voor zover het onderdeel nog betoogt dat het overgrote deel van de bewijsstukken van het vermeende bedrog pas na het vonnis in eerste aanleg beschikbaar is gekomen en de Russische Federatie dus niet eerder in staat was het bedrog aan de orde te stellen, bouwt het voort op onderdeel 2.1. Het hof heeft overwogen dat de Russische Federatie het vermeende bedrog van HVY al in eerste aanleg te weten is gekomen en op dat moment heeft ontdekt. Het hof heeft overwogen dat de Russische Federatie niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zij niet in staat was om een beroep op bedrog te doen en evenmin voor dit achterwege laten anderszins een toereikende reden heeft aangevoerd. De door het hof gegeven uitleg aan de gedingstukken dat het gestelde bedrog in eerste aanleg is ontdekt, is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige niet in cassatie worden getoetst. De klachten van onderdeel 2.6 stuiten op het voorgaande af.
3.31
Onderdeel 2.7 bevat verschillende klachten. Het onderdeel klaagt dat indien in de stellingen van de Russische Federatie voldoende grond gevonden zou kunnen worden voor een oordeel van de rechtbank dat de arbitrale vonnissen in strijd zijn met de openbare orde, het op de weg van de rechter had gelegen dit ambtshalve te boordelen. Nu de rechtbank aan de beoordeling van die vraag niet is toegekomen – omdat naar het oordeel van de rechtbank een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbrak – behoorde het hof alsnog ambtshalve te toetsen of sprake is van strijd met de openbare orde en kon de Russische Federatie voor het eerst in hoger beroep een beroep op bedrog doen. Ook bevat het onderdeel de klacht dat HVY reeds in eerste aanleg bekend waren met de stellingen over de onjuistheid van de beweringen van de Russische Oligarchen over de zeggenschap in HVY, zodat die stellingen niet nieuw waren en HVY ook niet in de verdediging bemoeilijkten. In zoverre is ook geen sprake van een radicale koerswijziging door de Russische Federatie met betrekking tot dat aspect van het beweerde procesbedrog. Het hof heeft dit miskend, althans voor zover het hof van oordeel is dat HVY in hun verdediging werden bemoeilijkt, is dit oordeel onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
3.32
Voor zover de klachten van het onderdeel voortbouwen op de voorafgaande klachten, delen zij het lot daarvan. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof ambtshalve had moeten toetsen of sprake is van strijd met de openbare orde, geldt dat het onderdeel miskent dat een partij zich tijdig op bedrog moet beroepen, waarna de rechter aan de hand van de stellingen van deze partij ambtshalve moet beoordelen of sprake is van bedrog en daarmee van strijd met de openbare orde.27.Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat HVY niet in hun verdediging zijn geschaad, faalt ook deze klacht. Het hof heeft, uitgaande van het oordeel van de Hoge Raad in het verwijzingsarrest van 5 november 2021, beoordeeld of het beroep op bedrog tijdig is gedaan. Het hof is in rov. 6.9 tot de conclusie gekomen dat dit niet geval is. Het hof heeft niet geoordeeld dat sprake was van ‘een radicale koerswijziging’. Het oordeel van het hof is niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk. Onderdeel 2.7 faalt in zijn geheel.
3.33
Onderdeel 2.8 klaagt dat het hof in rov. 6.9 ten onrechte niet separaat heeft beslist op de drie door de Russische Federatie aangevoerde vernietigingsgronden, namelijk het indienen van valse verklaringen, het achterhouden van stukken die betrekking hebben op cruciale geschilpunten in de arbitrages en het doen van geheime betalingen aan de kroongetuige van HVY, waarover HVY hebben gezwegen. Volgens het onderdeel volgt uit HR 28 mei 202128.dat het hof per separaat aangevoerde grond had moeten oordelen wanneer dit is ontdekt. Het hof heeft uitsluitend beslist over de onware verklaringen van HVY over de zeggenschap van de Oligarchen en niet over de andere gronden, terwijl het hof wel oordeelt dat de volledige nadere uitwerking van de openbare orde grond tardief is. Het oordeel is onjuist, althans, zonder vaststelling wanneer de andere gronden voor vernietiging zijn ontdekt, onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
3.34
Voor zover het onderdeel voortbouwt op de voorafgaande onderdelen, behoeft het geen bespreking en deelt het in het lot van deze onderdelen. Voor het overige geldt dat het hof aan de hand van de eisen van een goede procesorde als bedoeld in art. 130 lid 1 Rv heeft geoordeeld dat de Russische Federatie niet tijdig een beroep op bedrog heeft gedaan. Ook heeft het hof in rov. 6.40 geoordeeld dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 3] in het grote geheel van bewijs en vaststaande feiten van zo ondergeschikte betekenis zijn dat het niet aannemelijk is dat de uitkomst van de arbitrages anders zou zijn geweest zonder die verklaringen. Volgens het hof is in het licht hiervan door de Russische Federatie ‘onvoldoende naar voren gebracht om het oordeel te rechtvaardigen dat de wetenschap van betalingen door Yukos-stichtingen aan het Cato Institute in verband met optreden van de getuige, de arbiters tot een andere uitkomst van de procedure zou hebben gebracht’. Het hof heeft geen onjuiste maatstaf aangelegd. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt daarom.
3.35
Onderdeel 2.9 betreft een voortbouwklacht en betoogt dat het slagen van een van de klachten van onderdeel 2 ook rov. 1, 6.5 en 6.10 van het bestreden arrest vitieert. Nu geen van de voorafgaande (sub)onderdelen slaagt, behoeft deze klacht geen bespreking.
3.36
De slotsom is dat onderdeel 2 geheel faalt.
3.37
Nu de onderdelen 1 en/of 2 niet tot cassatie kunnen leiden, is de voorwaarde waaronder de onderdelen 3 t/m 8 zijn ingesteld, niet vervuld. Bij deze stand van zaken kan de bespreking van die onderdelen achterwege blijven. Voor de volledigheid zal ik echter – in mijn visie ten overvloede – toch ingaan op de onderdelen 3 t/m 8, nu ook partijen daaraan veel aandacht hebben besteed. Deze onderdelen vallen vaak in herhaling of snijden kwesties aan die in deze procedure na verwijzing niet (meer) aan de orde zijn. Ik beperk mij dan ook tot de meest in het oog springende klachten.
3.38
Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.16-6.20 dat de Russische Federatie aanvullende documenten inzake de zeggenschap te laat in het geding heeft gebracht. Het onderdeel klaagt dat voor zover het hof in rov. 6.17 aan zijn beslissing mede ten grondslag heeft gelegd dat niet is komen vast te staan dat de Russische Federatie de aanvullende documenten pas na 18 september 2018 in handen heeft gekregen, het hof is uitgegaan van een onjuiste bewijslastverdeling, althans een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven.
3.39
Uit art. 150 Rv volgt dat de bewijslast van vermeend bedrog rust op de partij die op dat bedrog een beroep doet. In rov. 6.17 heeft het hof overwogen dat de Russische Federatie de aanvullende documenten voor het eerst in het geding heeft gebracht bij antwoordmemorie na verwijzing van 17 mei 2022. Het hof overweegt verder dat de Russische Federatie heeft gesteld deze documenten op 18 september 2018 in handen te hebben gekregen van een Britse journalist. Vervolgens heeft het hof overwogen dat de vraag of dit waar is, niet vast staat en door de Russische Federatie ook niet aannemelijk is gemaakt. Het hof heeft, anders dan het onderdeel lijkt te betogen, niet aan de Russische Federatie opgedragen te bewijzen dat zij de documenten na 18 september 2018 in handen heeft gekregen. Vervolgens heeft het hof in rov. 6.18 overwogen dat zelfs als het waar is dat de Russische Federatie deze stukken voor het eerst op 18 september 2018 in handen heeft gekregen, die stukken niet in de loop van het hoger beroep bij het hof Den Haag in het geding zijn gebracht (rov. 6.19). Het onderdeel stuit op het voorgaande geheel af.
3.40
Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 6.11, 6.14 en 6.21 t/m 6.29, waarin het hof heeft geoordeeld dat de zeggenschapskwestie niet relevant was voor de uitkomst van de arbitrages. In de kern genomen klaagt het onderdeel dat het hof hierover niet de juiste maatstaf heeft aangelegd.
3.41
Het hof heeft in rov. 6.14 overwogen dat bij de vraag of indien sprake is van fraude of bedrog het arbitraal vonnis als gevolg daarvan tot stand is gekomen, onder ogen moet worden gezien of aannemelijk is dat de arbiters bij kennis van de ware stand van zaken tot een andere beslissing zouden zijn gekomen. Indien dit niet aannemelijk is, kan niet worden gezegd dat het arbitraal vonnis berust op bedrog, aldus het hof. De rechter moet ten aanzien van de beoordeling van een vernietigingsgrond gebaseerd op art. 1065 (oud) Rv terughoudendheid betrachten.29.Ten aanzien van een vordering tot herroeping op de voet van art. 1068 (oud) Rv heeft de Hoge Raad eerder overwogen dat de rechter moet toetsen of het aannemelijk is dat ‘de ter fundering van het beroep op bedrog gestelde feiten en de ten bewijze daarvan overgelegde stukken tot andere beslissingen van arbiters zouden hebben geleid, indien arbiters daarmee bekend zouden zijn geweest en dat het in verband daarmee niet aannemelijk is dat de vordering zal leiden tot herroeping van het arbitraal vonnis’.30.Het valt niet aan te nemen dat de maatstaf die het hof in lijn met deze rechtspraak heeft aangelegd voor de beoordeling van de onderhavige vraag in het kader van een vordering tot vernietiging gebaseerd op art. 1065 lid 1, onder e, (oud) Rv, een andersluidende is dan de maatstaf ten aanzien van een vordering tot herroeping gebaseerd op art. 1068 (oud) Rv. Het oordeel van het hof is daarom juist en niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt in zijn geheel.
3.42
Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 6.30, waarin het hof heeft geoordeeld dat er, gelet op het oordeel dat de zeggenschapskwestie niet relevant was voor de uitkomst van de arbitrages, geen reden is om in te gaan op andere documenten waarop de Russische Federatie haar standpunt over de zeggenschap baseert en waarvan zij stelt dat zij deze na de arbitrages in handen heeft gekregen.
3.43
Het onderdeel bouwt voort op onderdeel 4 en deelt het lot daarvan.
3.44
Onderdeel 6 is gericht tegen rov. 6.31 t/m 6.40 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld over de verklaringen van getuigen, in het bijzonder de verklaring van getuige [betrokkene 3] . Het hof is in rov. 6.40 tot de slotsom gekomen dat de verklaringen van de getuige in het grote geheel van bewijs en vaststaande feiten van zo ondergeschikte betekenis zijn, dat het niet aannemelijk is dat de uitkomst van de arbitrages anders zou zijn geweest zonder die verklaringen. In de kern genomen betoogt het onderdeel dat het hof bij dit oordeel is uitgegaan van een onjuiste maatstaf.
3.45
Het onderdeel herhaalt in feite de klacht van onderdeel 4 en faalt om dezelfde reden. Zoals ik bij de bespreking van onderdeel 4 heb opgemerkt, dient als maatstaf te worden gehanteerd dat de arbiters bij kennis van de ware stand van zaken tot een andere beslissing zouden zijn gekomen. Het hof is in rov. 6.31 t/m 6.40 alle beslissingen van de arbiters nagegaan en is tot het oordeel gekomen dat het niet aannemelijk is dat de arbiters bij kennis van de ware stand van zaken, waarin het hof er vanuit gaat dat de verklaring van de getuige buiten beschouwing zou zijn gelaten, tot een andere beslissing zouden zijn gekomen.
3.46
Voortbouwend op de klacht dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, klaagt het onderdeel ook dat het fundamentele recht van de Russische Federatie op een eerlijk proces is geschonden door de heimelijke betaling van de getuige, het stellen van onwaarheden en het achterhouden van documenten. Ook deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Het valt niet in te zien dat de Nederlandse rechter het recht op een eerlijk proces van de Russische Federatie zou hebben geschonden door het beweerde bedrog van HVY, nu de arbitrale vonnissen niet tot stand zijn gekomen als gevolg van fraude of bedrog door een van de procespartijen.
3.47
Het onderdeel betoogt verder dat het hof in zijn oordeel niet kenbaar het verweer van de Russische Federatie heeft betrokken dat HVY met de betaling aan de getuige en het geheimhouden van die betaling, art. 38, aanhef en onder d, van de UNCITRAL Arbitration Rules 1976 hebben geschonden. Was het scheidsgerecht van de betaling op de hoogte geweest, dan zou dat tot een ander oordeel hebben kunnen leiden, aldus de klacht.
3.48
Art. 38, aanhef en onder d, UNCITRAL Arbitration Rules 1976 luidt als volgt:
‘Article 38
The arbitral tribunal shall fix the costs of arbitration in its award. The term “costs” includes only:
(…)
(d) The travel and other expenses of witnesses to the extent such expenses are approved by the arbitral tribunal;
(…)’
3.49
In rov. 6.40 heeft het hof overwogen dat de verklaringen van de getuige in het grote geheel van bewijs en vaststaande feiten van zo ondergeschikte betekenis zijn, dat het niet aannemelijk is dat de uitkomst van de arbitrages anders zou zijn geweest zonder die verklaringen. Vervolgens heeft het hof overwogen dat in het licht hiervan onvoldoende naar voren is gebracht om het oordeel te rechtvaardigen dat de wetenschap van betalingen door Yukos-stichtingen aan het Cato Institute in verband met het optreden van de getuige, de arbiters tot een andere uitkomst van de arbitrages zou hebben gebracht. In dat oordeel ligt besloten dat het hof de stelling van de Russische Federatie met betrekking tot art. 38 UNCITRAL Arbitration Rules 1976 heeft verworpen, zodat de klacht faalt.
3.50
Het onderdeel (onder 6.4) klaagt verder dat rov. 6.33 onbegrijpelijk is, omdat het hof heeft geoordeeld dat de verklaringen van de getuige niet van invloed zijn geweest op de beslissingen van de arbiters, terwijl de arbiters veelvuldig hebben geciteerd uit diens verklaring.
3.51
Ook deze klacht faalt. Het hof is alle verwijzingen in de final awards naar de verklaringen van de getuige nagelopen. In rov. 6.33, dat betrekking heeft op ‘The Tax Assessments Starting in December 2003’, heeft het hof geoordeeld dat de verklaringen van de getuige niet behoren tot het bewijsmateriaal dat arbiters in beschouwing hebben genomen en dat van cruciaal belang was (waarbij het hof verwijst naar nrs. 517 e.v. van de final awards). Met dit oordeel heeft het hof de stelling verworpen dat de beslissing over de belastingaanslagen niet kon worden genomen zonder de verklaring van de getuige. Deze uitleg van de arbitrale beslissingen is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
3.52
Het onderdeel (onder 6.5) klaagt dat het hof in rov. 6.34, onder verwijzing naar Hoofdstuk VII.C31.nrs. 767-768, 776 en 780 van de final awards, een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Volgens het hof zijn deze verwijzingen van ondergeschikte betekenis in het grotere geheel van de voorgevallen feiten die de arbiters beschrijven. Het onderdeel herhaalt de stelling dat de centrale conclusie van het scheidsgerecht in nr. 756 en nr. 1579 van de final awards niet los kan worden gezien van de verklaringen van de getuige die als enige over de ‘special unit’ heeft verklaard. Ook klaagt het onderdeel dat het hof niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken de stelling van de Russische Federatie dat de arbiters hun oordeel hebben gebaseerd op de verklaringen van de getuige, met name ten aanzien van het publieke doel van de belastingaanslagen en de executieveiling, onder verwijzing naar nrs. 1013, 1016, 1019, 1038 en 1041 van de final awards.
3.53
Het hof heeft in rov. 6.33 de arbitrale vonnissen aldus uitgelegd dat uit nrs. 516, 517 e.v. van de final awards volgt dat de getuigenverklaring over de ‘special unit’ geen onderdeel was van het bewijsmateriaal dat de arbiters in beschouwing hebben genomen en dat van cruciaal belang was. In rov. 6.33 heeft het hof de arbitrale vonnissen aldus uitgelegd dat uit de verklaringen van de getuige geciteerd bij de inleiding van Hoofdstuk VII.B32.volgt dat niet blijkt dat deze citaten van enige wezenlijke invloed zijn op de beslissingen die de arbiters hebben genomen. De ‘centrale’ conclusie in nr. 756 en de herhaling daarvan in nr. 1579 zijn dan ook niet gebaseerd op die getuigenverklaring. Anders dan het onderdeel betoogt, is dit oordeel zoals gezegd onder 3.51 niet onbegrijpelijk. De door het onderdeel genoemde nrs. 1013, 1016, 1019, 1038 en 1041 van de final awards, staan in Hoofdstuk VIII.F, en hebben betrekking op de veiling van YNG en de veilingprijs. Het hof heeft in rov. 6.36 t/m 6.38 aan deze paragrafen uit de final awards aandacht besteed. Wanneer het hof in rov. 6.34 overweegt dat ‘(d)e verwijzingen van ondergeschikte betekenis (zijn) in het grotere geheel van de voorgevallen feiten die de arbiters beschrijven’, heeft deze overweging betrekking op de door de arbiters in Hoofdstuk VIII.C beschreven voorgevallen feiten. De bestreden overweging is niet onbegrijpelijk, zodat de klachten falen.
3.54
Het onderdeel (onder 6.6) bevat (motiverings)klachten tegen rov. 6.35, waarin het hof heeft geoordeeld dat uit de overwegingen van de arbiters kan worden opgemaakt dat de verklaringen van de getuige een stukje zijn van het bewijs, maar dat gelet op het overige bewijs het hof niet ziet hoe de arbitrale beslissing inzake de campagne van lastig vallen en intimidatie zonder dit stukje anders had kunnen uitvallen en de Russische Federatie dit ook niet (toereikend) heeft toegelicht. Het hof verwijst naar hetgeen de arbiters in nr. 811 van de final awards hebben overwogen. De overweging van het hof berust op uitleg van de arbitrale beslissingen en is niet onbegrijpelijk. De (motiverings)klachten falen.
3.55
Het onderdeel (onder 6.7 en 6.8) klaagt dat in rov. 6.36 en 6.37 de verwijzing naar onderdeel VII.F onbegrijpelijk is, omdat dit onderdeel niet bestaat. Voor zover het hof in rov. 6.36 heeft bedoeld te verwijzen naar hoofdstuk VIII.F is het oordeel eveneens onbegrijpelijk, omdat de conclusie in nrs. 1579 en 1580 van de final awards dat ‘the primary objective of the Russian Federation was not to collect taxes but rather to bankrupt Yukos and appropriate its valuable assets’ niet kan worden getrokken, zonder daarbij de verklaringen van de getuige te betrekken. Voor zover wordt bedoeld in rov. 6.37 te verwijzen naar hoofdstuk VIII.F.3.a is het oordeel onbegrijpelijk, omdat de getuige (i) als enige heeft verklaard over de vermeend bijzondere omstandigheden van de veiling en (ii) door de arbiters geloofwaardig en betrouwbaar is gevonden.
3.56
De verwijzing naar ‘onderdeel VII.F’ in rov. 6.36 en 6.37 berust kennelijk op een verschrijving van het hof. De klacht dat rov. 6.36 onbegrijpelijk is, omdat de (algemene) conclusie in nrs. 1579 en 1580 van de final awards niet kan worden getrokken zonder daarbij de verklaringen van de getuige te betrekken, is een herhaling van de eerdere in dit onderdeel geuite klacht. Deze algemene conclusie heeft betrekking op ‘The Tax Assessments starting in December 2003’, niet op de veiling van YNG waarop rov. 6.36 ziet. Het hof heeft zijn oordeel over de beslissingen van de arbiters inzake de veiling en veilingprijs van YNG met voldoende redenen omkleed door onder meer te verwijzen naar de overwegingen in de final awards over de bijzondere omstandigheden van de veiling en de oordelen van andere scheidsgerechten waarnaar de arbiters verwijzen (RosInvestCo en Quasar), alsmede de conclusie van de arbiters dat Baikal een schijnidentiteit was. Daarnaast brengt het betoog onder (ii) niet mee dat de door het hof gegeven uitleg onbegrijpelijk is, omdat het hof heeft beoordeeld of de arbiters tot een andere beslissing zouden hebben kunnen komen bij kennis van de ware stand van zaken, waarin de getuigenverklaring buiten beschouwing zou zijn gelaten. Tot slot wijs ik erop dat het hof het betoog onder (ii) heeft behandeld in rov. 6.35 over hoofdstuk VIII.C met betrekking tot de speciale unit in het kader van de beslissing over de campagne van lastig vallen en intimidatie. De klachten falen dan ook.
3.57
Ook tegen rov. 6.38 voert het onderdeel (onder 6.9) de klacht aan dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat het hof verwijst naar VII.F.3.c dat niet bestaat. Voor zover is bedoeld te verwijzen naar VIII.F.3.c is het oordeel ook onbegrijpelijk, omdat het oordeel van de arbiters niet wordt gedragen door de verklaringen van de getuige. Aansluitend betoogt het onderdeel (onder 6.10) dat het hof in rov. 6.39 een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven dat uit de final awards niet blijkt dat de verklaringen van de getuige voor het overige van enige betekenis zijn geweest voor de beslissingen van de arbiters.
3.58
De klachten zijn voor een belangrijk deel een herhaling van zetten en falen. Voor zover het hof in rov. 6.38 heeft verwezen naar hoofdstuk VII.F.3.c is ook hier kennelijk sprake van een verschrijving, waar hoofdstuk VIII.F.3.c is bedoeld. Het hof is uitdrukkelijk ingegaan op de beslissingen en de onderdelen van de arbitrale vonnissen waarin naar de verklaring van de getuige is verwezen. Tot slot heeft het hof zijn in dit kader gegeven eindbeslissing gemotiveerd met de overweging dat voorts niet blijkt dat de verklaring van de getuige voor het overige van betekenis is geweest voor de beslissingen van de arbiters. ‘Voor het overige’ behoeft hier uiteraard geen nadere motivering.
3.59
De laatste klacht van het onderdeel (onder 6.11) is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.44 dat het bewijsaanbod niet relevant is. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat het bewijsaanbod betrekking heeft op de relevantie van de verklaring van de getuige, namelijk of de arbitrages een andere uitkomst kunnen hebben gehad. Voor zover in het oordeel besloten ligt dat het bewijsaanbod onvoldoende concreet en specifiek zou zijn, is dat oordeel eveneens onbegrijpelijk in het licht van par. 6 van de antwoordmemorie na verwijzing. Het hof heeft miskend dat het gehouden was om de Russische Federatie toe te laten tot getuigenbewijs van die relevantie, aldus de klacht.
3.60
Over deze klacht merk ik het volgende op. Het bewijsaanbod dat de Russische Federatie in par. 6 van de antwoordmemorie na verwijzing heeft gedaan, luidt als volgt:
‘6. Bewijsaanbod
De Russische Federatie heeft destijds in haar Memorie van Antwoord een bewijsaanbod gedaan. De Russische Federatie handhaaft haar door haar in appel gedane bewijsaanbod voor zover het de hier ter discussie staande gronden betreft:
a. De Russische Federatie wil bewijs leveren door het horen van getuigen. Mogelijke getuigen die zij wellicht zou kunnen oproepen zijn: [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en andere betrokkenen die de stellingen in deze memorie bewijzen, in het bijzonder dat de Russische Federatie feitelijk zeggenschap uitoefenen over HVY, dat zij daarover onjuiste verklaringen hebben afgelegd en dat zonder dit bedrog de Arbitrages tot een andere uitkomst zou hebben kunnen geleid;
b. De Russische Federatie wil door het horen van nader te noemen getuigen, waaronder in hoofdstuk 4 genoemde personen, bewijzen dat heimelijke betalingen zijn verricht in ruil voor de verklaring van kroongetuige [betrokkene 3] , dat zulks is verzwegen en dat zonder dit bedrog de Arbitrages tot een andere uitkomst zou hebben kunnen geleid.’33.
3.61
Het aangeboden bewijs betreft het horen van getuigen om te bewijzen (i) dat heimelijke betalingen zijn verricht in ruil voor de verklaring van de getuige, (ii) dat zulks is verzwegen, en (iii) dat zonder dit bedrog de arbitrages een andere uitkomst zouden hebben kunnen gehad. Het hof gaat bij zijn beoordeling of de arbitrale vonnissen op het bedrog berusten uit van de ware kennis van zaken van het gestelde bedrog en in zoverre dus uit van de juistheid van de stelling onder (i) en onder (ii). Het bewijs van die stellingen is daarom niet nodig. Het bewijs van de stelling onder (iii) dat zonder dit bedrog de arbitrages een andere uitkomst zouden hebben kunnen gehad, betreft een juridische beoordeling die, mede aan de hand van de uitleg van de arbitrale vonnissen, aan het hof is om uit te voeren. Deze juridische stelling is dus geen te bewijzen aangeboden feit. Voor zover de stelling onder (iii) zou doelen op onderliggende feiten waarvoor bewijs wordt aangeboden, is dit onvoldoende gespecificeerd. De klacht faalt daarom.
3.62
Onderdeel 7 is gericht tegen rov. 6.3 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat de prejudiciële vragen die de Russische Federatie gesteld wil zien aan het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) geen betrekking hebben op hetgeen aan de orde is in de procedure na verwijzing. Volgens het onderdeel is voor het onderzoek of en in hoeverre de zeggenschap van de Oligarchen over HVY een relevante overweging is voor het causaal verband tussen het bedrog en de arbitrale beslissingen, een prejudiciële beslissing van het HvJEU over de uitleg van art. 1 leden 6 en 7 ECT en art. 26 ECT noodzakelijk.
3.63
Het onderdeel miskent dat het hof in de procedure na verwijzing uitsluitend had te oordelen over de vraag of door de Russische Federatie tijdig een beroep is gedaan op het vermeende bedrog door HVY. De uitleg van de ECT is niet meer aan de orde. Voor het overige geldt dat het hof op grond van art. 267 VWEU niet verplicht was tot het stellen van prejudiciële vragen. De Russische Federatie heeft in haar schriftelijke toelichting34.nog een beroep gedaan op een nieuwe rechtsontwikkeling die zich na het indienen van de procesinleiding heeft voorgedaan, namelijk het Besluit (EU) 2024/1852 van de Raad van de EU.35.Dit beroep vindt geen grondslag in het cassatiemiddel en betreft een ongeoorloofd novum in cassatie, zodat het buiten beschouwing dient te blijven.
