Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/2.3.1
2.3.1 Inleiding
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972036:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs, in aanvulling op de rechtseconomische beschouwingen in par. 2.2.1 hiervoor, naar Mackaay (diss.) 1982, p. 115-117, over informatie als capital asset van de onderneming. Vgl. HR 24 november 2017, JOR 2018/40 m.nt. C.M. Harmsen (X/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds), r.o. 4.2, waarin de Hoge Raad overweegt dat de administratie van een rechtspersoon toebehoort aan die rechtspersoon. Vgl. voorts de conclusie van P-G Berger bij HR 9 oktober 1942, NJ 1942/821 (Ter Horst q.q./Bouman), waarin reeds is erkend “dat de boeken eener naamlooze vennootschap niet zijn de boeken der gezamenlijke aandeelhouders, doch die van eenen afzonderlijken rechtspersoon”.
De CV heeft overigens wel een duale structuur waarbij een scheiding wordt gemaakt tussen de factor kapitaal (de commanditaire vennoten) en de factor leiding (de beherende vennoten), zie voetnoot 32 bij par. 1.2.3 hiervoor.
Voor de stichting geldt een ledenverbod (artikel 2:286 lid 1 BW). Indien een raad van commissarissen is ingesteld, zal het leerstuk van informatierechten mogelijk wel spelen ten aanzien van de commissarissen (zie ook artikel 2:292a lid 10 BW), al zal dat leerstuk dan minder op de voorgrond staan (vgl. par. 2.4.2 hierna).
De hiervoor omschreven belangenafweging is niet beperkt tot ‘externe’ transparantieplichten, maar is als gezegd ook relevant voor informatieverstrekking binnen de vennootschap. De vennootschap is, als rechtspersoon, een zelfstandig drager van rechten en plichten met een eigen, afgescheiden vermogen. Dit vennootschapsvermogen wordt aangewend om de activiteiten van de vennootschap te ontplooien. De informatie van de vennootschap kan – al dan niet naar analogie – worden beschouwd als onderdeel van dat vennootschapsvermogen.1 Zij die beschikken over het vennootschapsvermogen, beschikken daarmee ook over de informatie van de vennootschap.
Kapitaalvennootschappen en andere corporatieve rechtspersonen met lidmaatschapsverhoudingen worden gekenmerkt door een duale structuur. In een dergelijke structuur bestaat een scheiding tussen enerzijds het leidinggevend orgaan (het bestuur) en anderzijds het orgaan samengesteld uit de leden (de algemene vergadering). Slechts de leden van het leidinggevende orgaan – de bestuurders – beschikken over het vermogen van de rechtspersoon, en daarmee ook over diens informatie. De overige betrokkenen, waaronder de leden, zijn afhankelijk van de bestuurders voor het verkrijgen van toegang tot informatie.
In deze functiescheiding ligt volgens mij de herkomst of het fundament van het leerstuk over informatierechten van aandeelhouders. In rechtsvormen zonder functiescheiding – ik denk dan met name aan personenvennootschappen2 en de stichting3 – zal dit leerstuk niet of een minder grote rol spelen. Ook in kapitaalvennootschappen is functiescheiding echter geen binair begrip; er zijn gradaties denkbaar. De mate waarin kapitaal en leiding daadwerkelijk zijn gescheiden, althans de wijze waarop die scheiding uitwerkt binnen de vennootschap, is afhankelijk van de aard van die vennootschap. De functiescheiding zal vaak zwakker zijn in besloten verhoudingen dan in open verhoudingen, wat in het algemeen zal leiden tot een ruimere toegang tot informatie voor de aandeelhouder. Gezien het belang van de functiescheiding voor het leerstuk over informatierechten van aandeelhouders, zal ik deze in de navolgende paragrafen vanuit verschillende perspectieven belichten.