3.64
Onderdeel 8 is gericht tegen rov. 6.43, waarin het hof heeft geoordeeld dat de incidentele vordering die de Russische Federatie op de voet van art. 843a Rv heeft ingesteld, moet worden afgewezen. Het onderdeel betreft een voortbouwende klacht in het geval van het slagen van een of meer van de onderdelen 2-5. Nu geen van deze onderdelen slaagt, kan bespreking van onderdeel 8 achterwege blijven.
3.65
Onderdeel 9 is onvoorwaardelijk ingesteld. Dit onderdeel betreft een voortbouwklacht en behoeft, gelet op het falen van de klachten van de onderdelen 1 en 2, geen bespreking.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑04‑2025
Zie hof Den Haag 25 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2476 en hof Den Haag 18 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:234.
Zie HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, NJ 2022/102, m.nt. A.I.M. van Mierlo en C.M.J. Ryngaert; JOR 2022/79, m.nt. M. van de Hel-Koedoot; JBPr 2022/16, m.nt. B. van Zelst.
Zie hof Amsterdam 20 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:351, JBPr 2024/37, m.nt. W.J.L. de Clerk.
Art. IV lid 4 in verbinding met art. IV lid 2 van de Wet van 2 juni 2014 tot wijziging van Boek 3, Boek 6 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de modernisering van het Arbitragerecht (Stb. 2014, 200), in werking getreden op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 254).
Zie voor de feiten ook onder 2 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:425) vóór het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021.
Hulley Enterprises v. The Russian Federation, PCA Case No. 226, Interim Award on Jurisdiction and Admissibility, 30 november 2009; Yukos Universal v. The Russian Federation, PCA Case No. 227, Interim Award on Jurisdiction and Admissibility, 30 november 2009; Veteran Petroleum v. The Russian Federation, PCA Case No. 228, Interim Award on Jurisdiction and Admissibility, 30 november 2009.
Hulley Enterprises v. The Russian Federation, PCA Case No. 226, Final Award, 18 juli 2014; Yukos Universal v. The Russian Federation, PCA Case No. 227, Final Award, 18 juli 2014; Veteran Petroleum v. The Russian Federation, PCA Case No. 228, Final Award, 18 juli 2014.
Rechtbank Den Haag 20 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4229.
Hof Den Haag 25 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2476.
Hof Den Haag 18 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:234.
Zie procesinleiding, p. 8.
Zie schriftelijke toelichting zijdens HVY met verwijzing naar processtukken in hoger beroep, waaruit de zetelverplaatsing blijkt (akte uitlating eisvermeerdering van HVY van 21 november 2023 (toegezonden op 6 november 2023), voorblad, en pleitaantekeningen HVY van 21 november 2023, voorblad; processtuknummer 132 en 134 in het B-dossier).
Zie Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2022/149; P. Vlas, Rechtspersonen, Praktijkreeks IPR, deel 9, 2017, nr. 20 en 21.
Zie voor het Cypriotische recht art. 354J en art. 354O van de wet op de onderneming, hoofdstuk 113 en voor het recht van Isle of Man art. 166 van de wet op de onderneming 2006. Zie ook Bijlagen 1 t/m 6 bij de schriftelijke toelichting van HVY.
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 109-110; HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165, m.nt. S.D. Lindenbergh; HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:640, NJ 2021/163, rov. 3.1.2.
M. van de Hel-Koedoot, T&C Rv, commentaar op art. 130 Rv, aant. 2.b; Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 322.
Zie onder meer HR 15 september 2017, reeds aangehaald, rov. 4.5.
Zie HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914, NJ 2000/220, m.nt. J.B.M. Vranken; HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0731, NJ 2012/654; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2599, NJ 2013/102.
Zie Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van het Nederlands burgerlijk procesrecht, 2024, p. 269.
Repliek zijdens de Russische Federatie, onder 2.3.7, 2.3.10 en 2.3.11.
Vgl. HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9877, NJ 2012/629.
Verwezen wordt naar de producties RF-200, RF-201 en RF-202, en de pleitnotitie van mr. van den Berg van 9 februari 2016, par. 29, 30, 46 en 47.
Verwezen wordt naar Annex D bij de antwoordmemorie na verwijzing en par. 49 (voetnoot 71), 136-138, 146, 148 (voetnoot 241), 150 (voetnoot 248) en 180.
Verwezen wordt wederom naar Annex D bij de antwoordmemorie na verwijzing en par. 49 (voetnoot 71), 136-138, 146, 148 (voetnoot 241), 150 (voetnoot 248) en 180.
Vgl. HR 20 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6207, NJ 2004/569, m.nt. H.J. Snijders; HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1332, NJ 2023/185, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2.4; Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 2023/570.
HR 28 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:784, NJ 2021/207.
Zie ook rov. 5.4.9 van het verwijzingsarrest van de Hoge Raad van 5 november 2021.
Zie HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:ZC2314, NJ 1998/206, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.5.
Het hof verwijst abusievelijk naar Hoofdstuk VII.C, terwijl overduidelijk Hoofdstuk VIII.C is bedoeld.
Het hof verwijst abusievelijk naar Hoofdstuk VII.B, terwijl overduidelijk Hoofdstuk VIII.B is bedoeld.
Antwoordmemorie na verwijzing zijdens de Russische Federatie van 17 mei 2022 (processtuknummer 122 in het B-dossier), p. 96.
Schriftelijke toelichting zijdens de Russische Federatie, p. 68-86.
Besluit (EU) 2024/1852 van de Raad van 25 juli 2024 tot ontzegging van voordelen uit hoofde van deel III van het Verdrag inzake het Energiehandvest door de Unie aan elke rechtspersoon die eigendom is van of onder zeggenschap staat van staatsburgers of onderdanen van de Russische Federatie of van de Republiek Belarus en aan elke investering in de zin van het Verdrag inzake het Energiehandvest die een investering is van een investeerder van de Russische Federatie of van de Republiek Belarus, PbEU L 2024/1852, 2 juli 2024.
Beroepschrift 17‑05‑2024
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
Eiseres in cassatie:
DE RUSSISCHE FEDERATIE, zetelend te Moskou, Russische Federatie (‘Russische Federatie’). De Russische Federatie kiest woonplaats bij de advocaten bij de Hoge Raad mrs. A.H.M. van den Steenhoven en M.A.M. Wagemakers, beiden gevestigd te (2583 CM) Den Haag aan de Doctor Lelykade 10c. Zij zijn door de Haagse deken (op de voet van artikel 13 Advocatenwet) en daarna door de Russische Federatie aangewezen om de Russische Federatie als zodanig te vertegenwoordigen in deze cassatieprocedure.
Verweerders in cassatie:
- 1.
HULLEY ENTERPRISES LIMITED, (‘HEL’)
een rechtspersoon naar het recht van Cyprus, gevestigd te Nicosia, Cyprus, en/of Isle of Man
- 2.
VETERAN PETROLEUM LIMITED, (‘VPL’)
een rechtspersoon naar het recht van Cyprus, gevestigd te Nicosia, Cyprus, en/of Isle of Man
- 3.
YUKOS UNIVERSAL LIMITED, (‘YUL’)
een rechtspersoon naar het recht van de Isle of Man, gevestigd te Douglas, Isle of Man,
hierna tezamen: ‘HVY’, in feitelijke instantie bijgestaan door hun advocaat mr. E.R. Meerdink te Amsterdam.
Bestreden arrest
De Russische Federatie stelt cassatieberoep in tegen het arrest, gewezen op 20 februari 2024 van het Gerechtshof Amsterdam (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.303.103/01 tussen HVY als appellanten en verweerders in het incident en de Russische Federatie als geïntimeerde, eiseres in het incident (het ‘Arrest’).
Verschijningsdatum voor 6 september 2024
Verweerders worden opgeroepen om ten laatste op vrijdag 6 september 2024, om 10.00 uur 's ochtends, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, te verschijnen op de zitting van de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad in diens gebouw aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag. De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends.
Inleiding
Partijperikelen
In de vorige instantie waren HEL en VPL te Cyprus en YUL te Isle of Man procespartijen. Na 's‑hofs arrest is de Russische Federatie gebleken dat HEL en VPL op Cyprus wellicht niet meer bestaan. Zij zouden zijn ge-‘re domiciled’ op de Isle of Man (Bijlage). Op het titelblad van de pleitnotities van HVY d.d. 21 november 2023 is vermeld dat HEL en VPL gevestigd zouden zijn op de Isle of Man. In een voetnoot is opgemerkt dat dit sinds 3 november 2023 zou zijn.
HVY hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling met geen woord gerept over (de rechtsgevolgen van) deze verhuizing. Evenmin hebben zij op de voet van artikel 225 en 227 Rv schorsing en hervatting van de procedure gevorderd, zodat deze met HEL en VPL te Cyprus als oorspronkelijke procespartijen is voortgezet. Het bestreden arrest is dan ook gewezen met HEL en VPL te Cyprus als procespartijen.
Het is de Russische Federatie op dit moment volstrekt onbekend wat deze ‘verhuizing’ juridisch betekent. Uit het handelsregister op Cyprus volgt dat HEL en VPL aldaar ontbonden (‘dissolved’) zijn. Dat zou kunnen impliceren dat de vennootschappen die (thans) op Isle of Man gevestigd zijn nieuwe vennootschappen zijn die wellicht te zien zijn als rechtsopvolger (onder algemene of bijzondere titel) van HEL en VPL te Cyprus. Anderzijds is ook mogelijk dat beide vennootschappen met ingang van 3 november 2023 geïncorporeerd zijn onder het recht van Isle of Man in plaats van Cyprus. In dat geval hebben wij hier mogelijk nog te maken met dezelfde vennootschappen die de oorspronkelijke procespartijen waren in hoger beroep, maar thans statutair te Isle of Man zijn gevestigd.
De Russische Federatie heeft HVY ter zake om opheldering gevraagd. Van de zijde van HVY is daarop uitsluitend aan de Russische Federatie te kennen gegeven dat HEL en VPL zijn verhuisd, dat de Russische Federatie dat had kunnen weten (kennelijk uit de aanhef van de pleitnotities) en dat de Russische Federatie een en ander maar moest nagaan in het handelsregister op Isle of Man.1.(Bijlage 1)
Wat de Russische Federatie betreft wordt hiermee het schimmenspel door HVY (en de Oligarchen) onverkort voortgezet. HVY zullen in cassatie opheldering moeten geven over de rechtsgevolgen van de verhuizing en met name of HEL en VPL, gevestigd te Isle of Man dezelfde partijen zijn als HEL en VPL, gevestigd te Cyprus. Uw Raad zal vervolgens als feitenrechter moeten beoordelen of HEL en VPL als oorspronkelijke procespartijen al dan niet hebben opgehouden te bestaan.2.
Indien en voor zover zou blijken dat HEL en VPL hebben opgehouden te bestaan, zodat HEL en VPL te Isle of Man rechtsopvolgers zijn (onder bijzondere of algemene titel), dan geldt dat het ervoor moet worden gehouden dat de Cypriotische vennootschappen — naast hun rechtsopvolgers — geen eigen belang meer hebben bij de beoordeling van het geschil, zodat het hof Amsterdam deze verdwenen vennootschappen niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun hoger beroep.3.
Ook zal de Russische Federatie dan in staat moeten worden gesteld om in cassatie aan uw Raad ter zake verbetering te verzoeken. De Russische Federatie merkt ter zake op voorhand op dat een dergelijk verzoek in beginsel alleen kan worden afgewezen indien HEL en VPL (en YUL) stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat zij daardoor onredelijk in hun belangen worden geschaad.4.
In verband met het voorgaande heeft de Russische Federatie deze procesinleiding zekerheidshalve mede gericht tegen HEL en VPL te Isle of Man, waarmee in ieder geval wordt voorkomen dat zij naderhand alsnog in het geding moeten worden opgeroepen. Indien en voor zover zou blijken dat de Russische Federatie onjuiste partijen in het geding heeft opgeroepen, mag dit, vanwege de onduidelijkheid die door HVY zelf is gecreëerd en in stand is gelaten, niet leiden tot enige kostenveroordeling jegens de Russische Federatie. Bovendien heeft de Russische Federatie zich door het gebrek aan informatie van de zijde van HVY genoodzaakt gezien om daarover een cassatiemiddel voor te stellen.
Bedrog staat (veronderstellenderwijs) vast
Het door HVY gepleegde bedrog staat (al dan niet hypothetisch) vast omdat het hof de juistheid van de stellingen van de Russische Federatie ter zake in het midden heeft gelaten, maar overigens de stiekeme betaling aan kroongetuige [betrokkene 3] wel heeft vastgesteld. Het hof heeft het beroep op bedrog echter verworpen omdat het (i) het te laat zou zijn en (ii) niet beslissend zou zijn voor de uitkomst van de arbitrages.
In rov. 4.2 omschrijft het hof de typen bedrog:
- a.
HVY hebben documenten achter gehouden. Daarmee heeft HVY (ook) Procedural Order 12 (document production) geschonden. Dit staat (hypothetisch) feitelijk vast : onder meer memorie van antwoord par. 17, 636–638, 640 hfdst VII-G m.n. par. 1195 (kader), 1197–1200, 1207; antwoordmemorie na verwijzing par. 3, 5, 45, 49–53, 71, 74, 75, 80, 88, hfdst. 3.4, m.n. par. 99, 113, 119, 128, hfdst. 3.5.1–3.5.2 (achtergehouden stukken waaruit blijkt dat niet de trustees stemrecht hadden, maar de Oligarchen), hfdst 3.5.3 (achtergehouden stukken waaruit blijkt dat de Oligarchen de facto het beleid van HVY, GML en Yukos bepaalden), par. 158, 166, 172 en 173; antwoordakte, tevens incidentele memorie van eis ex artikel 843a Rv d.d. 15 november 2022 par. 6, 12, hfdst II.1, hfdst II.5 (HVY hebben opzettelijk geen uitvoering gegeven aan exhibitiebevelen in de arbitrages);
- b.
HVY hebben de kroongetuige [betrokkene 3] stiekem betaald voor zijn belastende verklaringen; rov .6.31 en 6.40. Ook staat (hypothetisch) feitelijk vast dat dit in strijd was met de UNCITRAL Arbitration Rules:, onder meer memorie van antwoord par. 1198(e), 1221–1223; antwoordmemorie na verwijzing par. 6, hfdst. 4, m.n. par. 193, 194, 195 en hfdst. 4.4, waaronder 4.4.2 (schending UNCITRAL RULES) en 4.4.3 (heimelijke indirecte betalingen); antwoordakte, tevens incidentele memorie van eis ex artikel 843a Rv d.d. 15 november 2022, hfdst III; pleitnotities 21 november 2023 par. 47–53;
- c.
HVY hebben tijdens de arbitrale en vernietigingsprocedure gelogen over de zeggenschap over HVY: onder meer memorie van antwoord par. 14, 637a-e, 642, 644, 645, hfdst. VII-G, par. 1197–1200, met verwijzing naar nieuwe producties RF-202 en RF-D.15, 203, 295, 321–328 (zie Annex D bij de antwoordmemorie na verwijzing voor de momenten waarop de Russische Federatie de beschikking kreeg over deze nieuwe stukken), hfdst III.B(a), illegale verkrijging aandelen door de Oligarchen en hfdst III-C over de verklaring van de heren [getuige 3] en [getuige 6]; antwoordmemorie na verwijzing 44–53, hfdst. 3.5.2 (uit de achtergehouden stemovereenkomst blijkt dat niet de trustees stemrecht hadden maar de Oligarchen), hfdst. 3.5.3 (de Oligarchen bepaalden de facto het beleid van HVY, GML en Yukos); pleitnotities d.d. 21 november 2023 par. 5–11, 13 en 14; ; antwoordakte, tevens incidentele memorie van eis ex artikel 843a Rv d.d. 15 november 2022 hfdst II.1 (de Oligarchen behielden de jure de zeggenschap), hfdst. II.1 (de Oligarchen behielden feitelijk de zeggenschap) en hfdst II.3 (de Oligarchen hadden ook zeggenschap over VPL)
Met dit bedrog, staat ook vast dat het recht op een eerlijk proces is geschonden: dit komt terug in middel(sub)onderdeel 2.3, 3.1a, 3.2.b, 4, 5.2, 6, 6.1.a en 6.3.
Procesverloop (kort)
De onderhavige procedure betreft de Yukos-hoofdzaak. Op 18 juli 2014 hebben de scheidsgerechten in de arbitrages die door HVY tegen de Russische Federatie waren aangespannen een drietal arbitrale vonnissen — hierna: de Awards — gewezen waarin de Russische Federatie werd veroordeeld om aan HVY in totaal ongeveer $ 50 miljard te betalen. De Russische Federatie heeft met betrekking tot de Awards vernietigingsprocedures geëntameerd. Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 april 2016 zijn de Awards vernietigd wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. HVY zijn van dat vonnis in hoger beroep gekomen.
In appel heeft de Russische Federatie haar beroep op artikel 1065 lid 1 sub e Rv (strijd met de openbare orde) uitgebreid met een beroep op na de arbitrages ontdekt procesbedrog, door HVY gepleegd in de arbitrages.
Bij tussenarrest van 25 september 2018 heeft het gerechtshof Den Haag overwogen en beslist dat het beroep op fraude, door HVY gepleegd in de arbitrageprocedure, uitsluitend aan de orde zou kunnen worden gesteld in een herroepingsprocedure ex artikel 1068 Rv en aldus de bezwaren van HVY tegen de nieuwe stellingen ter zake van de Russische Federatie gegrond verklaard.5. Het hof Den Haag heeft de stellingen van de Russische Federatie daarover in het vervolg van de vernietigingsprocedure dan ook niet meer betrokken. Bij eindarrest van 18 februari 20206. heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 april 2016 vernietigd en in hoger beroep de vorderingen van de Russische Federatie afgewezen.
Bij arrest van 5 november 20217. heeft uw Raad geoordeeld dat het beroep van de Russische Federatie op bedrog, gepleegd door HVY in de arbitrage, niet alleen kan worden beoordeeld in een herroepingsprocedure, maar ook grond kan opleveren voor vernietiging van de Awards op grond van artikel 1065 lid 1 sub e Rv. Uw Raad heeft toen gecasseerd en de zaak verwezen naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Het hof Amsterdam heeft in het thans in cassatie bestreden arrest — onjuist en/of onbegrijpelijk- geoordeeld dat het beroep van de Russische Federatie op de openbare orde-grond in strijd is met de goede procesorde, omdat zij reeds in eerste aanleg van het door HVY gepleegde bedrog zou hebben geweten en dit niet toen reeds in de procedure voor de rechtbank aan de orde heeft gesteld. Met het (onjuiste en/of onbegrijpelijke) oordeel dat het beroep op bedrog in strijd is met de goede procesorde en door dat beroep buiten beschouwing te laten, heeft het hof ook — onjuist — de Russische Federatie haar recht op een eerlijk proces ontzegd.
Daarnaast heeft het hof in een obiter dictum (eveneens onjuist en/of onbegrijpelijk) overwogen en beslist dat, ook indien de nadere uitwerking in hoger beroep van de openbare orde-grond door de Russische Federatie niet in strijd met de goede procesorde zou zijn geweest, het beroep daarop om andere redenen niet kon slagen, onder meer wegens het (volgens het hof) te laat in het geding brengen van twee documenten en wegens het ontbreken van relevantie van de verklaring van de door HVY heimelijk betaalde kroongetuige.
Ter bestrijding van dit oordeel en vanwege de feitelijke grondslag van het middel, ontkomt de Russische Federatie er dan niet aan om in cassatie onder meer per procesfase toe te lichten wat zij wanneer wist. Omdat het hof aan de hand van het (arbitrage)dossier (onbegrijpelijk) heeft geoordeeld dat de verklaring van de kroongetuige niet relevant is, ontkomt de Russische federatie er evenmin aan om daarover met verwijzingen naar hetzelfde dossier klachten voor te stellen.
Daardoor en vanwege de omvang en complexiteit van het procesdossier, is deze procesinleiding langer dan gebruikelijk.
De drie afzonderlijke Final Awards, zijn nagenoeg gelijkluidend. Waar hierna naar de Awards in YUL wordt verwezen, wordt daarmee tevens VPL en HEL bedoeld.
Leeswijzer
Ten behoeve van de overzichtelijkheid volgt hieronder een leeswijzer van de namens de Russische Federatie voorgestelde middelonderdelen.
Onderdeel 1 — Partijperikelen
- 1.a.
Hof miskent dat partijen zonder belang in de procedure niet ontvankelijk zijn
- 1.b.
Mogelijk oordeel hof over belang HEL en VPL onbegrijpelijk
Onderdeel 2 — Beroep op bedrog niet in strijd met de goede procesorde
- 2.1.
Onjuiste rechtsopvatting over ontdekking bedrog
- 2.2.
Onbegrijpelijk oordeel over moment van ontdekking procesbedrog
- 2.3.
Terughoudendheid geboden en herstelfunctie hoger beroep; schending recht op een eerlijk proces
- 2.4.
Pot verwijt de ketel
- 2.5.
Goede procesorde; eerste akte of conclusie
- 2.6.
Goede procesorde; eerste conclusie of akte, onbegrijpelijk oordeel;
- 2.7.
Ambtshalve beoordeling openbare orde
- 2.8.
Niet (separaat per vernietigingsgrond) beslist
- 2.9.
Samenhangende beslissingen
Onderdeel 3 — Obiter dictum; aanvullende documenten
- 3.1.
Onjuist/onbegrijpelijk oordeel bewijslastverdeling
- 3.1.a.
Schending recht op eerlijk proces vs miskenning bewijslast
- 3.1.b.
Onbegrijpelijk oordeel dat HVY stellingen voldoende heeft onderbouwd
- 3.2.
Onjuist/onbegrijpelijk oordeel dat stukken te laat in het geding zijn gebracht
- 3.2.a.
Stukken over zeggenschap mochten wel later ten grondslag worden gelegd aan uitwerking openbare orde-grond
- 3.2.b.
Schending recht op eerlijk proces; door gecasseerd arrest van hof Den Haag was de eerste gelegenheid om procesbedrog-stukken in het geding te brengen de Antwoordmemorie na verwijzing
- 3.2.c.
Onbegrijpelijk oordeel dat Russische Federatie stukken op 18 september 2018 heeft ontvangen
- 3.3.
Onbegrijpelijk oordeel over productie RF-526
- 3.4.
Veegklacht met betrekking tot rov. 6.16 en 6.20
Onderdeel 4 — Zeggenschapskwestie is wel van belang
- 4.1.
Onjuiste maatstaf openbare orde-grond
- 4.2.
Zeggenschap is relevant; onjuist/onbegrijpelijk oordeel
- 4.2.a.
Oordeel kan niet worden gebaseerd op arbitrale oordeel dat GML/Trusts eigendom zijn van HVY: onbegrijpelijk oordeel
- 4.3.
Onbegrijpelijk oordeel dat zeggenschapskwestie niet relevant was voor uitkomst arbitrages
- 4.4.
Onbegrijpelijk oordeel dat zeggenschapskwestie niet van belang was voor uitkomst arbitrages
- 4.5.
Onbegrijpelijk oordeel dat relevantie zeggenschapskwestie pas bij mondelinge behandeling is gesteld
- 4.6.a.
Onbegrijpelijk oordeel dat zeggenschapskwestie niet van belang was voor eigen schuld
- 4.6.b.
Niet betrokken verweer dat scheidsgerecht heeft vastgesteld dat illegale handelingen van een entiteit aan andere entiteit kunnen worden toegekend; zeggenschapsverhoudingen is in dat verband relevant
- 4.7.
Samenhangende beslissingen
Onderdeel 5 — Niet beslissen op controle en zeggenschap [naam 1]
- 5.1.
Onjuist/onbegrijpelijk oordeel dat hof niet ingaat op andere documenten ten aanzien van zeggenschap
- 5.1.a.
Onbegrijpelijk oordeel dat [naam 1] geen zeggenschap/controle over HVY heeft
- 5.1.b.
Onbegrijpelijk oordeel dat anderen bij transacties (on)bevoegd kunnen handelen
- 5.2.
Schending recht op eerlijk proces vs onjuist/onbegrijpelijk oordeel over niet te bespreken documenten
- 5.2.a.
Onbegrijpelijk oordeel dat uit documenten niet blijkt dat [naam 1] zeggenschap en controle over HVY heeft
- 5.2.b.
Onbegrijpelijk oordeel over controle [naam 1] in het licht van Palmus Trust
Onderdeel 6 — Betalingen aan kroongetuige [betrokkene 3] vs geen eerlijk proces
- 6.1.
Onjuist/onbegrijpelijk oordeel over relevantie verklaringen [betrokkene 3]
- 6.1.a.
Geheime betalingen aan [betrokkene 3] en achterhouden documenten hierover in strijd met recht op een eerlijk proces
- 6.1.b.
Verweer dat betaling in strijd is met UNCITRAL Arbitration Rules niet in oordeel over relevantie betrokken
- 6.2.
Onjuist/onbegrijpelijk oordeel dat Russische Federatie onvoldoende heeft gesteld over relevantie [betrokkene 3]
- 6.2.a.
Te strenge maatstaf /onbegrijpelijk oordeel over mogelijk effect op arbitrale vonnissen
- 6.2.b.
Onbegrijpelijk oordeel over waarde die het scheidsgerecht aan verklaringen [betrokkene 3] heeft toegekend
- 6.3.
Schending recht op eerlijk proces vs onjuist/onbegrijpelijk oordeel over uitkomst arbitrages en ondergeschikte betekenis verklaringen [betrokkene 3]
- 6.4.
Onbegrijpelijk oordeel over invloed verklaringen [betrokkene 3] op beslissingen arbiters
- 6.5.
Speciale Unit vs besluit van de President
- 6.5.a.
Uit verwijzingen naar arbitrale uitspraken blijkt niet dat de verklaring [betrokkene 3] van ondergeschikt belang was
- 6.5.b.
Onbegrijpelijk niet in oordeel betrokken dat [betrokkene 3] als enige heeft verklaard over de speciale unit
- 6.6.
Onbegrijpelijk oordeel dat [betrokkene 3] slechts een stukje van het bewijs is
- 6.6.a.
Onbegrijpelijk oordeel over ontoereikende toelichting Russische Federatie vs gemotiveerd verweer over [betrokkene 3]
- 6.6.b.
Onbegrijpelijk oordeel dat arbiters niet in overwegende mate zijn afgegaan op verklaringen [betrokkene 3]
- 6.7.
Onbegrijpelijk oordeel dat gang van zaken veiling Yuganskneftegaz niet is gebaseerd op verklaring [betrokkene 3]
- 6.8.
Onbegrijpelijk oordeel dat verklaringen [betrokkene 3] niet van invloed zijn geweest voor arbitraal oordeel over veiling
- 6.9.
Inconsistente belastinginning lag niet ten grondslag aan oordeel arbiters; onbegrijpelijk oordeel
- 6.10.
Onbegrijpelijk oordeel dat verklaring [betrokkene 3] voor het overige niet van betekenis is geweest.
- 6.
11 Bewijsaanbod onjuist en/of onbegrijpelijk gepasseerd
Onderdeel 7 — Prejudiciële vragen: Unie-recht wel relevant, ook na HR 5 november 2021
Onderdeel 8 — De Russische Federatie heeft wel belang bij exhibitievordering
Onderdeel 9 — Veegklacht
Middel van cassatie
De Russische Federatie voert tegen het Arrest het volgende middel van cassatie aan: Schending van het recht en/of verzuim van vormen die op straffe van nietigheid in acht moeten worden genomen, doordat het hof recht heeft gedaan op de wijze als in het dictum van het Arrest is omgeschreven en op de gronden die in het lichaam van het Arrest zijn vermeld, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
Middelonderdelen 1, 2 en 9 (partijperikelen, te laat en veegklacht) worden onvoorwaardelijk voorgesteld, middelonderdelen 3 t/m 8 (o.a. relevantie zeggenschap, heimelijk betaalde getuige en exhibitievordering) voorwaardelijk, namelijk uitsluitend indien en voor zover enig (sub)onderdeel van middelonderdelen 1 en/of 2 zouden slagen.
Onderdeel 1 — Ontvankelijkheid verdwenen vennootschappen HEL en VPL
Indien en voorzover uit het feitelijke onderzoek door Uw Raad zou blijken dat HEL en VPL door de ontbinding te Cyprus zijn opgehouden te bestaan, dan hadden zij, ervan uitgaande dat zij naast hun eventuele rechtsopvolgers geen belang meer hadden bij voortzetting van hun hoger beroep, door het hof niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Het hof — rov. 7.1 — heeft evenwel ten onrechte het vonnis van de rechtbank vernietigd, waarbij HEL en VPL door het hof (kennelijk) als nog steeds bestaande en belanghebbende partijen zijn aangemerkt.8.
1.a.
Door aldus te oordelen heeft het hof miskend dat aan partijen die hebben opgehouden te bestaan — naast hun rechtsopvolgers — geen eigen belang meer hebben bij voortzetting van het door hen geëntameerde hoger beroep, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.9.
1.b.
Indien en voor zover het hof bij zijn (kennelijke) beslissing ter zake er van uit is gegaan dat HEL en VPL te Cyprus nog wel een zelfstandige belang naast HEL en VPL te Isle of Man zouden hebben, is de beslissing van het hof onbegrijpelijk bij gebreke van enige stellingen ter zake van de zijde van de HVY waaruit een dergelijk belang zou kunnen blijken en bij gebreke van een (kenbare) beoordeling van dergelijke stellingen door het hof.
Onderdeel 2 — Beroep op procesbedrog niet in strijd met goede procesorde
Inleiding
Juridisch kader
In het hiervoor aangehaalde arrest van uw Raad van 5 november 2021 zijn door uw Raad de volgende opmerkingen gemaakt:
- —
Artikel 1064 lid 5 (oud) Rv verzet zich er op zichzelf niet tegen dat in hoger beroep een nadere uitwerking wordt gegeven van de bij inleidende dagvaarding aangevoerde (vernietigings)gronden en zo nodig een omissie wordt hersteld.10. De mogelijkheid om dergelijke gronden in hoger beroep nader uit te werken of nieuwe feitelijke stellingen aan te voeren wordt onder meer begrensd door de gewone regels, geldend voor het hoger beroep, zoals artikel 130 Rv en eventuele specifieke bepalingen die voorschrijven wanneer een bepaalde vernietigingsgrond (voor het eerst) moet worden ingeroepen op straffe van verval van het recht daarop later alsnog een beroep te doen (rov. 5.1.14);
- —
de termijn van drie maanden om met een beroep op artikel 1068 Rv herroeping van een arbitraal vonnis te vorderen, dient de rechtszekerheid. Indien evenwel reeds een vernietigingsprocedure aanhangig is waarin (onder meer) een beroep is gedaan op strijd met de openbare orde, dan kan de wederpartij rekening houden met de mogelijkheid dat het arbitrale vonnis op die grond niet in stand zal blijven, en wordt het belang van de rechtszekerheid niet geschaad wanneer het beroep op de openbare orde in de loop van de vernietigingsprocedure nader wordt uitgewerkt met een beroep op bedrog (rov. 5.1.15);
- —
ten aanzien van de toepassing van artikel 130 lid 1 Rv geldt dat telkens in een concreet geval moet worden beoordeeld of het aanvoeren van een nieuwe stelling ter onderbouwing van een reeds bij dagvaarding aangevoerde vernietigingsgrond, in strijd komt met de eisen van de goede procesorde. Daarbij kan onder meer van belang zijn wat de reden is voor het niet eerder aanvoeren van de nieuwe stelling. Van strijd met de eisen van de goede procesorde kan onder meer sprake zijn indien, in een geval als het onderhavige, de hiervoor bedoelde nadere uitwerking later wordt gegeven dan in de eerstvolgende conclusie of akte nadat het bedrog bekend is geworden (rov. 5.1.17).
- —
de Russische Federatie heeft gesteld dat zij het procesbedrog door HVY heeft ontdekt na de datum van het vonnis in eerste aanleg en heeft daarop een beroep gedaan in de eerstvolgende conclusie van haar zijde: de memorie van antwoord. De vraag of deze nadere uitwerking door de Russische Federatie in de memorie van antwoord in strijd is met de eisen van een goede procesorde, heeft het hof Den Haag destijds niet behandeld (rov. 5.1.18).
Bij de beoordeling van de vraag of de nadere uitwerking van de reeds bij dagvaarding aangevoerde vernietigingsgrond ‘strijd met de openbare orde’ met het nadien door de Russische Federatie ontdekte procesbedrog door HVY in strijd komt met de eisen van de goede procesorde (met andere woorden: of die uitwerking al dan niet ontijdig is), is mede van belang het juridisch kader van de artikelen 1068 en 382 Rv.11. Van belang is immers wanneer het gestelde bedrog is ‘ontdekt’ (in de zin van artikel 1068 Rv) en vervolgens of het bedrog aan de orde is gesteld in de eerste conclusie of akte na die ontdekking en, indien dat niet het geval is, wat de reden is dat de nadere uitwerking pas in een later stadium plaatsvindt. De rechtspraak op artikel 382 Rv en de daarin vermelde gronden voor herroeping zijn ook relevant voor de uitleg van artikel 1068 Rv en de daarin vermelde herroepingsgronden, voor zover deze met die van artikel 382 Rv corresponderen.12.
In de artikelen 1068 Rv en 382 Rv is een vervaltermijn opgenomen waarbinnen de vordering tot herroeping moet worden ingesteld. Het aanvangsmoment van die termijn is het moment van ontdekking van het procesbedrog. De objectieve vervaltermijn begint te lopen op het moment dat de partij die overweegt een vordering tot herroeping in te stellen, over bewijsstukken beschikt dat een van de gronden van artikel 382 sub a, b en c Rv aanwezig is. Een vermoeden is niet voldoende om de termijn aan te laten vangen.13. Anderzijds geldt ook niet dat kan worden gewacht tot de meest gerede partij meent de grond voor herroeping overtuigend te kunnen bewijzen. Weliswaar is het moment waarop het bedrog werd ontdekt subjectief (zodat niet relevant is wanneer iets redelijkerwijs ontdekt had kunnen worden), maar die subjectiviteit strekt zich niet uit tot de vraag wanneer sprake is van kennisname van zodanige feiten en omstandigheden, dat daaruit duidelijk is dat sprake is van een bedrieglijke dan wel oneerlijke proceshouding.
Kort gezegd gaat het om het moment waarop de grond voor herroeping in zijn volle omvang wordt ontdekt: het moment waarop het vermoeden omslaat in zekerheid.14. De termijn loopt in het geval van bedrog vanaf de dag waarop het bedrog aan de benadeelde partij bekend is geworden, hetgeen wil zeggen vanaf de dag waarop aan deze partij alle feiten en omstandigheden bekend zijn, die tezamen de kwalificatie van het gedrag van de wederpartij als bedrieglijk wettigen.15.
In beginsel is het bedrog eerst ontdekt, nadat de partij die bedrogen is, beschikt over het bewijs dat het is gepleegd. Voordien zal in het algemeen nog slechts sprake zijn van een gerezen verdenking of vermoeden.16.
In het licht van de hiervoor aangehaalde opmerkingen van Uw Raad in HR 5 november 2021 (rov. 5.14 en 5.17) geldt — mede gelet op de beslissing van Uw Raad in het arrest 27 maart 2009 (Breeders/Burshan) en de herstelfunctie van het hoger beroep — als uitgangspunt dat een beroep op de vernietiging grond van artikel 1065 lid 1 sub e Rv in hoger beroep nader mag worden uitgewerkt met een beroep op procesbedrog door de wederpartij. De mogelijkheden daartoe worden onder meer begrensd door de gewone regels van appelprocesrecht, waaronder artikel 130 Rv, waarbij moet worden beoordeeld of een dergelijke nadere uitwerking in strijd komt met de eisen van een goede procesorde. Indien het procesbedrog na het vonnis in eerste aanleg is ontdekt, of in een dermate laat stadium van de eerste aanleg, dat het redelijkerwijs niet meer aan de rechter kon worden voorgelegd, dient die nadere uitwerking, op grond van de voor het hoger beroep geldende tweeconclusieregel van artikel 347 lid 1 Rv, plaats te vinden (uiterlijk) in de memorie van grieven of de memorie van antwoord. Dat laat onverlet dat, indien in een later stadium nog meer bewijsstukken en/of nieuwe feiten met betrekking tot het procesbedrog worden ontdekt, deze later in het hoger beroep nog in het geding kunnen worden gebracht en/of worden aangevoerd. Dat betreft dan immers een nadere uitwerking van de nieuwe stellingen in de memorie van grieven of de memorie van antwoord. Een nog latere uitwerking van de openbare orde-grond met procesbedrog is denkbaar indien dat bedrog pas na de eerste (en in beginsel enige) memorie in hoger beroep wordt ontdekt.
Gelet op de herstelfunctie, die een belangrijke strekking vormt van het hoger beroep, moet de appèlrechter terughoudend zijn met het buiten beschouwing laten van een dergelijke nadere uitwerking wegens strijd met de goede procesorde.17. De jurisprudentie van Uw Raad laat zien dat de herstelfunctie van het hoger beroep een groot goed is dat niet snel wijkt voor de belangen van de wederpartij die met een eiswijziging wordt geconfronteerd.18.
Uit hetgeen Uw Raad heeft overwogen in rov. 5.17 van het arrest van 5 november 2021 volgt dat sprake kan19. zijn van strijd met de goede procesorde indien het bedrog niet in de eerstvolgende akte of conclusie aan de orde wordt gesteld nadat het is ontdekt in de hiervoor omschreven zin. Dat betekent dat het onder omstandigheden van een partij verwacht mag worden dat bedrog dat gedurende de eerste aanleg wordt ontdekt, reeds gedurende die instantie aan de orde wordt gesteld.
De maatstaf ‘strijd met de eisen van een goede procesorde’ impliceert de tot 2002 geldende maatstaven: onredelijke bemoeilijking van de mogelijkheid verweer te voeren, onredelijke bemoeilijking van de verdediging en onredelijke vertraging van het geding. Wat (on)redelijk is, hangt af van alle omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de volgende factoren een rol kunnen spelen: ingrijpendheid van de eiswijziging, het stadium van de procedure, de vraag of de toelating van de eiswijziging veel en/of langdurig onderzoek nodig zou maken, de vraag of er een goede reden is waarom de eis niet eerder is gewijzigd, de aard van het geschil, de aard van de eiswijziging en de opstelling van de wederpartij.20.
Bij de beantwoording van de vraag of de hiervoor bedoelde nadere uitwerking van de vernietigingsgrond ‘strijd met de openbare orde’ met door de wederpartij in de arbitrage gepleegd bedrog in strijd is met de goede procesorde, moeten ook de aard en de ernst van de gedragingen van de wederpartij worden meegewogen. Naarmate de gedragingen van de wederpartij met betrekking tot het bedrog, gebruik van valse stukken of het achterhouden van stukken ernstiger zijn, zal de rechter nog meer terughoudend moeten zijn met een eventueel oordeel dat een nadere uitwerking van een vernietigingsgrond in strijd komt met de goede procesorde.21. Ook zal in geval van dergelijke gedragingen een beroep van de wederpartij op strijd met de goede procesorde kunnen of zelfs moeten worden verworpen.
Indien in een herroepingsprocedure ex artikel 1068 Rv een beroep wordt gedaan op meer dan een van de drie herroepingsgronden moet, ingevolge het arrest van Uw Raad van 28 mei 2021,22. het aanvangsmoment van de termijn voor herroeping voor iedere herroepingsgrond separaat worden beoordeeld. Dat heeft tot gevolg dat bij beantwoording van de vraag of een nadere uitwerking van de vernietigingsgrond ‘strijd met de openbare orde’ zoals bedoeld in artikel 1065 lid 1 sub e Rv met een van de gronden zoals bedoeld in artikel 1068 Rv, in strijd komt met de goede procesorde, dit steeds ook separaat per aangevoerde grond zal moeten worden beoordeeld. Bij die beoordeling is immers van belang het moment waarop het betreffende procesbedrog is ontdekt, waarna dit in de eerstvolgende conclusie of akte door de bedrogen partij aan de orde moet worden gesteld. Die momenten kunnen samenvallen, maar ook uiteenlopen, al naargelang de omstandigheden van het geval.
Procedureel bedrog zal tot vernietiging van een arbitraal vonnis leiden, indien aannemelijk is dat het scheidsgerecht bij kennis van de ware stand van zaken tot een andere beslissing zou hebben kunnen komen. Het is derhalve niet vereist dat vast komt te staan dat de beslissing van het scheidsgerecht daadwerkelijk anders had geluid; de mogelijkheid dat het scheidsgerecht anders zou hebben beslist is afdoende.23.
Door bedrog in de arbitrage door gebruikmaking van valse stellingen of stukken, het heimelijk betalen van (kroon)getuigen en het achterhouden van relevante stukken, wordt het recht op een eerlijk proces in de kern geschonden. Dergelijk bedrog in de arbitrage leidt tot schending van het fundamentele, procedurele beginsel van hoor en wederhoor.24. Schending van het beginsel van hoor en wederhoor moet in de vernietigingsprocedure, als strijdig met een fundamenteel beginsel van procesrecht en derhalve met de openbare orde, door de rechter ambtshalve25. en niet terughoudend26. worden getoetst.
Stellingen Russische Federatie
In feitelijke aanleg heeft de Russische Federatie in het kader van de nadere uitwerking van de door haar gestelde strijd van de Awards met de openbare orde zoals bedoeld in art. 1065 lid 1 sub e Rv — kort samengevat — gesteld dat sprake is van na de Awards ontdekt bedrog door HVY in de arbitrage gepleegd, onder meer door het bewust aanvoeren van onjuiste stellingen met betrekking tot de zeggenschap van de Oligarchen (in plaats van de trustees) over HVY,27. door betalingen door HVY aan hun ‘kroongetuige’ in ruil voor een voor hen gunstige verklaring28. en het achterhouden van bescheiden die op de beslissing van het scheidsgerecht van invloed zouden zijn geweest.29.
De Russische Federatie had al zeer lang — ook tijdens de arbitrage — het vermoeden dat HVY in de arbitrage bedrog pleegden door onjuiste stellingen aan te voeren met betrekking tot de zeggenschap van de Oligarchen over HVY en door het achterhouden van stukken. De Russische Federatie heeft in dat kader tijdens de arbitrage dan ook herhaaldelijk aangedrongen op het overleggen van stukken door HVY, hetgeen heeft geresulteerd in verschillende procedural orders (met name Procedural Order 12) van het scheidsgerecht, die door HVY vervolgens aan hun laars gelapt werden.30.
Zekerheid met betrekking tot het procesbedrog door HVY kreeg de Russische Federatie echter pas na afloop van de procedure in eerste aanleg. In het najaar van 2015 kreeg de Russische Federatie de beschikking over een tweetal verklaringen31. en een deskundigenbericht.32. Zij heeft die stukken toen, voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 9 februari 2016 in het geding gebracht. Zij heeft daaraan in haar pleitnotities ook aandacht besteed.33. In de pleitnota heeft zij ook uiting gegeven aan de reeds lang bestaande vermoedens dat, in weerwil van hetgeen de Oligarchen iedereen wilden doen geloven, de zeggenschap over HVY niet bij de trustees lag, maar bij de Oligarchen.34. De betreffende stukken waren echter nog onvoldoende om te kunnen spreken van ontdekking van het procesbedrog in volle omvang, zoals hiervoor bedoeld.
Pas na het vonnis van de rechtbank Den Haag 20 april 2016 heeft de Russische Federatie stukje bij beetje informatie en stukken in handen gekregen waaruit bleek dat de voordien bestaande vermoedens van procesbedrog door HVY juist bleken te zijn.35. De Russische Federatie heeft, in verband met het feit dat haar vermoedens in verband met de ontvangst van die nieuwe bewijsstukken inmiddels waren omgeslagen in voldoende zekerheid, in de eerstvolgende conclusie haar reeds bij inleidende dagvaarding gedane beroep op strijd met de openbare orde nader uitgewerkt met een beroep op dit procesbedrog.36. Die eerstvolgende conclusie was de memorie van antwoord, die dateerde van ruim anderhalf jaar na het vonnis van de rechtbank.
HVY hebben tegen die nadere uitwerking bezwaar gemaakt, in welk kader zij (onder meer) hebben gesteld dat het procesbedrog dat door de Russische Federatie in de vernietigingsprocedure aan de orde werd gesteld, in een herroepingsprocedure aan de orde had moeten worden gesteld, en wel binnen drie maanden na ontdekking van het bedrog. Daarnaast hebben HVY aangevoerd dat de nadere uitwerking in strijd zou zijn met artikel 130 Rv en om die reden niet toelaatbaar zou zijn.37.
Het hof Den Haag is in het eerste argument van HVY meegegaan en heeft bij tussenarrest d.d. 25 september 2018 (rov. 5.6 en 5.7) geoordeeld dat de verwijten die de Russische Federatie aan HVY maakte, slechts in een herroepingsprocedure aan de orde zouden kunnen worden gesteld en niet in een vernietigingsgeding als het onderhavige. De kwestie rond het door de Russische Federatie in de memorie van antwoord aan de kaak gestelde procesbedrog door HVY is in het vervolg van de procedure tot en met het arrest van hof Den Haag van 18 februari 2020 dan ook niet meer aan de orde geweest.
Uit de hiervoor geparafraseerd weergegeven overwegingen en beslissingen van Uw Raad in het arrest van 5 november 2021 volgt dat voormelde beslissing van het hof in zijn tussenarrest onjuist was. Uw Raad heeft het arrest van het hof Den Haag dan ook vernietigd en de zaak verwezen naar hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Oordeel hof Amsterdam
In rov. 6.5 heeft het hof overwogen en beslist dat het beroep van de Russische Federatie op bedrog in strijd is met de goede procesorde. Het hof heeft zijn beslissing uitgewerkt in de daaropvolgende rechtsoverwegingen.
In rov. 6.9 heeft het hof overwogen en beslist dat het uit de in rov. 6.7 en 6.8 weergegeven stellingen van de zijde van de Russische Federatie niet anders kan opmaken dan dat het beweerde bedrog reeds in de eerste aanleg bij de Russische Federatie bekend was of is geworden en dat daaraan niet afdoet dat de Russische Federatie later de beschikking heeft gekregen over aanvullende documenten en verklaringen die de stelling dat sprake is van bedrog kunnen ondersteunen. Omdat door de Russische Federatie in eerste aanleg geen beroep werd gedaan op procesbedrog en ook niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zij daartoe niet in staat was of dat anderszins een toereikende reden vormt voor het achterwege laten van een dergelijk beroep, is de nadere uitwerking door de Russische Federatie van de openbare orde-grond in de memorie in strijd met de goede procesorde, aldus het hof. De herstelfunctie van het hoger beroep houdt volgens het hof niet in dat een ontijdig beroep op bedrog alsnog als tijdig moet worden aangemerkt.
In rov. 6.10 heeft het hof overwogen en beslist dat daarmee gegeven is dat de arbitrale vonnissen niet vanwege bedrog behoren te worden vernietigd, zodat hof Amsterdam dezelfde beslissing zal geven als eerder hof Den Haag deed op 18 februari 2020.
In rov. 6.14 overweegt het hof (onjuist) dat de maatstaf voor vernietiging op voet van bedrog is dat de arbiters, bij kennis van de ware stand van zaken, tot een andere beslissing zouden zijn gekomen.
Deze overwegingen en beslissingen van het hof zijn onjuist en/of onbegrijpelijk om de navolgende redenen.
Klachten
Onjuiste rechtsopvatting moment van ontdekking procesbedrog
2.1
Door in rov. 6.9 te overwegen en beslissen dat de Russische Federatie reeds in eerste aanleg bekend was of is geworden met het procesbedrog door HVY, zodat zij dit in eerste aanleg aan de orde had moeten stellen, en dat daaraan niet afdoet dat de Russische Federatie pas nadien over aanvullende documenten en verklaringen heeft kunnen beschikken, is het hof klaarblijkelijk uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het moment waarop dit bedrog door de Russische Federatie is ontdekt.
Het moment waarop de Russische Federatie het procesbedrog door HVY in de vernietigingsprocedure aan de orde moest stellen, was immers de eerste conclusie of akte nadat dit bedrog door de Russische Federatie is ontdekt. Uitgangspunt is dat het bedrog pas is ontdekt zodra de bedrogene bekend is met alle feiten en omstandigheden die de conclusie dat sprake is van bedrog kunnen dragen en beschikt over bewijs daarvan. Voordien zal in de regel slechts sprake zijn van een gerezen verdenking of een vermoeden.38. Een gerezen verdenking of vermoeden van bedrog is niet afdoende om de bedrogene reeds te nopen om dit in de procedure aan de orde te stellen. Het bedrog moet in zijn volle omvang zijn ontdekt.39. Het hof heeft dit miskend.
Uit het oordeel van het hof volgt niet dat het met de woorden ‘bekend was of is geworden’ het oog heeft gehad op het toepasselijke criterium ‘ontdekt’, zoals dat volgt uit de artikelen 1068 Rv en 382 Rv. Uit de door het hof in rov. 6.7 en 6.8 geciteerde stellingen volgt niet dat voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg de fraude reeds in deze zin door de Russische Federatie was ontdekt. De Russische Federatie beschikte op dat moment slechts over de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en het deskundigenbericht van Prof. [professor],40. welke producties voorafgaand aan de mondelinge behandeling ook in het geding zijn gebracht en waaraan is gerefereerd in het kader van de discussie of HVY wel beschermde investeerders waren.41. Uit die verklaring blijkt niets over het gestelde bedrog: gebruik van valse verklaringen, het achterhouden van documenten, het heimelijk betalen van de kroongetuige en daarover zwijgen.
Uit de overweging door het hof dat niet relevant is dat de Russische Federatie pas later de beschikking heeft gekregen over aanvullende bewijsstukken die het gestelde procesbedrog ondersteunen, volgt ook dat het hof heeft miskend dat de partij die nog niet bekend is met alle feiten en omstandigheden die de conclusie dat sprake is van procesbedrog rechtvaardigen en die niet beschikt over bewijsstukken van dat bedrog (het bedrog moet immers in volle omvang zijn ontdekt), in de regel slechts een vermoeden of verdenking ter zake heeft.
Onbegrijpelijk oordeel moment van ontdekking procesbedrog
2.2.
Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is de (kennelijke) beslissing van het hof in rov. 6.9 dat de Russische Federatie het procesbedrog door HVY reeds in de eerste aanleg had ontdekt in de hiervoor bedoelde zin, apert onbegrijpelijk. Uit de beslissing van het hof volgt in de eerste plaats niet wat de Russische Federatie exact op welk moment wist, en op welke wijze de Russische Federatie voldoende zekerheid had dat HVY in de arbitrage bedrog hadden gepleegd en over welke bewijsstukken zij op dat moment beschikte.
Uit de door het hof in rov. 6.7 en 6.8 aangehaalde stellingen van de Russische Federatie tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg en de memorie van antwoord in hoger beroep valt in ieder geval niet af te leiden welke kennis, ondersteund met welke bewijsstukken, de Russische Federatie reeds in eerste aanleg zou hebben gehad, zodat onduidelijk is op welk moment de Russische Federatie het procesbedrog heeft ontdekt in de hiervoor bedoelde zin, zodat eveneens onbegrijpelijk/onhoudbaar is de overweging van het hof in rov. 6.9 dat de nadere uitwerking reeds in eerste aanleg gegeven kon en dus moest worden.
Voor zover het hof enig belang heeft willen toekennen aan de stelling van de Russische Federatie dat zij in 2015 en 2016 enkele stukken in handen heeft gekregen (maar dat wordt niet duidelijk uit 's hofs oordeel), maakt dat het oordeel van het hof niet alsnog begrijpelijk. Uit die stelling volgt immers niet op welk moment en op basis van welke stukken de vermoedens van de Russische Federatie zijn omgeslagen in voldoende zekerheid. Zoals gezegd beschikte de Russische Federatie in het najaar van 2015 over een tweetal verklaringen42. en een op die verklaringen gebaseerd deskundigenrapport,43. die in eerste aanleg in het geding zijn gebracht en aan de orde zijn gesteld.44. Hetgeen in die verklaringen naar voren is gebracht, is onvoldoende om een eventueel oordeel dat het vermoeden van procesbedrog naar aanleiding daarvan reeds was omgeslagen in voldoende zekerheid te kunnen dragen. Die verklaringen hebben immers met name betrekking op door HVY voorafgaand aan de arbitrage gepleegd bedrog, waarmee zij (met verhulling van de banden van de Oligarchen met HVY) de aandelen in Yukos in handen kregen en grootschalige (belasting)fraude pleegden. Over het gebruik van valse verklaringen, het doen van heimelijke betalingen aan getuigen en het achterhouden van stukken tijdens de arbitrage, wordt niet verklaard.
Daarnaast heeft de Russische Federatie in de memorie van antwoord gesteld:
- —
in par. 635 dat de beweringen door de Oligarchen over hun (gebrek aan) zeggenschap onjuist zijn gebleken, op basis van ‘documenten die sinds 2015 boven water zijn gekomen’ (waarmee niet is gezegd op welk moment in 2015 of in de jaren daarna dat het geval is geweest en of de Russische Federatie daarvan toen al kennis droeg),
- —
in par. 636 dat de onjuistheid van de verklaring van HVY volgt uit een reeks nieuw bekendgemaakte documenten en verklaringen en dat nieuw bewijsmateriaal aantoont dat de Oligarchen de zeggenschap hebben behouden over HVY,
- —
in par. 637 dat in een rechtszaak tussen zakenpartners en medewerkers van de Oligarchen over en weer ook voor het eerst bewijzen aan het licht zijn gekomen, en
- —
in par. 665 dat sinds 2015 talrijke nieuwe documenten openbaar zijn gemaakt, het grootste deel van dit nieuw bewijsmateriaal bekend is geworden als gevolg van lopende gerechtelijke procedures tussen hulppersonen van de Oligarchen onderling en dat uit dat nieuw bewijsmateriaal blijkt dat de stellingen van de Oligarchen over hun gebrek aan zeggenschap over HVY bewust onjuist zijn geweest.
Bovendien heeft de Russische Federatie als annex D bij de antwoordmemorie na verwijzing een overzicht in het geding gebracht van de bewijsstukken met betrekking tot het gestelde procesbedrog, waarbij per bewijsstuk is vermeld wanneer de Russische Federatie daarover de beschikking heeft gekregen.45. Uit annex D volgt dat uitsluitend de hiervoor bedoelde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en het daarop gebaseerde rapport van [professor] voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg beschikbaar waren. Die stukken zijn in eerste aanleg door de Russische Federatie in het geding gebracht en naar aanleiding daarvan is gesteld dat de beweringen van de Oligarchen over hun gebrek aan zeggenschap onjuist waren.46. Alle overige stukken — en met die stukken is het bedrog door HVY beetje bij beetje in volle omvang ontdekt, terwijl bovendien nog steeds stukken ontbreken (reden waarom ook een vordering ex artikel 843a Rv is gedaan) — zijn door de Russische Federatie verkregen na het vonnis in eerste aanleg.
Ten aanzien van de heimelijk en verzwegen betaling aan de kroongetuige, is de chronologie als volgt:
- °
20 april 2016: vonnis rechtbank;
- °
7 juni 2016: verklaring [getuige 3] waaruit blijkt dat [betrokkene 3] is betaald. De Russische Federatie was niet aanwezig bij het verhoor van [getuige 3]
- °
28 november 2017: memorie van antwoord;
- °
25 april 2018: verklaring [getuige 4].47.
In het licht van het voorgaande is een eventueel oordeel van het hof dat de Russische Federatie reeds in eerste aanleg het procesbedrog door HVY heeft ontdekt in de hiervoor bedoelde zin, apert onbegrijpelijk, omdat uit de hiervoor aangehaalde stellingen van de Russische Federatie en de in het geding gebrachte stukken (waaronder producties RF-200, RF-201 en RF-202 en annex D) niet volgt dat het procesbedrog reeds in eerste aanleg was ontdekt. Er was toen slechts sprake van een verdenking.48. De Russische Federatie kon en behoefde het bedrog dan ook niet in de eerste aanleg aan de orde stellen.
Voor zover het hof in de door hem aangehaalde stellingen van de Russische Federatie — rov. 6.7–6.8 — heeft gelezen dat zij het bedrog wel in de hiervoor bedoelde zin gedurende de eerste aanleg had ontdekt, berust die lezing op een volstrekt onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van de Russische Federatie, zulks met name in het licht van de weergave in de processtukken wanneer zij met welk bewijsstuk bekend is geworden.49. Uit de door het hof aangehaalde stellingen van de Russische Federatie in feitelijke aanleg, kan niet worden afgeleid dat de Russische Federatie afdoende zekerheid met betrekking tot het procesbedrog had.
Terughoudendheid geboden — herstelfunctie hoger beroep
2.3
Zoals Uw Raad in het arrest van 5 november 2021 in rov. 5.1.14 overwoog, is het in beginsel mogelijk om in zaken als de onderhavige in hoger beroep een nadere uitwerking te geven van een reeds bij dagvaarding aangevoerde vernietigingsgrond, waarbij zo nodig een omissie wordt hersteld. Dat betekent dat de herstelfunctie in hoger beroep onverkort geldt, zij het dat in procedures als de onderhavige als uitgangspunt geldt dat in ieder geval alle op de zaak toepasselijke vernietigingsgronden zoals bedoeld in artikel 1065 lid 1 aanhef en sub e in de dagvaarding moeten zijn opgenomen.50. Evenals in hoger beroep in ‘reguliere’ civiele zaken wordt die mogelijkheid om een omissie te herstellen (door het aanvoeren van nieuwe feiten en eventuele nieuwe gronden) beperkt door de gewone regels voor het hoger beroep, zoals artikel 130 Rv, waarbij de gegeven nadere uitwerking in strijd kan zijn met de goede procesorde.
In het arrest van Uw Raad van 22 januari 199951. is in rov. 3.3 geoordeeld dat het hoger beroep mede ertoe strekt de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Op zichzelf genomen is niet uitgesloten dat de appèlrechter een nieuwe stelling of verweer in hoger beroep in strijd met de goede procesorde acht, maar de appelrechter moet daarmee in verband met voormelde strekking van het hoger beroep terughoudend zijn. Het hof heeft dat miskend.
Deze vereiste terughoudendheid bij het (de facto) ontzeggen van de mogelijkheid om in hoger beroep een omissie te herstellen geldt des te sterker in gevallen als deze, waarin sprake is van bedrog, het achterhouden van stukken en het gebruiken van valse verklaringen (mede verkregen tegen betaling). Het hof heeft niet geoordeeld dat het gestelde procesbedrog door HVY niet zou hebben plaatsgevonden, zodat er in cassatie veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat de gewraakte gedragingen door HVY inderdaad hebben plaatsgevonden. Deze gedragingen zijn zonder meer zeer ernstig te noemen en raken de kern van de arbitrale procedure en het recht op een eerlijk proces. HVY hebben aldus een fundamenteel beginsel van procesrecht geschonden: het beginsel van hoor en wederhoor.
In zijn conclusie vóór HR 20 juni 2003 schreef AG Huydecoper reeds over procesbedrog door een der partijen en de ruimte die in verband daarmee aan de wederpartij moeten worden geboden om dit aan de orde te stellen (voetnoten met de oorspronkelijke nummering):
- ‘17.
Als wij dat betrekken op het hier te beoordelen geval: wie door bedrog op het verkeerde been wordt gezet, reageert niet altijd adequaat (effectief bedrog is er trouwens vaak op gericht, een adequate ‘afweerreactie’ zo mogelijk te voorkomen). Een inadequate reactie behoort, (ook) omdat die niet zelden mede als (het beoogde) gevolg van het bedrog mag worden aangemerkt, niet zonder meer ten laste van de bedrogen partij te worden gebracht (en daarmee de bedrieger van aansprakelijkheid te ontheffen). Ik denk, met de schriftelijke toelichting namens de Waterschappen, dat dit, als het gaat om rekest-civiel, een verbijzondering is van de gedachte die ook ten grondslag ligt aan de beperkte ruimte die degene aan wie bedrog in de zin van art. 3:44 BW wordt verweten, toegemeten krijgt om zich te beroepen op domheid of onhandigheid van de bedrogene en, meer in het algemeen, de beperkte ruimte die in het leerstuk van de ‘eigen schuld’ wordt gehanteerd als de laedens aan wie een ernstig verwijt te maken valt, zich beroept op een minder gelukkig uitgepakte reactie van de benadeelde.52.
- 18.
De procespartij die willens en weten of met ‘grof verzuim’ een misleidende voorstelling van zaken naar voren brengt — ik herinner er aan dat dit valt binnen de veronderstelling waarvan in deze cassatieprocedure moet worden uitgegaan — zal er, naar in de rede ligt, vaak op speculeren dat die voorstelling van zaken niet adequaat door de wederpartij wordt weerlegd — dat is immers ‘the whole purpose of the exercise’. Dan kan een algemene regel die ertoe strekt dat de niet-adequaat reagerende wederpartij geen beroep op de misleidende opstelling van de ander mag doen, geen goed recht zijn. Daarentegen ligt het omgekeerde voor de hand: behalve in bijzondere, door de verweerder te onderbouwen uitzonderingsgevallen, komt het feit dat de wederpartij niet adequaat heeft gereageerd voor rekening en risico van degeen die het erop heeft aangelegd, die wederpartij op het verkeerde been te zetten.’53.
Het hof heeft er met zijn overwegingen en beslissingen in rov. 6.9 en 6.10 geen blijk van gegeven de vereiste terughoudendheid in acht te hebben genomen bij het beperken van de mogelijkheden van de Russische Federatie om haar stellingen met betrekking tot de strijd van de Awards met de openbare orde in hoger beroep nader uit te werken met procesbedrog door HVY. Dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Het hof heeft bovendien ten onrechte een eventueel ontijdig beroep door de Russische Federatie op het procesbedrog door HVY in de arbitrages niet voor rekening en risico van HVY gelaten. Indien en voor zover de Russische Federatie al niet voldoende adequaat zou hebben gereageerd op de stukken die in de loop van de vernietigingsprocedure boven water kwamen (quod non), dan is die reactie het directe gevolg van het procesbedrog door HVY, die dat immers verborgen wilden houden. HVY hebben ook geen bijzondere feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Voor zover het hof dergelijke bijzondere omstandigheden heeft afgeleid uit de stellingen van HVY, is het oordeel van het hof in dat opzicht onbegrijpelijk. HVY hebben ter zake niets aangevoerd.
De pot verwijt de ketel
2.4
In feitelijke aanleg heeft de Russische Federatie er ook op gewezen dat het niet aangaat dat HVY zich er — in het licht van het door hen gepleegde procesbedrog waarvan in ieder geval veronderstellenderwijs moet worden aangenomen dat dat heeft plaatsgevonden54. — op zouden kunnen beroepen dat de nadere uitwerking van de openbare orde-grond door de Russische Federatie met dat later ontdekte procesbedrog in strijd zou zijn met de goede procesorde.55. Dat HVY, die zelf met het procesbedrog de arbitrale procesorde en, door het bedrog voor de overheidsrechter vol te houden, de goede procesorde hebben geschonden zich thans verweren met een beroep op de goede procesorde, is een kwestie van de pot die de ketel verwijt dat hij zwart ziet. Ook in dit opzicht kan worden gewezen op de opmerkingen van AG Huydecoper zoals hiervoor weergegeven in subonderdeel 2.3.
In lijn met hetgeen hiervoor is aangevoerd met betrekking tot de doorwerking ernst van de gedragingen van HVY in de goede procesorde, mag een beroep op de goede procesorde door een partij die zelf procesbedrog heeft gepleegd — omdat dit procesbedrog door diens wederpartij niet tijdig aan de orde zou zijn gesteld — niet, althans niet snel worden gehonoreerd. Een dergelijke partij handelt immers in strijd met de waarheid van artikel 21 Rv, hetgeen strenge sancties rechtvaardigt, terwijl die partij — door het bedrog in de vernietigingsprocedure voort te zetten — zelf op manifeste wijze in strijd met de goede procesorde handelt. Op de stellingen van de zijde van de Russische Federatie56. ter zake is door het hof niet (afdoende) gerespondeerd. Daarmee zijn 's‑hofs oordelen in rov. 6.5, 6.9 en 6.10, die erop neerkomen dat het standpunt van HVY dat de nadere uitwerking van de openbare orde-grond door de Russische Federatie in strijd is met de goede procesorde moet worden gevolgd, ook onbegrijpelijk.
Goede procesorde — eerste conclusie of akte
2.5.
In rov. 6.5 neemt het hof — terecht — tot uitgangspunt dat beoordeeld moet worden of de nadere uitwerking van de openbare orde-grond met een beroep op procesbedrog (al dan niet later) is gegeven (dan) in de eerstvolgende conclusie of akte nadat het bedrog bekend is geworden. In rov. 6.9 oordeelt het hof vervolgens dat de Russische Federatie met het procesbedrog ‘reeds in eerste aanleg bekend was of is geworden’ en dat de Russische Federatie in eerste aanleg ‘daarop geen beroep heeft gedaan bij het uitwerken van de aangevoerde vernietigingsgronden’. De Russische Federatie heeft volgens het hof niets aangevoerd waaruit blijkt dat zij daartoe niet in staat was of dat anderszins een toereikende reden vormt voor het achterwege laten daarvan. De nadere uitwerking bij memorie van antwoord was daarom volgens het hof in strijd met de goede procesorde.
De Russische Federatie heeft gesteld dat zij het procesbedrog in de eerste conclusie of akte (de memorie van antwoord) aan de orde heeft gesteld.57. In rov. 6.9 heeft het hof niet geoordeeld dat de nadere uitwerking door de Russische Federatie niet heeft plaatsgevonden in de eerstvolgende conclusie of akte na ontdekking van het procesbedrog, althans niet gespecificeerd in welke conclusie of akte in eerste aanleg de Russische Federatie dat dan aan de orde had kunnen stellen. In cassatie moet er dan ook — op zijn minst veronderstellenderwijs — van worden uitgegaan dat deze nadere uitwerking heeft plaatsgevonden in de eerste conclusie of akte na ontdekking van het procesbedrog: de memorie van antwoord. Het oordeel van het hof dat de nadere uitwerking door de Russische Federatie in strijd is met de goede procesorde getuigt dan in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot hetgeen de goede procesorde inhoudt.
Goede procesorde — eerste conclusie of akte, onbegrijpelijk oordeel
2.6.
Indien en voorzover in het oordeel van het hof — rov. 6.5 en 6.9 — besloten zou liggen dat de Russische Federatie het procesbedrog niet in de eerste conclusie of akte aan de orde zou hebben gesteld, is die beslissing (mede in het licht van hetgeen Uw Raad heeft overwogen in het arrest van 5 november 2021; rov. 5.1.16) overigens ook niet, althans niet zonder nadere motivering (welke nadere motivering ontbreekt), begrijpelijk.
De (overigens onjuiste en/of onvoldoende gemotiveerde) vaststelling door het hof dat de Russische Federatie ‘reeds in eerste aanleg’ bekend was met het procesbedrog kan de beslissing van het hof in ieder geval niet dragen. ‘Reeds in eerste aanleg’ is een zeer ruim begrip en laat de mogelijkheid open dat het procesbedrog op een zodanig laat tijdstip door de Russische Federatie is ontdekt, dat er eenvoudigweg geen eerstvolgende conclusie of akte meer voorhanden was om de kwestie aan de orde te stellen. Zonder vast te stellen op welk moment de Russische Federatie voldoende zekerheid had met betrekking tot het procesbedrog om dit in de procedure aan de orde te stellen, kon het hof niet (impliciet) vaststellen dat er in de eerste aanleg nog een gelegenheid was om dat te doen in een conclusie of akte, zodat het hof ook niet kon oordelen dat de Russische Federatie dat in de eerste aanleg had moeten doen en derhalve ook niet dat de nadere uitwerking door de Russische Federatie in hoger beroep in strijd was met de goede procesorde.
Zoals hiervoor reeds is aangevoerd, heeft de Russische Federatie de stukken die zij in het najaar van 2015 in handen kreeg voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg in het geding gebracht, en zij heeft daaraan tijdens de mondelinge behandeling ook aandacht besteed, door te stellen dat de beweringen van de Oligarchen over hun (gebrek aan) zeggenschap in HVY onjuist zijn geweest.58. Zoals hiervoor ook reeds is aangevoerd, had de Russische Federatie met die stukken te weinig in handen om het reeds bestaande vermoeden van procesbedrog te laten omslaan in ontdekking daarvan; het overgrote deel van de bewijsstukken met betrekking tot het procesbedrog is immers pas na het vonnis in eerste aanleg beschikbaar gekomen en zelfs pas na het tussenarrest van het gerechtshof Den Haag van 25 september 2018 waarin het hof ten onrechte besliste dat de kwestie rond het procesbedrog niet aan de orde kon worden gesteld in een vernietigingsprocedure.59. Het procesbedrog is derhalve geenszins in volle omvang gedurende de eerste aanleg ontdekt, terwijl de Russische Federatie ten tijde van het vonnis ook bij lange na niet over relevante bescheiden kon beschikken.
De beslissing van het hof dat de Russische Federatie niets zou hebben aangevoerd waaruit zou blijken dat zij niet eerder in staat was om het procesbedrog aan de orde te stellen of dat anderszins een toereikende reden vormt om dat niet reeds tijdens de eerste aanleg te doen, kan evenmin stand houden. Zoals hiervoor reeds naar voren is gebracht, heeft de Russische Federatie uitdrukkelijk vermeld op welke momenten zij welke bewijsstukken met betrekking tot het procesbedrog in handen heeft gekregen.60. Daaruit volgt dat het procesbedrog pas na de eerste aanleg in haar volle omvang is ontdekt, zodat met die vermeldingen is gegeven waarom de Russische Federatie niet eerder in staat was het procesbedrog aan de orde te stellen.
Bovendien zien de stellingen die het gerechtshof in rov. 6.7 en 6.8 aanhaalt ter onderbouwing van zijn oordeel dat — kort gezegd — de Russische Federatie maar eerder had moeten ‘piepen’, uitsluitend op de zeggenschap door de Oligarchen over HVY en hun onjuiste beweringen daarover. Indien en voor zover daaruit al zou kunnen worden afgeleid dat de Russische Federatie eerder bekend zou zijn geweest met het feit dat de beweringen van de Oligarchen bewust in strijd met de waarheid waren, dan geldt nog dat daarmee nog niet vaststaat dat de Russische Federatie het bedrog ter zake ook in volle omvang had ontdekt en evenmin dat de klachten van de Russische Federatie naar aanleiding van de eerder door HVY achtergehouden stukken (die later alsnog boven water zijn gekomen) en over de heimelijke betalingen door HVY aan hun kroongetuige ook nog in de eerste aanleg aan de orde konden worden gesteld. Met betrekking tot die klachten staat immers vast dat de Russische Federatie pas later de hand heeft weten te leggen op stukken ter zake, zodat zij ook pas later bekend is geworden met het bedrog dat ook in dat opzicht gepleegd is.
Ambtshalve beoordeling openbare orde
2.7.
Indien en voor zover het hof bedoeld zou hebben te beslissen dat de Russische Federate met producties RF-200, RF-201 en RF-202 (waaraan wordt gerefereerd in aangehaalde passages in rov. 6.7) reeds voldoende zekerheid had om het procesbedrog aan de orde te stellen, zij in de eerste plaats herhaald dat een oordeel van die strekking onbegrijpelijk is, gelet op de inhoud van die producties, terwijl in die producties bovendien slechts de zeggenschap over HVY aan de orde komt (en dan nog niet eens volledig) en het andere geconstateerde procesbedrog — te weten: betalingen aan getuigen en feiten die zijn gebleken uit eerder achtergehouden stukken — daaruit niet blijkt.
Indien en voorzover in voormelde producties en de stellingen daaromtrent van de zijde van de RF, zoals weergegeven in rov. 6.7, wel voldoende aanleiding zou kunnen worden gevonden om te verlangen dat het procesbedrog reeds in eerste aanleg door de Russische Federatie aan de orde werd gesteld, dan geldt nog het volgende. Zoals hiervoor vermeld heeft de Russische Federatie deze producties voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg (de eerste procesverrichting nadat zij deze producties in handen kreeg) in het geding gebracht en naar aanleiding daarvan gesteld dat de beweringen van de Oligarchen over het gebrek aan zeggenschap over HVY derhalve onjuist zijn geweest. Die stelling is aangevoerd in het kader van de kwestie rond de jurisdictie van het scheidsgerecht, namelijk de discussie over de vraag of HVY wel investeerders waren in de zin van het ECT.61.
Indien in die stellingen van de Russische Federatie in theorie voldoende grond gevonden zou kunnen worden voor een oordeel door de rechtbank dat de Awards in strijd zijn met de openbare orde — de eis dat bedrog in de eerste conclusie of akte na ontdekking daarvan aan de orde moet worden gesteld impliceert immers dat er dan in theorie ook voldoende grond moet zijn om een dergelijk beroep te honoreren, anders is het niet zinvol om in dat stadium reeds een beroep op procesbedrog te doen — dan lag het op de weg van de rechter om aan de hand van die stellingen ambtshalve te beoordelen of sprake was van strijd met de openbare orde. Daarmee zouden dan in ieder geval voldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die een oordeel zouden kunnen dragen dat de Awards in strijd zijn met de openbare orde, waarmee de kwestie derhalve door de Russische Federatie aan de orde is gesteld.
De rechtbank kwam aan beantwoording van die vraag niet toe, omdat zij van oordeel was dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbrak. Gelet op het feit dat de rechter ambtshalve moet beoordelen of een arbitraal vonnis in strijd is met de openbare orde (zeker in het geval van schending van een fundamenteel beginsel van procesrecht, zoals hoor en wederhoor), en de rechtbank niet aan beoordeling van die stellingen kon toekomen, behoorde het hof dat in hoger beroep alsnog ambtshalve te doen en stond het de Russische Federatie ook vrij om in hoger beroep de door haar reeds eerder aangevoerde openbare orde-grond expliciet nader uit te werken met een beroep op dat procesbedrog, zeker omdat het overgrote deel van de bewijsstukken ter zake pas na de eerste aanleg beschikbaar zijn gekomen.
Het hof Den Haag kwam evenmin aan die (ambtshalve) beoordeling toe, omdat het — ten onrechte — van oordeel was dat het debat over het procesbedrog niet tuis hoorde in de vernietigingsprocedure. Na het arrest van Uw Raad in deze zaak van 5 november 2021 had het hof Amsterdam een en ander (al dan niet ambtshalve) moeten beoordelen. Het hof heeft dat nagelaten en derhalve miskend.
In het licht van het voorgaande geldt bovendien dat HVY reeds in eerste aanleg bekend waren met de stellingen van de zijde van de Russische Federatie met betrekking tot de onjuistheid van de beweringen door de Oligarchen over een beweerdelijk gebrek aan zeggenschap over HVY. Die stellingen waren voor HVY derhalve niet nieuw en bemoeilijkten HVY ook niet onnodig in hun verdediging. Dit noopt temeer tot terughoudendheid aan de zijde van de rechter, indien deze de toelaatbaarheid van een nadere uitwerking van een openbare orde-grond in hoger beroep moet beoordelen (zie subonderdeel 1.3). In zoverre is ook geen sprake van een radicale koerswijziging door de Russische Federatie met betrekking tot dat aspect van het door hen geconstateerde procesbedrog.62. Ook dat heeft het hof miskend, althans — voor zover het hof van oordeel zou zijn dat HVY ter zake in hun verdediging werden bemoeilijkt — is het oordeel van het hof ter zake onbegrijpelijk.
Niet (separaat per vernietigingsgrond) beslist
2.8.
Zoals hiervoor reeds is aangevoerd, vallen de door de Russische Federatie aangevoerde gronden waarom de Awards in strijd zijn met de openbare orde, uiteen in drie onderdelen: 1) het indienen van valse verklaringen, 2) het achterhouden van documenten die relevant zijn voor cruciale geschilpunten in de arbitrages en 3) het doen van geheime betalingen aan de kroongetuige van HVY, waarover HVY vervolgens heeft gezwegen.63. Door te overwegen en beslissen zoals het hof heeft gedaan in rov. 6.9, heeft het hof miskend dat het gehouden was om met betrekking tot ieder van die aangevoerde gronden separaat te beoordelen of die grond tijdig naar voren is gebracht. Dit volgt uit de jurisprudentie van Uw Raad betrekking tot de gronden voor herroeping zoals bedoeld in artikel 382 Rv, welk juridisch kader — het zij herhaald — ook hier van toepassing is.64.
Dat betekent dat het hof met betrekking tot ieder van de door de Russische Federatie aangevoerde gronden separaat moest beoordelen wanneer de Russische Federatie deze grond heeft ontdekt in de hiervoor bedoelde zin. Door te oordelen zoals het hof heeft gedaan, heeft het in wezen uitsluitend beslist over de onware verklaringen van HVY met betrekking tot het gebrek aan zeggenschap van de Oligarchen en niet over de andere gronden, terwijl het hof vervolgens wel oordeelt dat de volledige nadere uitwerking door de Russische Federatie van de openbare orde-grond tardief en derhalve in strijd met de goede procesorde is.
Dat oordeel is onjuist — omdat het hof separaat per grond moest beoordelen wanneer de Russische Federatie die grond had ontdekt, welk moment bepalend is voor de vraag wanneer deze aan de orde moest worden gesteld — althans, zonder vaststelling door het hof wanneer de Russische Federatie de andere gronden voor vernietiging ontdekte, volstrekt onbegrijpelijk.
Samenhangende beslissingen
2.9.
Het slagen van een van de hiervoor voorgestelde subonderdelen vitieert ook het ‘schot voor de boeg’ dat het hof in rov. 1 van het bestreden arrest geeft, alsmede het oordeel in rov. 6.5 dat het beroep van de Russische Federatie op bedrog in strijd is met de goede procesorde en de conclusie van het hof in rov. 6.10 dat de arbitrale vonnissen niet vanwege bedrog behoren te worden vernietigd, zodat het hof een zelfde beslissing geeft zoals het gerechtshof Den Haag op 18 februari 2020 heeft gedaan.
Onderdeel 3 — Obiter dictum aanvullende documenten
Inleiding
Zoals hiervoor reeds aan de orde is gekomen, heeft de Russische Federatie in de memorie van antwoord haar beroep op strijd van de Awards met de openbare orde in hoger beroep (tijdig) nader uitgewerkt met een beroep op procesbedrog. Bij de memorie van antwoord heeft de Russische Federatie in dat verband de stukken in het geding gebracht waarover zij op dat moment beschikte.65. Uit annex D blijkt wanneer de Russische Federatie de beschikking heeft gekregen over de verschillende bewijsstukken die het procesbedrog door HVY bewezen.
HVY hebben op annex D geen gemotiveerd verweer gevoerd; zij hebben volstaan met een (blote) ontkenning dat uit productie RF-527 zou volgen dat bepaalde stukken na 18 september 2018 in handen van de Russische Federatie zijn gekomen.66. Ter bediening van Uw Raad wordt Annex D aan deze procesinleiding gehecht (Bijlage 2). Het hof heeft de juistheid van de inhoud van annex D en de daarin vermelde momenten waarop de Russische Federatie de betreffende stukken in handen kreeg in het midden gelaten. De daarin vermelde data over en wanneer welk document bij de Russische Federatie bekend is geworden, staan daarmee (in ieder geval) hypothetisch feitelijk vast. Daarbij wordt opgemerkt dat het op de weg van HVY lag om aan te tonen dat hun beroep op strijd met de goede procesorde gegrond was, zodat het ook op hun weg lag om aan te tonen dat de Russische Federatie reeds eerder over bedoelde documenten beschikte. De (blote) ontkenning door HVY was daartoe niet afdoende; zij hebben in zoverre niet aan hun stelplicht voldaan.
Bij tussenarrest d.d. 25 september 2018 heeft het hof Den Haag — ten onrechte — geoordeeld dat de nadere uitwerking door de Russische Federatie van haar beroep op het procesbedrog door HVY niet aan de orde kon komen in de vernietigingsprocedure, maar thuishoorde in een herroepingsprocedure. Het procesbedrog is dientengevolge in de procedure voor hof Den Haag niet meer aan de orde gekomen. Dat oordeel is door Uw Raad vernietigd. Na cassatie en verwijzing lag de nadere uitwerking van de openbare orde-grond met het beroep door de Russische Federatie op procesbedrog, gepleegd in de arbitrage door HVY, voor aan hof Amsterdam.
Hof Amsterdam heeft in het hier bestreden arrest geoordeeld dat de aandeelhoudersovereenkomst (Shareholders Agreement) van 5 april 2000 en de toetredingsakte (Deed of Accession) van 3 april 200367. te laat door de Russische Federatie in het geding zijn gebracht, want pas in de procedure na verwijzing ten behoeve van het beroep op bedrog (rov. 6.16 en 6.20). Volgens het hof hadden de documenten ook relevant kunnen zijn in het debat over zeggenschap dat voor het eerste cassatieberoep aan de orde was, zodat de documenten toen reeds in het geding gebracht hadden moeten worden (rov. 6.18 en 6.19). Niet zou vaststaan dat de Russische Federatie de betreffende documenten pas na 18 september 2018 in handen heeft gekregen (rov. 6.17). Het oordeel van het hof is onjuist en/of onbegrijpelijk.
Klachten
3.1.
Voor zover het hof in rov. 6.17 aan zijn beslissing mede ten grondslag heeft gelegd dat niet is komen vast te staan dat de Russische Federatie bedoelde documenten pas na 18 september 2018 (het tussenarrest waarin ten onrechte werd geoordeeld dat het beroep op procesbedrog niet in de vernietigingsprocedure aan de orde kon komen), is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de bewijslastverdeling in dezen, althans is zijn beslissing onbegrijpelijk.
3.1.a
Uitgangspunt is dat het toegelaten is om een beroep op strijd met de openbare orde in de loop van het geding nader uit te werken met een beroep op procesbedrog in de arbitrage (mits dat bedrog is ontdekt na de arbitrage). Een dergelijke nadere uitwerking kan in strijd zijn met de goede procesorde, onder meer indien deze niet plaatsvindt in de eerste conclusie of akte na de ontdekking van het bedrog.
HVY hebben gesteld dat de — in beginsel toegelaten — nadere uitwerking in strijd is met de goede procesorde. Het is dan aan HVY om hun beroep op strijd met de goede procesorde voldoende handen en voeten te geven, in dit geval door aannemelijk te maken dat de Russische Federatie de betreffende documenten al vóór 18 september 2018 heeft verkregen (en dan zo tijdig dat de Russische Federatie die vóór het tussenarrest nog in het geding had kunnen brengen), en dat de Russische Federatie de documenten vervolgens niet bij de eerste conclusie of akte in het geding heeft gebracht. Het hof heeft niet geoordeeld dat de juistheid van de stellingen van de Russische Federatie over het moment van verkrijging in het licht van stellingen van de zijde van HVY niet is komen vast te staan. Gelet op het gebrek aan gemotiveerde stellingen terzake van HVY lag dat overigens ook niet voor de hand; HVY hebben terzake niet aan hun stelplicht voldaan.68.
Voorzover in de door het hof gebruikte bewoordingen ‘… is ook niet aannemelijk gemaakt’ moet worden gelezen dat het hof van oordeel was dat het aan de Russische Federatie was om aannemelijk te maken dat zij de documenten na 18 september 2018 had verkregen, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting over de bewijslastverdeling.
Met betrekking tot de termijn voor herroeping schrijft Snijders:
‘Voorop staat, dat het mogelijk moet zijn een arbitraal vonnis dat berust op ernstige aan de wederpartij van belanghebbende toe te rekenen vergrijpen, te redresseren: de termijn hiervoor is slechts van secundair belang (het ligt dan ook in het algemeen niet voor de hand, eiser in de herroepingsprocedure te belasten met het bewijs waarop hij het bedrog, de valsheid of achterhouding ontdekte).’ 69.
Hetgeen Snijders schrijft, is in lijn met de overwegingen van Uw Raad in rov. 5.1.15 van het arrest van 5 november 2021 dat de drie maanden-termijn ‘slechts’ de rechtszekerheid dient en dat de wederpartij, indien reeds een beroep is gedaan op strijd met de openbare orde, er rekening mee kan houden dat dat beroep later wordt uitgewerkt met ontdekt procesbedrog. Het redresseren van bedrog in de arbitrage weegt derhalve zwaarder dan het (krampachtig) vasthouden aan termijnen. Dat is ook logisch, omdat bedrog in de (arbitrage)procedure de kern van een eerlijk proces raakt. In het verlengde daarvan is eveneens logisch om de betreffende partij die stelt dat bepaalde stukken reeds eerder aan de bedrogene ter beschikking stonden, zodat de bedrogene maar eerder had moeten ageren, te belasten met het bewijs daarvan. Het hof heeft dat miskend.
In dat opzicht kan ook in herinnering worden gebracht hetgeen AG Huydecoper schreef in zijn conclusie vóór HR 20 juni 2003:
- ‘18.
(…) Daarentegen ligt het omgekeerde voor de hand: behalve in bijzondere, door de verweerder te onderbouwen uitzonderingsgevallen, komt het feit dat de wederpartij niet adequaat heeft gereageerd voor rekening en risico van degeen die het erop heeft aangelegd, die wederpartij op het verkeerde been te zetten.’ 70.
Daaruit kan worden afgeleid dat ook AG Huydecoper van mening was dat de bewijslast van de gronden voor het beroep van de bedriegende partij op strijd met de goede procesorde, door die partij moet worden bewezen. Het gaat daarbij dan bovendien om bijzondere uitzonderingsgevallen; de lat voor de bedriegende partij ligt dus hoog. Ook dat heeft het hof miskend.
3.1.b.
Indien en voor zover het hof niet heeft miskend dat het aan HVY was om — in het kader van de onderbouwing van hun stelling dat het beroep door de Russische Federatie op procesbedrog in strijd is met de goede procesorde — aan te tonen dat de Russische Federatie bedoelde documenten al vóór 18 september 2018 had verkregen, is de kennelijke beslissing van het hof dat HVY hun stellingen ter zake voldoende hebben onderbouwd, apert onbegrijpelijk in het licht van de rudimentaire en onvoldoende toegelichte stellingen van HVY ter zake.71.
3.2.
Voor zover het hof in rov. 6.17, 6.18 en 6.19 heeft geoordeeld dat de Russische Federatie de documenten reeds in het geding had moeten brengen in de periode tussen het tussenarrest van 25 september 2018 en het (eerste) eindarrest van 18 februari 2020 namelijk in het debat rond de zeggenschap over HVY (onder meer in het kader van het unclean hands verweer), en dat de omstandigheid dat de Russische Federatie dat pas later — na cassatie en verwijzing — heeft gedaan, maakt dat de stukken te laat zijn overgelegd, getuigt ook dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die beslissing eveneens onbegrijpelijk.
3.2.a.
De enkele omstandigheid dat de betreffende stukken door de Russische Federatie in de procedure in hoger beroep voor cassatie en verwijzing niet ten grondslag zijn gelegd aan hun stellingen met betrekking tot de zeggenschap door de Oligarchen over HVY, maakt nog niet dat de Russische Federatie die stukken niet later alsnog ten grondslag mag leggen aan haar nadere uitwerking van de openbare orde-grond met procesbedrog. Het hof heeft dat miskend.
3.2.b.
Voor zover het hof dat niet zou hebben miskend, is de beslissing van het hof ter zake apert onbegrijpelijk. Aan de discussie rond het inmiddels ontdekte procesbedrog was met het tussenarrest van het hof Den Haag van 25 september 2018 voorlopig een einde gekomen, zodat het voor de Russische Federatie niet aan de orde was om daarna de betreffende documenten in het kader van dat geschilpunt alsnog aan het hof over te leggen. Deze documenten waren immers verkregen na dat tussenarrest.72. In het kader van de onderbouwing van de stellingen van de Russische Federatie met betrekking tot het procesbedrog, kan de omstandigheid dat de documenten niet zijn overgelegd in de periode tussen 25 september 2018 en 18 februari 2020, derhalve niet leiden tot het oordeel dat de documenten te laat zijn overgelegd. De eerste gelegenheid waarbij de stukken vervolgens in het geding gebracht konden worden met betrekking tot de nadere uitwerking van de openbare orde-grond, was de antwoordmemorie na verwijzing, toen die discussie weer actueel werd. Bij die antwoordmemorie zijn de documenten ook daadwerkelijk in het geding gebracht (als productie RF-526). Het oordeel van het hof dat dat te laat zou zijn, is in het licht van het voorgaande dan ook apert onbegrijpelijk.
Het oordeel van het hof komt erop neer dat het de Russische Federatie in de fase van het hoger beroep gelegen tussen het tussenarrest en het eindarrest van het hof Den Haag niet toegestaan was om het bedrog door HVY (verder) aan de orde te stellen en derhalve ook niet om ter zake nadere stukken in het geding te brengen, terwijl na cassatie en verwijzing de Russische Federatie wordt verweten dat zij diezelfde stukken maar eerder, vóór de eerste cassatieprocedure, in het geding had moeten brengen. Indien dat oordeel stand zal houden, zal daarmee de Russische Federatie de mogelijkheid worden ontzegd om haar beroep op het procesbedrog door HVY op behoorlijke wijze aan de rechter voor te leggen. Daarmee zal aan de Russische Federatie — ten onrechte — het recht op een eerlijk proces worden onderhouden.
3.2.c.
Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat, indien en voor zover uit de overwegingen van het hof in rov. 6.17, 6.18 en 6.19 zou volgen dat het hof zou hebben geoordeeld dat de Russische Federatie de betreffende documenten exact op 18 september 2018 zou hebben ontvangen, ook dat apert onbegrijpelijk is. Uit de stellingen van de Russische Federatie (onder meer onderbouwd met annex D met vermelding van het moment waarop deze werden verkregen en de vindplaatsen in de processtukken waarin naar deze documenten wordt verwezen ter onderbouwing van het door de Russische Federatie gestelde bedrog door HVY) volgt immers dat de Russische Federatie het overgrote deel van de documenten (waaronder de aandeelhoudersovereenkomst en de akte van toetreding) na 18 september 2018 heeft ontvangen. Dat staat veronderstellenderwijs vast en dient als uitgangspunt in cassatie.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat van de Russische Federatie mocht worden verwacht dat zij deze documenten reeds in de procedure voor cassatie en verwijzing in het geding zou hebben gebracht, dan is zonder nadere motivering, welke motivering ontbreekt, bovendien onduidelijk welke stukken op exact welk moment door de Russische Federatie in het geding gebracht konden worden (met betrekking tot vele documenten blijkt uit annex D slechts dat deze verkregen zijn na 18 september 2018, zonder exacte datum), zodat eveneens onduidelijk is of en, zo ja, waarom de stukken te laat zijn ingediend. ‘Na 18 september 2018’ omvat immers ook de periode na het eerste eindarrest op 20 februari 2020. Het spreekt voor zich dat documenten die zijn ontvangen na 20 februari 2020 hoe dan ook niet in de procedure in hoger beroep voor cassatie en verwijzing konden worden overgelegd.
De Russische Federatie heeft vele documenten in het geding gebracht (vermeld in annex D) die van belang waren voor het ontdekte procesbedrog. De door de Russische Federatie overgelegde bewijsmiddelen van het procesbedrog zijn niet beperkt tot de twee documenten waartoe het hof zich heeft beperkt in zijn beslissing (productie RF -526: de toetredingsakte met aangehecht de aandeelhoudersovereenkomst). Door uitsluitend te oordelen over deze twee documenten, is ook in dat licht het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd, omdat het door de Russische Federatie aan de orde gestelde procesbedrog ook blijkt uit de overige 49 documenten.73.
3.3.
Indien en voor zover het hof aan zijn oordeel — rov. 6.16 en 6.20 — dat de overlegging door de Russische Federatie van productie RF-526 in de procedure na cassatie en verwijzing in strijd is met de goede procesorde, mede ten grondslag heeft gelegd dat het tijdstip van overlegging HVY zou schaden in hun verdediging, dan is dat oordeel eveneens apert onbegrijpelijk. In de eerste plaats hebben HVY een dergelijke stelling niet aangevoerd en in de tweede plaats kenden HVY de betreffende documenten reeds lang. Zij hadden die documenten immers bewust zelf in de arbitrages achtergehouden, dat staat (in ieder geval) hypothetisch feitelijk vast.74.
3.4.
Het voorgaande vitieert uiteraard ook het ‘schot voor de boeg’ door het hof in rov 1, alsmede de beslissingen van het hof in rov. 6.16 en 6.20 dat de Russische Federatie de documenten te laat in het geding heeft gebracht.
Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat het hof de juistheid in het midden laat van de conclusies die de Russische Federatie aan deze documenten verbindt, namelijk dat de Oligarchen de zeggenschap hadden over HVY en dus over Yukos, hetgeen met zich brengt dat hier in feite sprake was van een investering die buiten de werking van het ECT viel (onder meer was er geen sprake van door de ECT beschermde investeringen, waren HVY geen investeerders in de zin van de ECT, etc), zodat de vorderingen van HVY in de arbitrages hadden moeten worden afgewezen en dat HVY een en ander met list en bedrog voor het scheidsgerecht verborgen hebben gehouden. Van de juistheid van die conclusies moet derhalve worden uitgegaan. De (summiere) overwegingen van het hof over de inhoud van die documenten doet daar niet aan af. Het hof laat immers in het midden of het aldaar overwogene afdoet aan de conclusies van de Russische Federatie ter zake.
Onderdeel 4 — Zeggenschapskwestie is wel van belang
Inleiding
Criterium is of de arbiters tot andere beslissingen zouden hebben kunnen komen Bedrog
HVY zijn postbusvennootschappen zonder eigen personeel of bedrijfsactiviteiten op Cyprus en/of Isle of Man. Zij waren slechts marionetten van de Russische Oligarchen. Die Russische Oligarchen hebben steeds de volledige zeggenschap gehad over de gehele groep, bestaande uit onder meer GML, HVY en Yukos.75. HVY hebben daarover bedrog gepleegd.
Zij hebben in strijd met de waarheid beweerd dat de zeggenschap zou berusten bij trustees van trusts op Guernsey en Jersey. HVY stelden in het bijzonder ten onrechte dat die trustees op alle relevante tijdstippen gerechtigd zouden zijn geweest naar eigen inzicht de stemrechten uit te oefenen op de aandelen GML. HVY hebben ook cruciale documenten achtergehouden voor het Scheidsgerecht en de Russische Federatie. Die documenten bevestigden dat de Russische Oligarchen te allen tijde de volledige economische eigendom en zeggenschap hadden over HVY en dat zij daarover onjuiste stellingen hebben ingenomen en relevante stukken hebben achtergehouden.76.
Die stukken hadden door hen in de Arbitrages overgelegd moeten worden, onder meer op grond van de door het Scheidsgerecht op 16 september 2011 uitgevaardigde Procedural Order 12. De precieze zeggenschapsverhoudingen waren van belang voor verscheidene cruciale geschilpunten in de Arbitrages. HVY hebben bovendien verzwegen dat heimelijke betalingen zijn verricht in ruil voor de onjuiste verklaring van hun kroongetuige in de Arbitrages. Het betrof de schriftelijke en mondelinge verklaring van kroongetuige [betrokkene 3].77. Dit staat in cassatie (hypothetisch) feitelijk vast; rov. 6.31 en 6.40.
Zonder het bedrog van HVY had het Scheidsgerecht op verschillende punten anders kunnen oordelen.78.
Het hof heeft — onjuist en/of onbegrijpelijk — de maatstaf aangelegd of:
- —
het beroep op bedrog succesvol zou zijn geweest (rov. 6.11);
- —
de arbiters tot een andere beslissing zouden zijn gekomen (rov. 6.14);
en dat:
- —
de zeggenschapskwestie niet relevant was (rov. 6.24, 6.25 en 6.26);
- —
de zeggenschapskwestie niet relevant was voor het oordeel van de arbiters over de eigen schuld (rov. 6.28);
- —
niet aannemelijk is dat de arbiters tot een ander oordeel zouden zijn gekomen (rov. 6.29)
Volle toetsing
Procedureel bedrog tast de legitimiteit van de eerlijke (arbitrale) rechtspleging in de kern aan. Daarom moeten bedrogverwijten zonder terughoudendheid worden getoetst en mogen geen hoge eisen worden gesteld aan het bewijs van causaal verband tussen het gepleegde bedrog en de invloed ervan op de uitkomst van de rechterlijke of arbitrale uitspraak.79.
Recht op eerlijk proces is geschonden
Het hof heeft de kwesties rond de zeggenschap en de geheime betaling aan de kroongetuige niet relevant geoordeeld voor de uitkomst van de arbitrages. Daarbij heeft het hof niets overwogen of beslist over de aangetaste integriteit van de arbitrale- en vernietigingsprocedure. Zulks terwijl de Russische Federatie duidelijk heeft gesteld dat haar recht op een eerlijk proces is geschonden doordat HVY over de zeggenschap heeft gelogen, in het geheim de kroongetuige heeft betaald, daarover heeft gezwegen en over beide kwesties documenten heeft achtergehouden.80. Daarmee is ook het arbitrale bevel om documenten over de zeggenschap over te leggen geschonden.81. Omdat het hof dit in het midden heeft gelaten, staat dit hypothetisch feitelijk vast. Zie ook de inleiding op het middel (blz. 3/4 hiervoor).
Het gevolg is dat de Russische Federatie:
- 1.
eerst in appel bekend werd met de heimelijke betalingen door HVY aan diens kroongetuige; en
- 2.
geen gelegenheid heeft gehad om de kroongetuige te ondervragen over diens geheime betaling.82.
Verwijzend naar AG Vlas en internationale literatuur is door de Russische Federatie gesteld dat de arbitrale vonnissen tot stand zijn gekomen door bedrog van HVY, dat dit in strijd is met de openbare orde en dat er daarom geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden.83. Dan heeft te gelden dat bij bedrog de nadruk ligt op de oneerlijkheid van de betreffende proceshouding.84. In de woorden van Snijders:
‘Van een eerlijk ('fair’, art. 6 EVRM) proces kan (…) geen sprake zijn als blijkt dat de rechter zijn beslissing heeft gebaseerd op een feitelijk substraat dat als gevolg van oneerlijk procederen van een der partijen de werkelijkheid geweld aandoet (…) dat elke proceshouding die tot strekking heeft de waarheid te verdoezelen en hierdoor het materiële recht in zijn tegendeel te verkeren, als oneerlijk valt aan te merken (…)’85.
De zeggenschapskwestie en de kroongetuige [betrokkene 3] waren geen ondergeschikte punten in de arbitrages en ook niet in de vernietigingsprocedure, zeker niet toen de Russische Federatie ermee bekend raakte dat HVY hierover (i) tegenover de arbiters, de rechter en de Russische Federatie onwaarheden hadden gesteld en (ii) documenten hadden achtergehouden.86.
Met het niet als niet relevant bestempelen van de kwesties die onderwerp waren van de oneerlijke proceshouding van HVY, kon het hof zich niet onttrekken aan een oordeel over de eerlijkheid van de procedure. Met het niet-relevant oordeel, kan immers niet de schending van de openbare orde en de oneerlijkheid van het proces worden ‘witgewassen’. Ook daarmee is het recht van de Russische Federatie op een eerlijk proces geschonden.
Oordeel hof Amsterdam
In rov. 6.29 concludeert het hof onjuist en/of onbegrijpelijk dat de zeggenschapskwestie niet relevant was voor de uitkomst van de arbitrage. Dat brengt volgens het hof met zich dat de arbiters niet tot een andere uitkomst zouden zijn gekomen als zij (i) bekend waren geweest met de door de Russische Federatie na de arbitrage in handen gekregen documenten en (ii) waaruit blijkt dat de zeggenschap over de trusts bij [betrokkene 4] e.a. berustte.
Aldus kan volgens het hof niet worden gezegd dat de arbitrale vonnissen als gevolg van fraude en bedrog van HVY tot stand zijn gekomen.
De opmaat voor deze conclusie was dat:
- 1.
de Russische Federatie zich niet op de denial of benefit clause (artikel 17 ECT) heeft kunnen beroepen (rov. 6.21–6.24);
- 2.
de Hoge Raad al heeft geoordeeld dat de Russische Federatie geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 ECT (rov. 6.25);
- 3.
de arbiters in hun Final Awards niet meer kenbaar hebben gemaakt dat de zeggenschapskwestie nog relevant was en dat dit eerder in cassatie niet met succes is bestreden (rov. 6.26–6.27);
- 4.
die zeggenschapskwestie niet relevant was voor de eigen schuld van HVY, omdat bij het oordeel over de eigen schuld van HVY, het erom ging of en in hoeverre het handelen van HVY (en Yukos) heeft bijgedragen aan de ondergang van Yukos, verwijzend naar de Final Awards nrs 1607 en 1608. (rov. 6.28).
In rov. 6.29 concludeert het hof dat de zeggenschapskwestie niet relevant was voor de uitkomst van de arbitrages, het niet aannemelijk is dat de arbiters tot een andere uitkomst zouden zijn gekomen en dat de arbitrale vonnissen niet als gevolg van bedrog of fraude tot stand zijn gekomen. Het hof besliste — onjuist en onbegrijpelijk — niet over het gestelde liegen en het achterhouden van documenten, noch over de door de Russische Federatie gestelde rechtsgevolgen daarvan.87.
In rov. 6.30 overweegt het hof:
- —
geen aanleiding meer te zien om de andere documenten over de zeggenschap te behandelen. Dat gaat volgens het hof met name over de documenten die aantonen dat [naam 1] beslissingen nam voor GML.
- —
dat uit die documenten niet blijkt dat [naam 1] zeggenschap en controle over HVY had;
- —
dat ook als zeggenschap over HVY bij de trusts lag, dat niet uitsluit dat anderen (on) bevoegd namens GML of YUL handelden.
Voor het overige maakt het hof niet duidelijk op welke documenten zij doelt.
In rov. 6.31 stelt het hof vast dat niet is weersproken dat Yukos stichtingen $200.000,- hebben betaald aan het Cato Institute waaraan [betrokkene 3] is verbonden.
Klachten
Onjuiste maatstaf openbare orde-grond
4.1.
's‑Hofs oordeel in rov. 6.29 geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat het als maatstaf aanlegt dat niet aannemelijk is dat de arbiters tot een ander oordeel zouden zijn gekomen en dus niet kan worden gezegd dat de arbitrale vonnissen als gevolg van bedrog of fraude tot stand zijn gekomen. Immers, het hof moest als vernietigingsrechter de vordering beoordelen aan de hand van het criterium of het scheidsgerecht een andere beslissing zou hebben kunnen nemen als het de werkelijke stand van zaken had gekend. Elke potentieel andere beslissing van dat scheidsgerecht rechtvaardigt en vereist dus de herroeping van het bestreden vonnis. Op dit punt bestaat geen onderscheid tussen de regeling van artikel 1068 Rv en die van artikel 1065 lid 1, onder e, Rv.88.
Zeggenschap is relevant
4.2.
Ten onrechte en/of zonder toereikende motivering heeft het hof in rov. 6.21–6.24 en 6.25 geoordeeld dat de aandeelhoudersovereenkomst met de toetredingsakte niet verder hoefde te worden besproken (rov. 6.21) omdat die niet van belang was voor het oordeel van de arbiters. Immers heeft het hof dit oordeel gemotiveerd met het oordeel dat HVY kwalificeert als investeerder (rov. 6.23) en dat de Russische Federatie zich niet met succes op artikel 17 ECT kan beroepen (rov. 6.24). Dat gaat dus over de (niet) toepasselijkheid van het ECT en betreft de a-grond van artikel 1065 lid 1 Rv (ontbreken geldige arbitrageovereenkomst), terwijl de Russische Federatie de zeggenschapskwestie (ook) aan de orde heeft gesteld in het kader van de e-grond van artikel 1065 lid 1 Rv (openbare orde). In dat kader heeft de Russische Federatie (tijdig) ook gesteld dat HVY hierover heeft gelogen, zowel in de arbitrage als de vernietigingsprocedure.89. Verder dat HVY- ook in strijd met Procedural Order 12 — hierover documenten heeft achtergehouden.90. Het hof heeft hierover — onjuist en/of onbegrijpelijk — niet beslist.
4.2.a.
Dit oordeel is ook onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd omdat deze non-relevantie niet kan worden gebaseerd op het oordeel van de arbiters dat GML en/of de trusts eigenaar zijn, en zeggenschap hebben over HVY (YUL par. 537). Immers grijpt deze conclusie aan op de overwegingen van de arbiters in Interim Award YUL par. 456–461 en 500. Die gaan ook over ‘purposes of the admissibility’ in het kader van artikel 17 ECT (dus artikel 1065 lid 1 sub a Rv) en niet over de vernietigingsgrond van de openbare orde (artikel 1065 lid 1 sub b Rv) in het kader waarvan ook de stellingen van de Russische Federatie over bedrog en misleiding van de arbiters en de overheidsrechters naar aanleiding van de diverse deskundige- en getuigenverklaringen in ‘s-hofs oordeel hadden moeten worden betrokken.91. Om die reden kan ook rov. 6.25 s’-hofs niet van belang-oordeel niet dragen.
4.3.
In rov. 6.26 -6.27 en 6.29 oordeelde het hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd dat de zeggenschapskwestie niet relevant was voor de uitkomst van de arbitrages (rov. 6.29) omdat (ook) niet kenbaar is op te maken dat de zeggenschapskwestie relevant was voor het unclean hands verweer, daarbij ook verwijzend naar het eerder in cassatie niet succesvol bestreden rov. 9.8.8. van het eindarrest van het hof Den Haag en par. 30–32 van de spreekaantekeningen namens de Russische Federatie. Immers stond het unclean hands verweer in de sleutel van het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst92. en openbare orde — in de zin van illegaliteit van de investering zelf, derhalve pre-arbitrage — en blijkt uit par. 35 van diezelfde spreekaantekeningen dat die zeggenschap ook relevant is in het kader van de openbare orde vernietigingsgrond, waarover het hof na verwijzing moest oordelen: in de arbitrage liegen over zeggenschap, heimelijke betaling aan een getuige en het achterhouden van documenten.
Het hof Amsterdam was derhalve gehouden om dit argument zelfstandig te beoordelen in het kader van de openbare orde-grond van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder e Rv met betrekking tot het procesbedrog dat HVY in de arbitrages pleegden (en nadien ook volhielden). Het hof was daarbij niet gebonden aan het eerdere oordeel van hof Den Haag, dat dat oordeel gaf in het kader van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder a Rv en evenmin aan het oordeel ex artikel 1065 lid 1, aanhef en onder e, in het kader van de pre-arbitrale fraude. Anders gezegd: het hof heeft de beslissing over de openbare orde vernietigingsgrond (bedrog tijdens de arbitrage) doen steunen op het oordeel van het hof Den Haag over de illegaliteit van de investering (pre arbitrage). Dat is onbegrijpelijk.
Dat geldt temeer nu HVY het procesbedrog ook in de vernietigingsprocedure (ook voor het hof Den Haag) hebben voortgezet. Hof Amsterdam was ook in zoverre niet gebonden aan het eerdere oordeel van het hof Den Haag, dat in een andere sleutel werd gegeven (ontbreken geldige arbitrageovereenkomst en pre-arbitrale fraude) en dat bovendien op zichzelf weer het gevolg was van procesbedrog door HVY, omdat hof Den Haag ten tijde van zijn eindarrest nog niet bekend was met de nadien pas ontdekte onverenigbaarheid van de stellingen van HVY met de aandeelhoudersovereenkomst (stemovereenkomst).93.
4.4.
In rov. 6.26–6.27 en 6.29 oordeelde het hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd dat de zeggenschapskwestie niet relevant was voor de uitkomst van de arbitrages (rov. 6.29), omdat de arbiters in de Final Awards niet kenbaar hebben gemaakt dat deze kwestie nog relevant was voor hun oordeel, verwijzend naar par. 1370 Final Awards. Immers, uit par. 1368 Final Awards volgt dat de arbiters acht hebben geslagen op de (most convincing) verklaring van dr [naam 2]. Volgens haar kan een verschuiving van een aandelenbelang, terwijl de zeggenschap ongewijzigd blijft, niet met zich brengen dat een illegale investering daardoor opeens legaal wordt. Daarmee had de wetenschap dat HVY door Oligarchen werden beheerst, wel degelijk tot een ander oordeel kunnen leiden.
4.5.
Ook is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd het oordeel van het hof — rov. 6.26 — dat de Russische Federatie pas bij de mondelinge behandeling na verwijzing op 21 november 2023 aan de woorden an entity and persons separate from the claimants in par. 1370 van de Final Awards, de stelling verbond dat het oordeel van de arbiters over de zeggenschapskwestie toch relevant was voor het oordeel van de arbiters over het unclean hands verweer. Immers, dit is reeds bij antwoordakte van 15 november 2022 (par. 59–67) aan de orde geweest, met een argumentatie van eenzelfde strekking als in de pleitnotities het geval was. Dit debat is voortgezet in de aktes voorafgaand aan de mondelinge behandeling: akte d.d. 24 oktober 2023 (par. 38–42).
4.6.a.
In rov. 6.28 en 6.29 oordeelde het hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd dat de zeggenschapskwestie niet relevant was voor het oordeel van de arbiters over de eigen schuld van HVY, omdat uit par. 1607 en 1608 Final Awards kan worden opgemaakt dat het er bij het oordeel over de eigen schuld om ging in hoeverre het handelen of nalaten van HVY (en Yukos) heeft bijgedragen aan de ondergang van Yukos. Immers, heeft het hof daarin niet (kenbaar) betrokken het verweer van de Russische Federatie dat voor het oordeel over de eigen schuld van belang was ‘the material and significant misconduct by Claimants and by Yukos’ en ‘Claimants have contributed to the extent of 25 percent to the prejudice which they suffered’ en dat de ‘apportionment of responsibility as between Claimants and Respondent, namely 25 percent and 75 percent’, ‘reasonable and fair’ is.94. Anders dan het hof in rov. 6.28 overweegt, blijkt hieruit dat het scheidsgerecht als relevant criterium heeft gehanteerd de bijdrage van HVY aan hun geleden schade en dat het daarbij om een gedeelde verantwoordelijkheid gaat.
4.6.b.
Dat oordeel is ook onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd omdat in 's‑hofs oordeel over in hoeverre het handelen of nalaten van HVY (en Yukos) heeft bijgedragen aan de ondergang van Yukos niet (kenbaar) is betrokken het verweer dat het scheidsgerecht met par. 1599 en 1637 Final Awards heeft erkend dat illegale handelingen van de ene entiteit aan andere, gelieerde entiteiten kunnen worden toegerekend en dat zeggenschapsverhoudingen in dat verband relevant zijn, dit grondbeginsel is toegepast ten aanzien van de ontvankelijkheid en dat dit eerder door de arbiters is aanvaard.95.
Overigens overweegt het hof terecht dat de arbiters voor de bepaling van de mate van eigen schuld slechts acht hebben geslagen op gedragingen van HVY en Yukos (en niet van de Oligarchen). Daarmee is echter niet gegeven dat zij er ook zo over zouden hebben geoordeeld als zij zouden hebben geweten dat HVY onder de zeggenschap van de Oligarchen stonden, te meer omdat zij handelen van Yukos wel aan HVY hebben toegerekend. Ook hier geldt: de arbiters oordeelden zonder te weten dat de Oligarchen HVY beheersen, dat alleen de eigen gedragingen van HVY (en Yukos) van belang zijn voor de mate van eigen schuld en dat is volgens het Hof voldoende om aan te nemen dat zij tot hetzelfde oordeel zouden zijn gekomen als zij die wetenschap wel gehad zouden hebben. Dat is onbegrijpelijk.
Samenhangende beslissingen
4.7.
Bij het slagen van een of meer van deze subklachten kan het oordeel — rov. 6.29 — dat de zeggenschapskwestie niet relevant was voor de uitkomst van de arbitrages, ook niet in stand blijven.
Onderdeel 5 — Niet beslissen op verweer controle en zeggenschap [naam 1]
5.1.
Ten onrechte en/of zonder toereikende motivering heeft het hof in rov. 6.30 geoordeeld dat het bij deze stand van zaken niet ingaat op de andere documenten waarop de Russische Federatie haar standpunt over zeggenschap baseert en waarvan zij heeft gesteld dat zij die na de arbitrages in handen heeft gekregen. Immers, heeft de Russische Federatie aan haar verweer dat [naam 1] controle en zeggenschap over HVY uitdrukkelijk gesteld en specifiek gestaafd met getuigenverklaringen, uitspraken van het EHRM, en brieven96.. Daarop heeft het hof-onjuist — niet beslist, althans het heeft dit niet (kenbaar) in zijn beslissing betrokken.
5.1.a.
Zonder duiding van die documenten, is 's‑hofs oordeel dat [naam 1] geen zeggenschap en controle over HVY had ook onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Het hof kon er (zonder nadere motivering) immers niet mee volstaan dat het daarbij met name maar niet alleen ging om documenten ten aanzien van [naam 1].
5.1.b.
Onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is verder dat uit die documenten niet blijkt van de beweerde rol van [naam 1], te weten dat hij de facto controle en zeggenschap over HVY had, omdat niet kan worden uitgesloten dat anderen bij transacties (on)bevoegd namens HVY en YUL kunnen handelen. Immers blijkt uit de gemotiveerde stellingen van de Russische Federatie dat niet de trustee, maar [naam 1] alle belangrijke beslissingen nam en dat zijn voorafgaande toestemming was vereist (MvA 637 c-d), [naam 1] en de andere Oligarchen consistent betrokken zijn bij het bestuur van HVY (MvA 637-e). Verder dat de trusts schijnvennootschappen zijn om eigendom en zeggenschap te verbergen (MvA 642), door [getuige 7] is bevestigd dat de trustees stromannen zijn (MvA 644), dat door betaling van smeergeld zeggenschap werd uitgeoefend (MvA 1198-b), en dat uit een briefwisseling uit 2012 blijkt van een directe band tussen HVY en de Oligarchen (MvA 1198-c).
5.2.
In rov. 6.30 heeft het hof ook ten onrechte en/of zonder toereikende motivering geoordeeld dat de bij akte van 10 oktober 2023 in het geding gebrachte documenten geen bespreking meer behoeven. Immers, het ging bij de akte van 10 oktober 2023 onder andere over de stemrecht(aandeelhouders)overeenkomst en de toetredingsakte. HVY hebben die stukken verzwegen, achtergehouden en daarmee (ook) Procedural Order 12 geschonden (akte van 10 oktober 2023). Daarna volgt uit de als RF-535 overlegde Engelse uitspraak dat GML documenten heeft achtergehouden en dat het identiteitsverschil met HVY geen rol speelt.97. Dat raakt de openbare orde en het recht op een eerlijk proces, met name het onmiddelijkheidsbeginsel en het recht op hoor en wederhoor.98. Daarover moest het hof, desnoods ambtshalve, oordelen
5.2.a.
Verder is onbegrijpelijk het oordeel — rov. 6.30 — dat uit die documenten niet volgt dat [naam 1] de zeggenschap en controle over HVY had, omdat ook als de zeggenschap bij de trustees lag zulks niet uitsluit dat bij bepaalde transacties anderen bevoegd of onbevoegd namens GML of YUL handelden. Immers blijkt daaruit (in elk geval een zekere mate van) controlerende zeggenschap en kunnen de Oligarchen niet los worden gezien van HVY.99. Hierop is door de Russische Federatie verweer gevoerd.100. Het hof heeft hierop — onbegrijpelijk — niet beslist.
Bovendien hebben HVY niet het verweer gevoerd dat anderen bevoegd of onbevoegd namens GML of YUL hebben gehandeld en dat dit in het debat over de zeggenschap een relevante factor was. Dit heeft het hof onjuist en/of onbegrijpelijk ambtshalve bijgebracht.
5.2.b.
Dit oordeel is ook onbegrijpelijk in het licht van het oordeel van de arbiters dat Palmus Trust als enige vrijelijk over de stemrechten in GML beschikte en dat die trustee daarmee zeggenschap had over GML, HVY en Yukos. Immers had [naam 1] de controle over Palmus Trust en heeft de Russische Federatie dit gemotiveerd aangevoerd.101. Het hof heeft hierop — onbegrijpelijk — niet beslist. Verder heeft het hof de juistheid hiervan in het midden gelaten, zodat dit in cassatie hypothetisch feitelijk vaststaat. Dan is geen andere conclusie mogelijk dan dat [naam 1] zeggenschap en controle over HVY had.
Onderdeel 6 — Betalingen aan getuige [betrokkene 3] vs geen eerlijk proces
Inleiding
Verzwegen betaling aan kroongetuige staat hypothetische feitelijk vast
Op grond van artikel 38 aanhef en onder d van de hier toepasselijke UNCITRAL Arbitration Rules 1976 kunnen getuigen in een arbitrage slechts aanspraak maken op vergoeding van ‘travel and other expenses of witnesses to the extent such expenses are approved by the arbitral tribunal’. Deze bepaling verbiedt derhalve een (i) meer dan kostendekkende vergoeding, en/of (ii) vergoeding die door één van partijen aan een getuige wordt betaald, maar waarvan het scheidsgerecht niet op de hoogte is.102.
De Russische Federatie heeft aangevoerd dat deze royale Yukos-betalingen zijn verzwegen.103. HVY en [betrokkene 3] hebben deze op geen enkel moment aan het Scheidsgerecht, de vernietigingsrechter en de Russische Federatie openbaar gemaakt.104. HVY hebben daarentegen in de arbitrages en de vernietigingsprocedure voortdurend een beroep gedaan op de verklaring van [betrokkene 3]. Die verklaring was in hun ogen van groot belang.105. HVY hebben (i) niet betwist dat de heimelijke betalingen zijn verricht in ruil voor een gunstige verklaring en (ii) over die betalingen gezwegen.106. HVY voldeden aldus niet aan de op hen rustende waarheids- en volledigheidsplicht. De Russische Federatie heeft gesteld dat dit reeds meebrengt dat de vernietigingsvordering van de Russische Federatie moet worden toegewezen.107.
Hierover heeft het hof niet beslist. Daarmee staat in cassatie hypothetisch feitelijk vast dat (i) [betrokkene 3] door HVY (in strijd met de UNCITRAL Arbitration rules) is betaald en (ii) HVY hierover hebben gezwegen.
Het hof heeft verder in rov. 6.31 vastgesteld dat de Yukos stichtingen $ 200.000 hebben betaald aan het Cato Institute waaraan [betrokkene 3] is verbonden.
Verklaringen [betrokkene 3] waren relevant voor het oordeel van de arbiters
Dit heeft de Russische Federate uitgebreid en gemotiveerd gesteld in haar antwoordmemorie na verwijzing par. 205–207, met verwijzingen naar de beslissingen in de Final Awards.
Zo oordeelden de arbiters in par. 1585 Final Awards dat de Russische Federatie artikel 13 ECT heeft geschonden en dat de Russische Federatie daarmee aansprakelijk is.
Daaraan vooraf gingen ten aanzien van de belastingheffing:
- —
par. 141–147: de belasting- en invorderingsmaatregelen waren politiek gemotiveerd;
- —
par. 516 en 767: de speciale afdeling die zou zijn opgericht om af te rekenen met [betrokkene 4] en Yukos;
- —
par. 756, 1579–1580 en 1585; het primaire doel van de Russische Federatie was niet belastingheffing maar ‘to bankrupt Yukos’. Dat oordeel is gebaseerd op het totaal aan bewijs, maar ‘especially the VAT evidence’ (par. 756 en 1579). Over dat vermeend voorop gezette plan heeft slechts [betrokkene 3] direct verklaard.
En ten aanzien van de executieveiling:
- —
par. 1013, 1016 1038 1041; de executieveiling was doorgestoken kaart. Verder dat [naam 3] en [naam 4] "probably felt very well protected, maybe by the Russian government (par. 1019); en
- —
par. 1020. Hierin concludeert het tribunaal dat ‘the price of USD 9.35 billion which [naam 4] paid at the auction for the 76.79 percent stake of Yukos in YNG was far below the fair value of those shares’.
[betrokkene 3] heeft als enige en volgens de arbiters ook nog eens geloofwaardig en overtuigend verklaard over de speciale unit die [betrokkene 4] en Yukos ten val moest brengen (par. 799 Final Awards).108. Dit is het enige directe bewijs voor het oordeel van de arbiters dat het veroorzaken van het faillissement en niet belastingheffing het primaire doel van de Russische Federatie is geweest, hetgeen HVY aan haar stellingen ten grondslag hebben gelegd.
Stellingen van de Russische Federatie
In appel heeft de Russische Federatie aangevoerd dat tijdens een Amerikaanse discovery procedure naar boven is gekomen dat HVY [betrokkene 3] op zijn verzoek heeft betaald voor zijn belastende verklaring; par. MvA par. 1198-e en 1221–1223.
In de procedure na verwijzing zijn die stellingen te vinden in de antwoordmemorie na verwijzing hoofdstukken 4.2 en 4.3, met verwijzingen naar het arbitragedossier en de Final Awards. Die gaan over:
- —
de de auditu verklaring van [betrokkene 3] over de vermeend speciaal opgerichte afdeling ; en
dat geen andere getuige hierover heeft verklaard (par. 4.2.1 en 4.2.2);
- —
dat HVY zwaar op deze verklaringen hebben geleund en het belang daarvan hebben benadrukt (par. 4.2.3); en
- —
dat die verklaringen door het scheidsgerecht van belang zijn geacht (par. 4.3)
Stellingen HVY over [betrokkene 3]
De verklaringen van [betrokkene 3] waren cruciaal voor de stellingen van HVY aangaande het vermeende vooropgestelde motief van de Russische Federatie om met de oplegging van belasting- en invorderingsmaatregelen Yukos te laten failleren en haar bedrijfsonderdelen aan staatsbedrijven toe te spelen; antwoordmemorie na verwijzing 203–204, met verwijzingen naar het procesdossier. Zie ook rov. 3.1 laatste alinea.
Oordelen hof
Verzwijging geheime betalingen
In rov. 6.31 overweegt het hof dat niet is weersproken dat de Yukos stichtingen $ 200.000,- aan het Cato Institute hebben betaald. Daaraan was [betrokkene 3] verbonden.
In rov. 6.33 overweegt het hof dat niet blijkt dat de verklaring van [betrokkene 3] van enige invloed is geweest op de beslissingen van de arbiters.
Het hof heeft de juistheid in het midden gelaten van de stellingen van de Russische Federatie109. dat HVY:
- —
die betalingen heeft verzwegen;
- —
daarover documenten heeft achtergehouden
- —
daarmee procedural order 12 heeft geschonden; en
- —
over die betalingen in de arbitrale- en vernietigingsprocedure onwaarheden heeft verteld.
Daarmee staan deze feiten in cassatie hypothetisch feitelijk vast en gelden die als uitgangspunt.
Verhouding tot ander bewijs
In rov. 6.34 overweegt het hof dat uit de verwijzingen van de arbiters in nrs 767–768 niet blijkt dat de verklaringen van [betrokkene 3] ten grondslag zijn gelegd aan verdere beslissingen van de arbiters. Verder dat:
- —
niet valt in te zien dat die verwijzingen enige invloed hebben gehad op de uitkomst van de arbitrages; en
- —
de Russische Federatie dat niet of onvoldoende heeft toegelicht of concreet heeft gemaakt.
In rov. 6.35 overweegt het hof dat:
- —
uit de overwegingen van de arbiters kan worden opgemaakt dat de verklaringen van [betrokkene 3] een stukje zijn van dit bewijs (lastig vallen en intimidatie), maar dat gelet op het overige bewijs het hof niet inziet hoe de arbitrale beslissingen zonder dit stukje anders hadden kunnen uitvallen; en
- —
de Russische Federatie dit ook niet (toereikend) heeft toegelicht; en
- —
dat zulks temeer blijkt uit nr 811 van de arbitrale vonnissen. Daaruit blijkt volgens het hof dat de arbiters niet in overwegende mate zijn afgegaan op alleen de verklaring van van [betrokkene 3].
Veiling van Yuganskneftegaz
In rov. 6.36 overweegt het hof dat de gang van zaken rond de veiling van Yuganskneftegaz niet is gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 3].
In rov. 6.37 overweegt het hof dat uit de overwegingen van de arbiters niet kan worden afgeleid dat de verklaringen van [betrokkene 3] van enige, laat staan wezenlijke invloed zijn geweest voor hun beslissingen omtrent de veiling of de veilingprijs.
In rov. 6.38 overweegt het hof dat deze bijdrage van [betrokkene 3] (ten aanzien van de ‘confiscation of YNG’) weinig méér is dan een mening over de feiten die de arbiters als vaststaand hebben aangenomen. Daarbij verwijst het hof naar de verklaringen van twee Yukos insiders: [getuige 8] en [getuige 9].
- —
[getuige 8]. Hij heeft verklaard over de boekhouding van Yukos, een notering aan de
NYSE, politie invallen, hoge belastingaanslagen , Nederlandse stichtingen en de relatie met PWC;110.;
- —
[getuige 9]. Hij heeft verklaard over de schikkingsonderhandelingen, zijn bonus van $5 miljoen, de relatie met PWC, de hoogte van de belastingaanslagen, het strafrechtelijk onderzoek, de invallen, verzoeken tot uitstel van betaling, de verkoop van YNG, de Nederlandse Yukos stichtingen, betalingsproblemen, de onderhandelingen met de banken en off shore constructies.111.
Anders dan [betrokkene 3], zijn zij geen overheidsinsiders. Zij hebben ook niet verklaard over de speciale unit die verdenkingen tegen [betrokkene 4] en Yukos moest fingeren.112.
Daarmee was [betrokkene 3] de enige die daarover heeft verklaard. In hoofdstuk X van de Final Awards concluderen de arbiters — op basis van hun waardering van het geheel van bewijs - dat het primaire doel van de Russische Federatie niet was het innen van belastingen maar eerder het faillissement van Yukos te bewerkstelligen en dat daarom sprake was van een onrechtmatige onteigening.113.
De door de arbiters gebruikte verklaring van [betrokkene 3] over de speciale unit in welk verband in de eindbeslissing uitgebreid is verwezen114. — biedt daarvoor een essentiële schakel in het bewijs. Die conclusie kon niet worden getrokken slechts op basis van de verklaringen van [getuige 8] en [getuige 9], noch op basis van het overige bewijs, dat geen aanknopingspunten biedt voor een speciale afdeling met vooropgestelde politieke motieven.115. Immers was [betrokkene 3] de enige die heeft verklaard over de speciale unit van 50 man die zou zijn opgericht om [betrokkene 4] en Yukos ten val te brengen.116.
In 6.39 overweegt het hof dat uit de Final Awards niet blijkt dat de verklaringen van [betrokkene 3] voor het overige van enige betekenis zijn geweest voor de beslissingen van de arbiters.
In rov. 6.40 komt het hof tot het oordeel dat:
- —
op grond van hetgeen de arbiters hebben overwogen in de arbitrale vonnissen, de verklaringen van [betrokkene 3] in het grote geheel aan bewijs en vaststaande feiten van zo een ondergeschikte betekenis zijn dat niet aannemelijk is dat de uitkomst van de arbitrages anders zou zijn geweest zonder die verklaringen; en
- —
in het licht hiervan onvoldoende naar voren is gebracht om het oordeel te rechtvaardigen dat de wetenschap van betalingen door de Yukos stichtingen aan het Cato Institute in verband met het optreden van [betrokkene 3] als getuige de arbiters tot een andere uitkomst van de arbitrages zou hebben gebracht.
In rov. 6.41 concludeert het hof dat de arbitrale vonnissen niet zouden zijn vernietigd, ook indien de Russische Federatie tijdig een beroep zou hebben gedaan op bedrog bij wijze van het uitwerken van de vernietigingsgrond van openbare orde.
Klachten
6.1.
in rov. 6.31–39, culminerend in rov. 6.40 en 6.41 heeft het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering geoordeeld dat de verklaring van [betrokkene 3] van zo ondergeschikte betekenis is, dat het niet aannemelijk is dat de uitkomst van de arbitrages anders zou zijn geweest en dat in het licht daarvan onvoldoende naar voren is gebracht dat de wetenschap van de betalingen door de Yukos stichtingen aan het Cato Institute in verband met het optreden van [betrokkene 3] als getuige de arbiters tot een andere uitkomst zou hebben gebracht zonder die verklaringen. Daarmee zouden volgens het hof de arbitrale vonnissen niet zijn vernietigd (rov. 6.41). Immers is niet de maatstaf of dit de arbiters tot een andere beslissing zou hebben gebracht of dat de arbitrale vonnissen zouden zijn vernietigd, maar moet (slechts) aannemelijk zijn dat dergelijk ‘bedrog’ invloed kán hebben gehad op de inhoud van het arbitrale vonnis, in de zin dat redelijkerwijs niet uit te sluiten valt dat het scheidsgerecht op een of meer voor de uitkomst van zijn vonnis relevante punten tot een ander oordeel had kunnen komen, indien het verweten bedrog niet zou zijn gepleegd.117.
6.1.a.
Dat oordeel is ook onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd omdat met de (verzwegen) heimelijke betaling van [betrokkene 3] als kroongetuige (via het Cato Institute), het stellen van onwaarheden daarover in de arbitrale- en vernietigingsprocedure en het achterhouden van documenten daarover, het fundamentele recht van de Russische Federatie op een eerlijk proces is geschonden.118. Dat zou wel degelijk tot een ander oordeel hebben kunnen leiden.
6.1.b.
Dat oordeel is in elk geval onbegrijpelijk omdat het hof in dat oordeel (niet kenbaar) heeft betrokken het verweer van de Russische Federatie dat HVY met die betaling en het geheimhouden daarvan artikel 38 aanhef en onder d van de UNCITRAL Arbitration Rules 1976 hebben geschonden en dat met die betaling een getuige ontoelaatbaar is beïnvloed.119. Immers verbiedt deze norm (i) een meer dan kostendekkende vergoeding, en/of (ii) een vergoeding die door één van partijen aan een getuige wordt betaald, maar waarvan het scheidsgerecht niet op de hoogte is.120. Was het scheidsgerecht daarvan wel op de hoogte geweest, dan zou dat tot een ander oordeel hebben kunnen leiden, omdat dit (volgens internationale literatuur) invloed kan hebben op de bewijswaardering.121.
Relevantie illianorov voor mogelijk ander oordeel arbiters, voldoende gesteld
6.2.a.
Onjuist en/of onbegrijpelijk is verder dat het hof — rov. 6.40 — gewicht heeft toegekend aan het geheel van bewijs en vaststaande feiten en de ondergeschikte betekenis van de verklaring van [betrokkene 3]. Immers staat vast dat de verklaringen van [betrokkene 3] — rov. 6.35, 6.38 6.40 — in elk geval een stukje zijn van de feitenvaststelling en het bewijs, dat de uitspraak hierop berust en dat de aan te leggen maatstaf is dat vernietiging reeds is gerechtvaardigd als de uitspraak berust op bedrog. Daarbij is niet relevant welk gewicht dat bedrog in de schaal heeft gelegd.
6.2.b.
Ook is onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd dat de Russische Federatie onvoldoende naar voren heeft gebracht om het oordeel te rechtvaardigen dat de wetenschap van de betalingen door Yukos stichtingen aan het Cato Institute in verband met het optreden van [betrokkene 3] als getuige, de arbiters tot een andere uitkomst van de arbitrages zou hebben gebracht. Immers heeft het hof hiermee een te strenge maatstaf gehanteerd omdat voor vernietiging voldoende is dat ‘bedrog’ invloed kán hebben gehad op de inhoud van het arbitrale vonnis, in de zin dat redelijkerwijs niet uit te sluiten valt dat het scheidsgerecht op een of meer voor de uitkomst van zijn vonnis relevante punten tot een ander oordeel had kunnen komen, indien het verweten bedrog niet zou zijn gepleegd en/of indien een arbitraal vonnis tot stand is gekomen onder invloed van bedrog. Dat vergt dus niet dat positief vast moet komen te staan dat de uiteindelijke uitkomst van het vonnis (substantieel) anders zou zijn geweest als het scheidsgerecht de ware — door het bedrog verborgen — stand van zaken had gekend.122.
6.2.c.
Dat oordeel is bovendien onbegrijpelijk omdat de Russische Federatie uitgebreid heeft gesteld dat wetenschap van de illegale betalingen aan de kroongetuige [betrokkene 3] tot een ander oordeel zou hebben kunnen leiden omdat (i) die betalingen in strijd zijn met de UNCITRAL Arbitration Rules (antwoordmemorie na verwijzing hst 4.2, par. 213–215 en 235) (ii) HVY zelf zwaar leunden op die verklaring die minstens 50 keer is aangehaald123. en die door de arbiters vrijwel letterlijk is overgenomen in de Final Awards124. (iii) HVY's stilzwijgen over die betaling reeds vernietiging rechtvaardigt,125. (iv) het scheidsgerecht [betrokkene 3]'s verklaring heeft gebruikt voor het bewijs dat politieke motieven ten grondslag lagen aan de belasting- en invorderingsmaatregelen, de gecreëerde afdeling van vijftig personen om het Yukos probleem op te lossen (‘zanyatsa’) en (v) de beweerdelijk door de Russische Federatie georkestreerde politiek gedreven de facto onteigening van Yukos in het bijzonder zijn gebaseerd op de verklaringen van [betrokkene 3].126. De onteigening van Yukos door middel van oneigenlijke belastingheffing lag ten grondslag aan de vordering van HVY. 127. Die vordering is door de arbiters toegewezen, gebruik makend van de verklaringen [betrokkene 3] hierover, terwijl geen van de andere getuigen hebben verklaard over het vermeende plan om [betrokkene 4] en Yukos en val te brengen door middel van gefingeerde belastingclaims en een gemanipuleerde executieveiling.
Geheime betalingen en strijd met UNCITRAL Arbitration Rules
6.3.
In rov. 6.40 heeft het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering geoordeeld dat in het licht van de ondergeschikte betekenis van de verklaring van Illorionov in het grote geheel van bewijs en vaststaande feiten niet aannemelijk is dat de uitkomst van de arbitrages anders zou zijn geweest. Aan dat oordeel ging rov. 6.31–6.39 vooraf waarin het hof — onbegrijpelijk — oordeelde dat:
- °
die verklaringen geen wezenlijke invloed hebben gehad op de beslissing van de arbiters (rov. 6.32–6.33;
- °
de arbiters niet althans niet in overwegende mate zijn afgegaan op die verklaringen (rov. 6.35);
- °
de beschrijving van de veiling van Yuganskneftgaz niet is gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 3] (rov. 6.36);
- °
zijn verklaringen niet van enige of wezenlijke invloed zijn geweest voor de beslissing van de arbiters over de veiling of verkoopprijs (rov. 6.37);
- °
de in nr 1041 Final Awards geciteerde verklaring van [betrokkene 3] weinig meer is dan een mening over de feiten die de arbiters als vaststaand hebben aangenomen (rov. 6.38);
- °
uit de Final Awards niet blijkt dat de verklaring van [betrokkene 3] voor het overige van enige betekenis zijn geweest voor de beslissingen van de arbiters.
Immers kan het hof met het oordeel over de relevantie niet voorbijgaan aan de gemotiveerde stelling van de Russische Federatie128. dat met die verklaring het recht op een eerlijk proces is geschonden, onder meer omdat deze getuige in strijd met de UNCITRAL Arbitration rules stiekem door HVY is betaald, hierover door HVY is gezwegen en de Russische Federatie niet in de gelegenheid is geweest om [betrokkene 3] over zijn betalingen door HVY te ondervragen. De Russische Federatie heeft gesteld dat hiermee haar recht op een eerlijk proces is geschonden.129.
[betrokkene 3] verklaarde als enige over vermeend politieke motieven belastingheffing
6.4.
In rov. 6.33 heeft het hof onbegrijpelijk geoordeeld dat niet blijkt dat de verklaringen van [betrokkene 3] van enige invloed zijn geweest op de beslissingen die de arbiters hebben genomen. Immers hebben de arbiters veelvuldig geciteerd uit diens verklaring. Verder oordeelden zij dat de aan Yukos opgelegde belastingaanslagen zouden zijn ingegeven door oneigenlijke motieven.130. [betrokkene 3] heeft als enige verklaard over de speciale unit die als taak had om bewijs tegen [betrokkene 4] en Yukos te fabriceren.131. Zonder zijn verklaring kan die conclusie over de oneigenlijk opgelegde belastingaanslagen niet worden getrokken.
6.5.
In rov. 6.34 heeft het hof, verwijzend naar Hoofdstuk VII.C nrs 767–768 en 776 en 780 Final Awards, onbegrijpelijk geoordeeld dat niet blijkt dat de nrs 767–768 ten grondslag hebben gelegen aan verdere beslissingen die de arbiters hebben genomen. Immers gaat nr 767 over de vermeende special unit die [betrokkene 4] en Yukos ten val zou moeten brengen en nr 780 over het besluit van de President dat hij een stap opzij zou zetten zodat [betrokkene 4] zichzelf maar tegen de ‘boys’ moest verdedigen. In nrs 756 en 1579 concludeerden de arbiters dat ‘the primary objective of the Russian Federation was not to collect taxes but rather to bankrupt Yukos and appropriate its valuable assets.’ Dit oordeel kan niet los worden gezien van de verklaringen van [betrokkene 3] die als enige over de speciale unit heeft verklaard.132.
6.5.a.
Het oordeel — rov. 6.34 — dat deze verwijzingen van ondergeschikt belang zijn in het grotere geheel van de voorgevallen feiten is ook onbegrijpelijk. Immers heeft het hof die feiten niet vastgesteld, waarmee onduidelijk is hoe de verklaringen van [betrokkene 3] daartegen zijn afgezet, wat het hof — onjuist en/onbegrijpelijk niet heeft gemotiveerd. Verder heeft de Russische Federatie gemotiveerd gesteld dat de arbiters hun oordeel hebben gebaseerd op de verklaringen van [betrokkene 3],133. met name ten aanzien van het vermeend politieke doel van de belastingaanslagen en de gang van zaken op de executieveiling,134. daarbij verwijzend naar par. 1013, 1016, 1019 1038 en 1041 Final Awards. Hierover is slechts door [betrokkene 3] verklaard en de arbiters hebben hiernaar in hun beslissing verwezen.135. Het hof heeft dit niet (kenbaar) in zijn oordeel betrokken.
6.5.b.
Daarmee is ook het oordeel — rov. 6.34 — dat niet valt in te zien dat deze verwijzingen enige invloed hebben gehad op de arbitrages onbegrijpelijk. Immers heeft [betrokkene 3] als enige verklaard over de vermeend speciale afdeling, de BTW gerelateerde belastingheffingen en invorderingsmaatregelen136., de overheidsbescherming van bieders op de executieveiling, het ongebruikelijke gedrag van de belastingautoriteiten en de waarde van de Yukos aandelen. De arbiters hebben ten aanzien van de executieveiling uitgebreid naar diens verklaring hierover verwezen.137. Dit heeft het hof niet (kenbaar) in zijn beslissing betrokken.
6.6.
In rov. 6.35 heeft het hof onbegrijpelijk geoordeeld dat uit de overwegingen van de arbiters kan worden opgemaakt dat de verklaringen van [betrokkene 3] een stukje zijn van het bewijs, maar dat gelet op het overige bewijs het hof niet inziet hoe de arbitrale beslissing zonder dit stukje anders had kunnen uitvallen. Immers was [betrokkene 3] de enige getuige die uit eigen wetenschap heeft verklaard over de vermeend speciale afdeling138., de politieke motieven met betrekking tot de BTW gerelateerde belastingaanslagen en invorderingsmaatregelen, de overheidsbescherming van bieders op de executieveiling, het ongebruikelijke gedrag van de belastingautoriteiten en de waarde van de Yukos aandelen en kon de conclusie van de arbiters dat ‘the primary objective of the Russian Federation was not to collect taxes but rather to bankrupt Yukos and appropriate its valuable assets’ niet steunen op de getuigeverklaringen zonder die van [betrokkene 3].
6.6.a.
Ook het oordeel — rov. 6.35 — dat de Russische Federatie dit ontoereikend heeft toegelicht is onbegrijpelijk omdat zij in haar antwoordmemorie na verwijzing hst 4.3 gemotiveerd en met verwijzingen naar de Final Awards heeft gesteld dat de oordelen van de arbiters uitgebreid hebben verwezen naar de verklaring van [betrokkene 3] over de vermeend oneigenlijke belastingheffing en -invordering en de executieveiling en dat het Scheidsgerecht zijn oordeel daar ontegenzeggelijk op heeft gebaseerd.
6.6.b.
Ook het oordeel — rov. 6.35 — dat uit nr 811 blijkt dat de arbiters niet, althans niet in overwegende mate, zijn afgegaan op alleen de verklaringen van [betrokkene 3] is onbegrijpelijk. Immers gaat nr 811 slechts over de vermeende ‘excessive harshness’ van het strafrechtelijk onderzoek en de behandeling van Yukos managers en advocaten. Die kunnen niet het (fiscaal gerelateerde) oordeel dragen in nr 1579 en 1580 Final Awards, dat het primaire doel niet was om belasting te innen maar om het faillissement van Yukos te veroorzaken.
6.7.
In rov. 6.36 heeft het hof, verwijzend naar onderdeel VII.F, onbegrijpelijk geoordeeld dat de daarin beschreven gang van zaken rond de veiling van Yuganskneftegaz niet is gebaseerd op de verklaringen van [betrokkene 3]. Immers bestaat er geen VII.F in de Final Awards. Voorzover het hof heeft bedoeld te verwijzen naar VIII.F is zijn oordeel ook onbegrijpelijk, omdat de conclusie in 1579 en 1580 dat ‘the primary objective of the Russian Federation was not to collect taxes but rather to bankrupt Yukos and appropriate its valuable assets’ niet kan worden getrokken zonder daarbij de verklaringen van [betrokkene 3], die als enige daarop gerichte speciale unit heeft verklaard, te betrekken. Dat blijkt ook uit de Final Awards waarin de arbiters uitgebreid hebben verwezen naar de verklaringen van [betrokkene 3] 139.
6.8.
In rov. 6.37 heeft het hof onbegrijpelijk geoordeeld dat in geen enkel opzicht uit de overwegingen van de arbiters kan worden afgeleid dat de verklaringen van [betrokkene 3] van enige, laat staan van wezenlijke invloed zijn geweest voor hun beslissingen omtrent de veiling of de veilingprijs en dat veel meer van belang zijn de bijzondere omstandigheden van de veiling, de oordelen van andere scheidsgerechten en de conclusie die de arbiters trekken dat [naam 4] een schijnentiteit was. Immers verwijst het hof hiervoor naar VII.F.3.a dat niet bestaat. Voor zover het hof heeft bedoeld te verwijzen naar VIII.F.3.a is zijn oordeel ook onbegrijpelijk omdat [betrokkene 3] (i) als enige heeft verklaard over die vermeend bijzondere omstandigheden van de veiling en (ii) wie de arbiters een geloofwaardige en betrouwbare getuige vonden.140. Het verweer van de Russische Federatie ter zake141. heeft het hof niet (kenbaar) in zijn oordeel betrokken.
6.9.
In rov. 6.38 heeft het hof onbegrijpelijk geoordeeld dat de in nr 1041 genoemde bijdrage (niet inning van belastingschulden)142. weinig meer is dan een mening over de feiten die de arbiters als vaststaand hebben aangenomen, verwijzend naar de verkoop van YNG als de fatale klap. Immers verwijst het hof hiervoor naar VII.F.3.C dat niet bestaat. Voor zover het hof heeft bedoeld te verwijzen naar VIII.F.3.C is zijn oordeel ook onbegrijpelijk. Het oordeel van de arbiters dat ‘the primary objective of the Russian Federation was not to collect taxes but rather to bankrupt Yukos and appropriate its valuable assets’143. en het gebrek aan een eerlijk proces,144. ten grondslag lagen aan het oordeel dat de Russische Federatie artikel 13 ECT heeft geschonden en aansprakelijk is,145. wordt immers niet gedragen door de door [betrokkene 3] geopinieerde loutere inconsistency van het niet innen van belastinschulden. Dat lag niet ten grondslag aan dit oordeel van de arbiters.
6.10.
In rov. 6.39 heeft het hof onbegrijpelijk geoordeeld dat uit de Final Awards niet blijkt dat de verklaringen van [betrokkene 3] voor het overige van enige betekenis zijn geweest voor de beslissingen van de arbiters. Immers heeft het hof de ‘voor het overige’ niet nader geduid, waarmee deze beslissing onnavolgbaar is.
Bewijsaanbod onjuist/onbegrijpelijk gepasseerd
6.11
In par. 6 van de antwoordmemorie na verwijzing heeft de Russische Federatie een uitdrukkelijk en specifiek aanbod gedaan tot het horen van getuigen (waaronder de in hoofdstuk 4 van die memorie genoemde personen) om te bewijzen dat zonder het vaststaande bedrog in de arbitrages met betrekking tot de heimelijke betalingen door HVY aan [betrokkene 3] wel in ruil voor een welgevallige verklaring, het scheidsgerecht in de arbitrages anders zou hebben kunnen oordelen. Daarmee heeft de Russische Federatie derhalve voldoende specifiek bewijs aangeboden van de relevantie van de verklaring van [betrokkene 3] voor de Awards.
Het oordeel van het hof in rov. 6.44 dat het bewijsaanbod niet relevant zou zijn en dat geen concrete feiten of omstandigheden zijn aangeboden te bewijzen die tot een andere beslissing van het hof over het beroep op het bedrog kunnen leiden, is in het licht van het bewijsaanbod onbegrijpelijk. Het bewijsaanbod betreft immers het springende punt met betrekking tot 's hofs oordeel over de relevantie van de verklaring van [betrokkene 3], namelijk of de arbitrages een andere uitkomst zouden kunnen hebben gehad. Reeds in zoverre is het oordeel van het hof dat geen relevant bewijs aangeboden, onbegrijpelijk. Voor zover in het oordeel van het hof besloten zou liggen dat het bewijsaanbod door de Russische Federatie ter zake onvoldoende concreet en specifiek zou zijn, is dat oordeel eveneens onbegrijpelijk in het licht van het bewijsaanbod in par. 6 van de antwoordmemorie na verwijzing.
Nu het bewijsaanbod door de Russische Federatie met betrekking tot de relevantie van de verklaring van [betrokkene 3] voor de uitkomst van de arbitrages voldoende concreet en specifiek was, terwijl dat bewijsaanbod bovendien relevant was voor het oordeel van het hof (de verklaring van [betrokkene 3] was niet relevant omdat niet zou kunnen worden vastgesteld dat de arbitrages een andere uitkomst zouden hebben gehad, zulks onjuist dan wel onbegrijpelijk), heeft het hof miskend dat het gehouden was om de Russische Federatie toe te laten tot getuigenbewijs van die relevantie.
Onderdeel 7 — Prejudiciële vragen: Unie-recht wel degelijk relevant
In rov. 6.3 heeft het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk overwogen en beslist dat de prejudiciële vragen die de Russische Federatie gesteld wil zien aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, niet relevant zijn voor het bedrog door HVY en de daarmee verbonden vraag of vanwege een dergelijk bedrog de arbitrale vonnissen moeten worden vernietigd.
Zoals hiervoor reeds aan de orde is gesteld, staat (in ieder geval) hypothetisch feitelijk vast dat HVY bedrog hebben gepleegd, onder meer met betrekking tot de zeggenschap door de Oligarchen. Ook heeft de Russische Federatie aangevoerd dat, indien en voor zover het bedrog niet zou hebben plaatsgevonden, het scheidsgerecht anders zou hebben kunnen beslissen146. over, onder meer, de bevoegdheidskwestie ten aanzien van het gebruik van HVY door de Oligarchen als hulpmiddel voor hun criminele onderneming.
Om dit causaal verband tussen het bedrog door HVY en de Awards naar behoren te kunnen onderzoeken, is het noodzakelijk om artikel 1, leden 6 en 7, en artikel 26 ECT uit te leggen, met name om te onderzoeken of en in hoeverre de zeggenschap van de Oligarchen over HVY een relevante overweging is. In de schriftelijke toelichting in het eerste cassatieberoep heeft de Russische Federatie in hoofdstuk 4 een aantal vragen voorgesteld, waarvan vragen 4 en 7 relevant zijn voor de zeggenschapskwestie, waarvan vaststaat dat HVY ter zake bedrog hebben gepleegd in de arbitrage, en voor de beantwoording van de vraag of dat bedrog moet leiden tot vernietiging van de Awards.147. Voor het geval het hof er niet zeker van zou zijn of het bevoegd zou zijn om prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen, heeft de Russische Federatie het hof verzocht om dan in ieder geval een prejudiciële vraag te stellen over de vraag of het bevoegd was om het arrest van Uw Raad van 5 november 2021 niet te volgen voorzover dat in strijd is met EU recht en of het bevoegd is om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van de ECT.
Met de verwerping door het hof van het verzoek van de Russische Federatie om prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen op de gronden zoals het hof heeft gedaan — die erop neerkomen dat de vragen geen betrekking hebben op het (vaststaande) bedrog door HVY over de zeggenschap en de daarmee verbonden vraag of dat bedrog moet leiden tot vernietiging van de Awards — heeft het hof miskend dat uitleg van de artikelen 1, leden 6 en 7, en 26 ECT wel degelijk relevant is bij de beoordeling van (de gevolgen van) het bedrog. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, is in ieder geval onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de door de Russische Federatie voorgestelde vragen 4 en 7 niet relevant zijn bij de beoordeling van (de gevolgen van) het bedrog.
De beslissing van het hof in rov. 6.3 dat het niet bevoegd is om prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen, omdat de beantwoording van die vragen niet relevant zou zijn voor de procedure na cassatie en verwijzing, kan daarom geen stand houden.
Onderdeel 8 — Incidentele vordering 843a Rv
Bij het slagen van (een of meer van de) middel(sub)onderdelen 2–5 kan het oordeel van het hof in rov. 6.43 dat de Russische Federatie geen rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van de gevraagde documenten in de incidentele vordering ex artikel 843a Rv, evenmin standhouden. Die beslissing bouwt immers expressis verbis voort op de eerdere beslissingen van het hof met betrekking tot de ontijdigheid van het beroep op procesbedrog, de aandeelhoudersovereenkomst en toetredingsakte en de zeggenschap, welke oordelen evenmin stand kunnen houden.
Onderdeel 9 — veegklacht
Het voorgaande vitieert ook rov. 6.44–6.47en het daaraan ontleende dictum, rov. 7.
Conclusie
De Russische Federatie vordert op grond van dit middel de vernietiging van het bestreden arrest, met zodanige verdere beslissing, mede met betrekking tot de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten. Voorts vordert de Russische Federatie dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaten
17 mei 2024
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑05‑2024
de correspondentie ter zake is gevoerd tussen advocaten van de Russische Federatie respectievelijk HVY in andere jurisdicties
B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey in Van der Wiel (red.) Cassatie 2019/187, met verwijzing naar HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70 (Organik/Dow), rov. 4.1–4.5.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/49, onder verwijzing naar HR 13 november 1987, ECLI:NL:HR:1987;AC3826, NJ 1988/941 en HR 10 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2071, NJ 1996/670
B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey in Van der Wiel (red.) Cassatie 2019/187
ECLI:NL:GHDHA:2018:2476, rov. 5.5–5.7 en dictum
ECLI:NL:HR:2021:1645, rov. 5.1.8
volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het hof hier ‘weinig aan kon doen’, omdat HVY ter zake hebben volstaan met een enkele zeer summiere opmerking op de titelpagina van de pleitnotities en daarvoor ter zitting mondeling op geen enkele wijze aandacht voor hebben gevraagd
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/49, onder verwijzing naar HR 13 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC3826, NJ 1988/941 en HR 10 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2071, NJ 1996/670
onder verwijzing naar HR 27 maart 2009, NJ 2010/169, ECLI:NL:HR:2009:BG4003 (Breeders/Burshan)
zie in deze zin ook Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 (2023)/516
H.J. Snijders in GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1068, aant. 1
Zie Kamerstukken II 1999/2000. 26 855, nr 3, blz. 173
Zie ook de conclusie van AG Wesseling-van Gent vóór HR 2 november 2012, ECLI:NL:PHR;2012:B W 9877, par. 2.8 en 2.9
Zie ook HR 20 april 2001, NJ 2002, 392
Th.B. Ten Kate en E.M. Wesseling-van Gent, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken (BBP nr 5) 2013/1.11.3
HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2831, NJ 1999/175, rov. 3.3
zie daarover uitgebreid J.J. van der Helm, De grenzen van de herkansingsfunctie van het hoger beroep in TCR 2004/4, blz 120 e.v.
dit is door Uw Raad niet imperatief geformuleerd
vergelijk voor gevallen van bedrog gedurende de procedure in verhouding tot de onderzoeksplicht van de bedrogene en de herstelfunctie van het hoger beroep P.A. Fruytier in GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 382 Rv, aant. 4 onder verwijzing naar AG Huydecoper in zijn conclusie vóór HR 20 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF6207, par. 16–19; vergelijk voor de gevolgtrekkingen die de rechter mag verbinden aan een ernstige schending van de waarheidsplicht in eerste aanleg in verhouding tot de herstelfunctie van het hoger beroep HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144 en de conclusie van AG Hartlief vóór HR 6 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:305, par. 4.25–4.31;
ECLI:NL:HR:2021:784 (Admiraal de Ruyter Ziekenhuis)
Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 (2023)/516; H.J. Snijders in GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1068 Rv, aant. 2; P.A. Fruytier in GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 482 Rv, aant. 14; HR 3 februari 1950, NJ 1950/703; HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2314 (Benetton/Eco Swiss); in dezelfde geest ook voor andere beroepsgronden de MvT, 26 855, nr. 3, ad art. IV sub C, D en E.
zie in deze zin Th.B. ten Kate en E.M. Wesseling-van Gent, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken (BBP nr 5) 2013/1.5.4., Asser Procesrecht/Giesen 1 (2015)/334; Asser Procesrecht/Asser 3 (2023)/41
HR 12 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0858, NJ 1993/524, rov. 3.3 (M/Staat); HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004;AR0285, NJ 2005/118, rov. 3.6 (Vreugdenhil/CBF); HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, JBPR 2014/2 (Heesakkers/Voets); HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, NJ 2017/214 (Ebecek/Trudo); HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1731, RCR 2020/14, rov. 2.5.2 (Intermaris/X).
HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2495, NJ 2007/294, rov. 3.5 (Spaanderman/Anova Food) en HR 24 april 2009, ECLI;NL:HR:2009:BH3137, NJ 2010/171, rov. 4.3 (IMS/Modsaf-IR II)
onder meer memorie van antwoord par. 14, 637a-e, 642, 644, 645, hfdst. VII-G, par. 1197–1200, met verwijzing naar nieuwe producties RF-202 en RF-D.15, 203, 295, 321–328 (zie Annex D bij de antwoordmemorie na verwijzing voor de momenten waarop de Russische Federatie de beschikking kreeg over deze nieuwe stukken), hfdst III.B(a), illegale verkrijging aandelen door de Oligarchen en hfdst III-C over de verklaring van de heren [getuige 3] en [getuige 6]; antwoordmemorie na verwijzing 44–53, hfdst. 3.5.2 (uit de achtergehouden stemovereenkomst blijkt dat niet de trustees stemrecht hadden maar de Oligarchen), hfdst. 3.5.3 (de Oligarchen bepaalden de facto het beleid van HVY, GML en Yukos); pleitnotities d.d 21 november 2023 par. 5–11, 13 en 14; antwoordakte, tevens incidentele memorie van eis ex artikel 843a Rv d.d. 15 november 2022 hfdst II.1 (de Oligarchen behielden de jure de zeggenschap), hfdst. II.1 (de Oligarchen behielden feitelijk de zeggenschap) en hfdst 11.3 (de Oligarchen hadden ook zeggenschap over VPL)
onder meer memorie van antwoord par. 1198(e), 1221–1223; antwoordmemorie na verwijzing par. 6, hfdst. 4, m.n. par. 193, 194, 195 en hfdst. 4.4, waaronder 4.4.2 (schending UNCITRAL RULES) en 4.4.3 (heimelijke indirecte betalingen); antwoordakte, tevens incidentele memorie van eis ex artikel 843a Rv d.d. 15 november 2022, hfdst III; pleitnotities 21 november 2023 par. 47–53
onder meer memorie van antwoord par. 17, 636–638, 640 hfdst VII-G m.n. par. 1195 (kader), 1197–1200, 1207; antwoordmemorie na verwijzing par. 3, 5, 45, 49–53, 71, 74, 75, 80, 88, hfdst. 3.4, m.n. par. 99, 113, 119, 128, hfdst. 3.5.1–3.5.2 (achtergehouden stukken waaruit blijkt dat niet de trustees stemrecht hadden, maar de Oligarchen), hfdst 3.5.3 (achtergehouden stukken waaruit blijkt dat de Oligarchen de facto het beleid van HVY, GML en Yukos bepaalden), par. 158, 166, 172 en 173; antwoordakte, tevens incidentele memorie van eis ex artikel 843a Rv d.d. 15 november 2022 par. 6, 12, hfdst II.1, hfdst II.5 (HVY hebben opzettelijk geen uitvoering gegeven aan exhibitiebevelen in de arbitrages)
zie daarover onder meer memorie van antwoord, par. 638–641 en 1198 en de antwoordmemorie, par. 5, 75–80, par. 97, 112 en 139–147,
producties RF-200 en RF-201
productie RF-202
Pleitnota prof, mr A.J. van den Berg d d. 9 februari 2016, par. 46–47
par. 29 en 30 onder verwijzing naar producties RF-200, RF-201 en RF-202 en par. 48 en 49 met verwijzing naar de eerste uitspraak van het EHRM in de belastingzaak, de Final Awards, randnrs 1808–1809, de stellingen zijdens de Russische Federatie in Dgv par. 248,257 en voetnoot 302, CvR par. 250, de HUL Interim award, randnr 433, de YUL Interim award, randnr 434 en de VPL Interim award, randnr 490
zie annex D bij de antwoordmemorie na verwijzing d.d.17 mei 2022 voor de verschillende momenten waarop de Russische-Federatie-stukken in handen heeft gekregen
zie voor de vindplaatsen in (onder meer) de memorie van antwoord voetnoten 28–30
akte houdende bezwaar tegen eiswijziging d.d. 13 februari 2018
Th.B. Ten Kate en E.M. Wesseling-van Gent, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken (BBP nr 5) 2013/1.11.3
Zie de conclusie van AG Wesseling-van Gent vóór HR 2 november 2012, ECLI:NL:PHR;2012:B W 9877, par. 2.8 en 2.9
producties RF-200, RF-201 en RF-202
zie de pleitnotities van prof, mr A.J. van den Berg 9 februari 2016, par. 29, 30, 46 en 47
producties RF-200 en RF-201
productie RF-202
zie de pleitnotities van prof, mr A.J. van den Berg 9 februari 2016, par. 29, 30, 46 en 47
Zie voor verwijzingen naar Annex D antwoordmemorie na verwijzing par. 142 (voetnoot 226) en 180; antwoordmemorie tevens eis ex art. 843a d.d. 15 november 2022, par. 3 (voetnoot 4); pleitnotities d.d. 21 november 2023, par. 45
zie de pleitnotities van prof, mr A.J. van den Berg 9 februari 2016, par. 29, 30, 46 en 47
Antwoordmemorie na verwijzing par. 242 voetnoot 418.
Zie onder meer antwoordmemorie na verwijzing, par. 49 en 178
Zie Annex D bij de antwoordmemorie na verwijzing, alsmede onder meer antwoordmemorie na verwijzing, par. 49–51, voetnoot 71, par. 138, voetnoot 220, par. 148, voetnoot 241, par. 150, voetnoot 248, par. 179 en 180, voetnoten 285–289
HR 27 maart 2009, NJ 2010/169, ECLI:NL:HR:2009:BG4003 (Breeders/Burshan); zie ook KR 27 maart 2009, NJ 2010/170, ECLI:NL:HR:2009:BG6443 (Smit Bloembollen/Ruwa Bulbs) en — met betrekking tot de mogelijkheid om na cassatie en verwijzing stellingen nader te preciseren en toe te lichten — N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk in Van der Wiel (red.) Cassatie 2019/401-402 en de conclusie van AG Wissink vóór HR 16 april 2021, ECLI:NL:PHR:2020:1216, par. 3.10 met verwijzing naar HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8991, NJ 2013/5, rov. 3.3.4, HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9994, NJ 2012/405, rov. 3.4.2 en HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1435: NJ 2012/423, rov. 5.1.4. (ASMI II)
van de in de schriftelijke toelichting aangehaalde vindplaatsen noem ik (de noot van Scholten (sub 2) bij) HR 2 mei 1969, NJ 1969, 344; HR 12 november 1982, NJ 1983, 82 (zie de conclusie van A-G Ten Kate, waarnaar het arrest verwijst — waarin veel verdere verwijzingen); Asser-Hartkamp, 4-II, 2001, nr. 202, eveneens met verdere verwijzingen; HR 7 november 1997, NJ 1998, 364, rov. 3.7; HR 24 januari 1997, NJ 1999, 56 m.nt. CJHB, rov. 3.4.2, slot; Schadevergoeding (losbl.), Boonekamp, art. 101, aant. 12. (p. art. 101-43 en 44 sub a. en e.); Asser-Hartkamp 4-1, 2000, nr. 452; Van Wassenaer van Catwijck-Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid, 1995, p. 21 en p. 56; Spier, Mon. Nieuw BW B36, 1992, p. 10.
zie hiervoor ook onder meer de inleiding op blz 3–4 en middel(sub)onderdeel 2.3, 3.1a, 3.2.b, 4, 5.2, 6, 6.1.a en 6.3
zie in die zin de antwoordmemorie na verwijzing, par. 178 en 189 achter (iii)
antwoordmemorie na verwijzing, par. 178 en 189 achter (iii)
zie voor vindplaatsen in (onder meer) voetnoten 28–30
producties RF-200, RF-201 en RF-202, waarover pleitnotities van prof, mr A.J. van den Berg 9 februari 2016, par. 29, 30, 46 en 47
zie Annex D bij de antwoordmemorie na verwijzing, alsmede par. 49 (voetnoot 71), 136–138, 146, 148 (voetnoot 241), 150 (voetnoot 248), 180
Annex D bij de antwoordmemorie na verwijzing, alsmede par. 49 (voetnoot 71), 136–138, 146, 148 (voetnoot 241), 150 (voetnoot 248), 180
Pleitnotities prof, mr A.J. van den Berg d.d. 9 februari 2016 par. 44–48
zie ter zake ook de brief van de zijde van de Russische Federatie aan het gerechtshof van 12 januari 2018, par. 5.3 en 7.3
arrest rov. 6.6 en memorie van antwoord par. 1223, antwoordmemorie na verwijzing par. 6, 194 hfdst. 4.4.2, par. 236, 241; pleitnotities mr J.M.K.P. Cornegoor d.d. 21 november 2023, par. 47–51
HR 28 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:784 (Admiraal de Ruyter Ziekenhuis)
zie annex D; de stukken waarover de Russische Federatie kort voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg de beschikking kreeg, zijn toentertijd reeds in het geding gebracht, RF-200, RF-201 en RF-202; zie daarover pleitnotities van prof. mr A.J. van den Berg 9 februari 2016, par. 29, 30, 46 en 47
zie hierover de antwoordakte, tevens incidentele memorie van eis ex artikel 843a Rv d.d. 15 november 2022, par. 125
deze documenten vormen tezamen productie RF-526
zie daarover de antwoordakte, tevens incidentele memorie van eis ex artikel 843a Rv d.d. 15 november 2022, par. 125
H.J. Snijders, Nederlands arbitragerecht (2011) art. 1068, aant. 5
akte uitlatingen nieuwe stellingen d.d 9 augustus 2022, par. 42 en 43; zie daarover antwoordakte, tevens incidentele memorie van eis ex artikel 843a Rv d.d. 15 november 2022, par. 3 (voetnoot 4), 125, pleitnotities mr J.M.K.P. Cornegoor d.d. 21 november 2023, par. 44 en 45
zie Annex D bij de antwoordmemorie na verwijzing, vermeldingen bij productie RF-526 aldaar
zie annex D voor een overzicht van de, met vermelding van het moment waarop deze werden verkregen en de vindplaatsen in de processtukken waarin naar deze documenten wordt verwezen ter onderbouwing van het door de Russische Federatie gestelde bedrog door HVY
voor vindplaatsen zie voetnoot 30
EA: Dgv par. 52, 66, 101, 248, 255, 257, 263, 264, 307, 362 (in de sleutel van de onbevoegdheid van het scheidsgerecht, eiseressen zijn geen beschermde investors, geen sprake van beschermde investeringen). HB: MvA 13, 508, 509, (28 gevallen van illegaal handelen door oligarchen door middel van schijn vennootschappen), 526 (shadow bidding), 530–543 (steekpenningen en betrokkenheid [betrokkene 4] en [betrokkene 4]). HB na verwijzing: Antwoord memorie na verwijzing par. 66–68 en hst 3.6 (relevantie controle oligarchen over GML voor arbitraal oordeel ten aanzien van schade en eigen schuld, inzagevorderingen. Zeggenschapskwestie was basis voor Final Awards.
MvA hst III C, mn 617–619 (misleiding in vernietigingsprocedure), 635–648, met verwijzing naar processtukken (misleiding in arbitrale procedure en schending procedural orders document production)
Antwoordmemorie na verwijzing par. 6, 194 (tijdens arbitrages), hst 4.2.2 (speciale afdeling), 236-b (maatstaf of arbiters tot ander oordeel zouden hebben kunnen komen, als gevolg van heimelijke betaling kroongetuige), hst 6 (bewijsaanbod)
Antwoordmemorie na verwijzing par. 5, hst 2.2.3, 3.6, 4.6, 5.4
Antwoordmemorie na verwijzing par. 7, 30 en 31.
Antwoordmemorie na verwijzing 7, 15, 23–27, 38–43 (juridische kader eerlijk proces), 241 (ten aanzien van mogelijkheid tot ondervraging [betrokkene 3] over heimelijke betalingen), 189 (in de sleutel van schending artikel 21 Rv, analogie met artikel 382 Rv en strijd met de goede proces orde). Zie ook over de relatie tot het recht op een eerlijk proces ook: A.G.F Ancery: Informatie uitwisseling tussen partijen in het civiele geding, Tv PP 2015-2
Antwoordmemorie na verwijzing 5, 10 (chronologisch overzicht), 24 (in het kader van bedrog, vtnt 29), 97, 98, 111 (toegewezen verzoek overlegging stukken over zeggenschapsverhoudingen), 139 (bedrieglijke verklaring HVY dat overeenkomstig procedural orders stukken zijn overgelegd), 140 (stemrechtovereenkomst), 144–147 (door [naam 1] ondertekende overeenkomst namens GML), 139 (bedrieglijke verklaring van Hudson dat alle ‘terms that have amended the terms of the trust’ zijn overgelegd), 151 (aantekeningen bespreking 12 december 2003 over overdracht stemrecht aan oligarchen), 153 (verzoek GML ten behoeve van VPL ‘to provide individuals who (…) appear to be managing the companies by administering their bank accounts and signing all agreements), 154–155 (brief GML waaruit blijkt dat oligarchen de trustees konden negeren en rechtstreeks namens GML en HVY transacties met derden sloten), 174 (procedural order 12; als partijen in strijd met de waarheid verklaren niet over de gevraagde stukken te beschikken dan kan dit ‘severe consequences’ hebben).
Antwoordmemorie na verwijzing 241 (geen eerlijk proces want geen mogelijkheid om [betrokkene 3] te ondervragen over de heimelijke betalingen).
Antwoordmemorie na verwijzing par. 15 en 16 en de daar vermelde literatuur.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 25.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 25–27 en de daar vermelde jurisprudentie en literatuur.
Zeggenschapskwestie: Antwoordmemorie na vverwijzing 44–45, 53 (ononderbroken verklaard dat volledige zeggenschap bij trustees), 160 (Interim Award: zeggenschap is van belang voor allerlei beslispunten). [betrokkene 3]: MvA 1221 ([betrokkene 3] is betrouwbare en overtuigende getuige), Antwoord-memorie na verwijzing hst 4 mn §192 ([betrokkene 3] is geloofwaardige en overtuigende getuige), 195 (HVY betwist niet dat [betrokkene 3] heimelijk is betaald, zie ook §§ 222–225 en 231), 104 (HVY benadrukt zelf belang verklaringen [betrokkene 3]), 206 (sheidsgerecht verwijst tientallen keren naar [betrokkene 3]), 207 (oordeel scheidsgerecht is gebaseerd op [betrokkene 3]), 211–212 (heimelijk karakter betaling is bevestigd door [getuige 5], [getuige 3] en [getuige 4]), 213 (betaling is in arbitrage verzwegen), 214 en 230 (heimelijke betaling is in strijd met UNCITRAL Arbitraion Rules), 230 (schending artikel 21 Rv), 241 (schending recht op eerlijk proces want geen gelegenheid tot ondervraging over heimelijke betaling), 243 (ook bedrog ten aanzien van kroongetuige). Achterhouden documenten: MvA 638, 640, 1198 b-c (achterhouden documenten schendt procedural order 12), 1195 kader (scheidsgerecht is voorgelogen), 1198-c (directe band HVY met oligarchen), 1197–1200 (vernietiging op grond van schending openbare orde). Antwoordmemorie na verwijzing: 45 (zeggenschap bij trustees, weigering documenten te overleggen, wegens onvoldoende bewijs konden arbiters niet vaststellen dat oligarchen zeggenschap hadden over GML, HVY en Yukos), 46 (oligarchen betaalden steekpenningen ambtenaren die toezicht hielden op privatiseringsproces; de Red Directors), 50 (trustees geen rol van betekenis), 51 (zeggenschaps verhoudingen van belang voor oa inzage vorderingen, omvang schade en eigen schuld), 187 (HVY heeft bestaan zeggenschapsdocumentatie onkend)
Antwoordmemorie na verwijzing 40–41 (bedrog leidt tot schending hoor en wederhoor), 189 (rechtsgevolgen zijn strijd met artikel 21 Rv en de goede procesorde. Ook kan HVY geen beroep doen op uitspraken die door bedrog tot stand zijn gekomen.)
Zie ook Antwoordmemorie na verwijzing par. 28–31 en de daar vermelde jurisprudentie en literatuur.
MvA hst VII G, mn 1197–1198 a-c (relatie met oligarchen en schending document production order), 1198-b (smeergeld, brief GML 2011 en schending document production order 12, deelname oligarchen aan besluitvorming van VPL en HVY), 633–648 (onjuiste stellingen over zeggenschap), 1197–1198-c (briefwisseling GML 2012 over beslissende invloed oligarchen op HVY), 1207, Antwoord memorie na verwijzing §3, mn 45–50, §3,2 mn 56, 73–74, §3.3 mn 82, 86–88, §3.5 mn 134 met verwijzingen naar MvA, 135–141)
Antwoordmemorie na verwijzing § 3.1, 40–53 met verwijzing naar §3.8, mn 189
In hoger beroep: MvA 14 (door Getuigen [getuige 3] en [getuige 5]: duidelijk dat HVY in arbitrages en vernietigingsprocedure valse verklaringen heeft afgelegd), MvA 637 onder a en b (uit Amerikaanse procedure gebleken brief GML uit 2011: oligarch Brudno vertegenwoordigt HVY in transacties, trustees vrijelijk omzeild. Verder betaling steekpenningen aan beleidsbepalers VPL waardoor zeggenschap feitelijk bij oligarchen ligt), 637 onder c (getuige [getuige 3] ten aanzien van de noodzakelijk voorafgaande toestemming oligarchen bij HVY), 637 onder d (getuige [getuige 6]; oligarch [naam 1] behartigt belangen van HVY), 637 onder e (emailwisseling met [naam 1]; oligarchen en niet de trustees zijn consistent betrokken bij bestuur HVY), 642 (getuigen [getuige 1] en [getuige 2]; trusts worden gebruikt om eigendom en zeggenschap te verbergen), 644 getuige [getuige 7]; trustees zijn stromannen die worden gecontroleerd door de oligarchen), 1198 onder b (door betaling smeergeld hebben oligarchen controle over VPL, schending procedural order 12, oligarchen ononderbroken betrokken bij besluitvorming HVY), 1198 onder c (briefwisseling uit 2012: achtergehouden documentatie ten aanzien van illegale verwerving aandelen Yukos door oligarchen, schending procedural order 12 waardoor arbiters niet beschikten over compleet dossier). In hoger beroep na verwijzing: Antwoordmemorie na verwijzing 51 (feitelijke zeggenschap altijd bij oligarchen gebleven: bedrog §3.5 en 52; zeggenschapsverhoudingen zijn relevant; §3.6), 180–181 (4 fasen van verkregen bewijs, per processtuk. Annex D), 186 (HVY ter zitting Haagse Hof: ‘trustees hebben exclusieve bevoegdheid’)
CvR hst III D, mn par. 265, 270 en 273.
zie antwoordmemorie na verwijzing par. 189 en voetnoot 307 aldaar
Antwoordmemorie na verwijzing par. 167, 169, verwijzend naar par. 1599 en1637 Final Awards.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 168, 169 verwijzend naar Final Awards, randnrs. 1368–1369 en Littop v. Ukraine, SCC Case No. V 2015/092, Final Award, 4 februari 2021, randnrs. 363, 455, 485; zie ook antwoordakte tevens eis 843a Rv d.d. 15 november 2022, par. 68 e.v., akte d.d. 24 oktober 2023, par. 43 e.v. pleitaantekeningen mr J.M.K.P. Cornegoor d.d. 21 november 2023, par. 36 e.v.
Onder meer EA: dgv 259, CvR 270 (niet betwist dat HVY schijnvennootschappen zijn), plnta 40, 44 (prof [professor]), 47–48 (EHRM), Hoger beroep: MvA 14 ([getuige 3] en [getuige 5]), 637 a-b (brief GML 2011), 637-c ([getuige 3] voorafgaande toestemming), 637-d ([getuige 6]), 642 ([getuige 1] en [getuige 2]), 644 ([getuige 7]), 1198-b (brief GML 2011), 1198-c (briefwisseling 2012), Hoger beroep na verwijzing: Antwoordmemorie na verwijzing 51, met verwijzing naar par. 3.5, Antwoordmemorie na verwijzing 18, met verwijzing naar Annex D, 148 (persoonlijke instemming [naam 1] betalingen), 156 ([naam 1] onderhandelde namens GML en HVY), 44 (Oligarchen waaronder [naam 1], ononderbroken volledige zeggenschap), 144 ([naam 1] sloot contract namens GML)
Akte 24 oktober 2023 par. 3.
EA: Dgv Hst V.C en CvR hst IV C, CvR VII B, MvA hst VII G, openbare orde grond 5, par. 1198 (relatie oligarchen, smeergeld, betrokkenheid bij belangrijke besluiten, schending procedural order 12, briefwisseling 2012, onjuiste verklaringen over geheime betalingen aan kroongetuige), par. 1207 (achter houden stukken), hoger beroep na verwijzing: Antwoordmemorie na verwijzing par. 180 (i) (documenten over verhoren tzv zeggenschap waarbij de Russische Federatie niet aanwezig was), par. 193–194 en 210 (documenten over geheime betalingen aan kroongetuige), pa. 211–212 (Russische Federatie is niet in de gelegenheid gesteld om [betrokkene 3] te ondervragen over de geheime betalingen), par.213–215 (geheime betalingen zijn in strijd met UNCITRAL Arbitration Rules), par. 230 (schending artikel 21 Rv, par. 229 (Aan Russische Federatie is gelegenheid ontnomen om [betrokkene 3] te ondervragen over geheime betalingen)
MvA par. 1205-d.
MvA 637-c ([naam 1] is een van de zgn oligarchen die Yukos uiteindelijk controleren door middel van hun aandelenparticipaties in GML), 637-d ([naam 1] behartigde belangen van HVY), 637-c (niet de trustees, maar de oligarchen waaronder [naam 1] zijn consistent betrokken bij bestuur van HVY), 644 (system of holding shares in Menatap Group through trusts was set up (…) in such a way that (…) [naam 1] (…) always has control over the shares) en 645 (oligarchen oefenen directe zeggenschap uit over HVY), en (GML was owned outright by the oligarchs, until 2003 when they placed their shares in GML in a number of trusts (…) the Pictor Trust (for mr [naam 1]) the Palmus Trust (…) also held GML shares. Mr [betrokkene 4] was initially the beneficiairy of these trusts, but in 2005 his interest was transferred to mt [naam 1]. I note that the creation of these trusts structures had no practical effect on the ability of the oligarchs to direct the action of GML (…), MvA 1197–1198 (verzwijgen zeggenschap in het kader van de vernietigingsgrond openbare orde), Antwoordmemorie na verwijzing 44, 73, hst 3.5.3 en 3.5.4 (oligarchen, maar met name [naam 1] bepalen beleid).
MvA 645 (verklaring Gololobov: Palmus Trust = [naam 1]), Antwoordmemorie na verwijzing 159 (de trustee van Palmus Trust beschikte als enige vrijelijk over de stemrechten in GML).
Antwoordmemorie na verwijzing par. 214 en de daar vermelde literatuur.
Antwoordmemorie na verwijzing hst 4.1, mn par. 194–195.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 215.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 217–225. Zie ook par. 229–230: in een andere arbitrage heeft HVY de verklaring van [betrokkene 3] ingetrokken waardoor de Russische Federatie hem niet meer over de betaling kon ondervragen.
Antwoordmemorie na verwijzing hst 4.1, mn par. 194–195.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 230.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 207.
MvA 1198-e, 1221, 1222, Antwoordmemorie na verwijzing 194–196, 211–214 en 230. 222–225, 231.
Final Awards par. 157, 158, 160, 161, 162, 241, 537, 542, 772, 774, 788, 802, 815, 816, 851, 852, 855, 857, 863, 868, 882, 927, 931, 933, 965, 988, 1038, 1039, 1039, 1127, 1192, 1219, 1251, 1228, 1229, 1248 125.
Final awards par. 163, 164, 165, 166, 167, 168, 169, 241, 537, 542, 774, 788, 789, 816, 872, 926, 927, 931, 933, 942, 943, 961, 962, 963, 964, 965, 1038, 1040, 1070, 1076, 1081, 1118, 1124, 1131, 1138, 1142, 1190, 1809.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 199.
Antwoordmemorie na verwijzing 206-c, verwijzend in vtnt 343 naar Final Awards par. 756, 1579–1580 en 1585: ‘the primary objective of the Russian Federation was not to collect taxes but rather to bankrupt Yukos’.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 205–206 a-f, 207
Final Awards 146 (50 person special unit), Antwoordmemorie na verwijzing 191–192, 199, 205 (speciale afdeling), 206, 207 (verwijzingen arbiters naar verklaring [betrokkene 3])
Antwoordmemorie na verwijzing 4.2 mn 198–201,en 4.3. met verwijzingen naar de Final Awards
Antwoordmemorie na verwijzing par.6, 21, hst 2.2.3, par. 28–31. par. 174 (severe consequences)
Antwoordmemorie na verwijzing par. 213–215 (verzwijging betaling) 241 (schending recht op eerlijk proces), 243 (bedrog tav kroongetuige)
Antwoordmemorie na verwijzing 213–215 (schending UNCITRAL Arbitration Rules).
Antwoordmemorie na verwijzing par. 213–215, mn par. 214.
Antwoordmemorie na verwijzing 174 (liegen over de niet beschikbaarheid van documenten zouden arbiters ‘severe consequences’ kunnen verbinden)
Antwoordmemorie na verwijzing par. 28–31, mn par. 29.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 203–204.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 204, met verwijzing naar par. 146 Final Awards.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 194, met verwijzing naar par. 4.4.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 205–207.
par. 1772 en 1888 e Final Awards (Russische Federatie heeft artikel 13 lid 1 ECT geschonden)
Antwoordmemorie na verwijzing hst 4.2, par. 213–215, (verzwegen betaling ism UNCITRAL Arbitration Rules), m.n. par. 198–201 (speciale unit), 203–204 (HVY stellingen steunen op [betrokkene 3]), 205–207 (relevantie [betrokkene 3] voor beslissing scheidsgerecht). 214. Verder par. 230 (schending artikel 21 Rv)
Antwoordmemorie na verwijzing 241 (schending recht op eerlijk proces).
Antwoordmemorie na verwijzing par. 192 en par. 4.3
Antwoordmemorie na verwijzing hst 4.2, 4.3 (m.n. par. 198–201, 205, 206; speciale unit) en de daar vermelde par. in de Final Awards.
Antwoordmemorie na verwijzing hst 4.2.1, mn par. 199 (speciale unit) en hst 4.3 (speciale unit en gang van zaken executieveiling)
Antwoordmemorie na verwijzing par. 206
Antwoordmemorie na verwijzing par. 206
Antwoordmemorie na verwijzing par. 206 -f en de verwijzingen aldaar naar de Final Awards. Zie ook par. 1020 van de Final Awards waarin arbiters concludeerden dat de prijs die [naam 4] heeft betaald op de veiling ver beneden de ‘fair value of the shares’ lag. Hierover heeft slechts [betrokkene 3] verklaard; Final Awards 1013.
Antwoordmemorie na verwijzing hst 4.2.1, mn par. 199.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 206.
Antwoordmemorie na verwijzing hst 4.2.1, mn par. 199.
Antwoordmemorie na verwijzing hst 4.3, mn par. 206 en 207.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 206-f / 207 en verwijzing naar Final Awards par. 1013: onderwaardering aandelen, par. 1016 Russian Government agencies are closed on Saturdays and Sundays, par. 1019 [naam 3] and [naam 4] probably felt well protected maybe by the Russian government. En par. 799: Dr [betrokkene 3] to be a credible and convincing witness.
Antwoordmemorie na verwijzing par. 206 en 207
Nr 1041: Dr. [betrokkene 3] described the confiscation of YNG as the ‘culminating point of th[e] attack’ on Yukos, following which the Russian authorities took no further steps to satisfy Yukos’ alleged tax debts. Such conduct was inconsistent with a genuine attempt to collect taxes.
Final Awards nr 1579.
Final Awards nr 1580–1584.
Final Awards nr 1585.
zie middelonderdeel 4
Antwoordmemorie na verwijzing par. 266 en 267