Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.4.2:3.4.2 Artikel 155
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.4.2
3.4.2 Artikel 155
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS622169:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 112005/06, 29 834, nr. 9, p. 9.
Pad. Gesch. Boek 5, p. 124-125.
Bijvoorbeeld Hof Arnhem, 16 juni 1987, NJ 1988, 1049 of Hof Den Bosch, 8 juli 1987, NJ 1988, 547.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 21.
Kamerstukken 11 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 21.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 27.
Kamerstukken 11 2005/06, 29 834, nr. 28.
Bron: De Dienst voor het kadaster en de openbare registers.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan de Overgangswet NBW is een artikel 155 toegevoegd waarvan het eerste lid bepaalt dat vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van het tweede lid van artikel 5:20 BW, dit mede van toepassing is op een net dat voordien is aangelegd dan wel op dat tijdstip wordt aangelegd. Dit is nodig omdat volgens artikel 69 aanhef en onder sub a Overgangswet NBW de enkele inwerkingtreding van een nieuwe BW-bepaling niet tot gevolg heeft dat iemand een vermogensrecht verliest dat hij onder het tevoren geldende recht had verkregen. De regel dat niet de grondeigenaar maar de bevoegde aanlegger of diens rechtsopvolger de eigenaar is van een ondergronds net geldt daarom dus ook voor alle netten die al zijn aangelegd of ten tijde van de inwerkingtreding worden aangelegd:1
`Voor gevallen waarin thans geen horizontale natrekking van een transportnet door een kernperceel of moedererf aanwezig wordt geacht dient, gelet op artikel 69, aanhef en onder a, Overgangswet, uitdrukkelijk te worden bepaald dat aan artikel 5:20 lid 2 BW onmiddellijke werking toekomt. Dit is geschied in het voorgestelde artikel 155 Overgangswet.'
Tegen deze overgangsrechtelijke bepaling bestond enige weerstand. Dit artikellid zou resulteren in een ernstige schending van iemands eigendomsrechten Immers bij onmiddellijke inwerkingtreding van artikel 5:20, tweede lid BW zouden grondeigenaren, die menen eigenaar te zijn van een net in hun grond op basis van de verticale natrekking hun eigendom direct kunnen verliezen aan de aanlegger van het net die op grond van de nieuwe regeling menen eigenaar te zijn. Er zou dan sprake kunnen zijn van onteigening zonder dat vooraf een schadeloosstelling is verzekerd en dat is in strijd met artikel 14 Grondwet en artikel 1 van het (eerste Protocol) EVRM. Het antwoord van de minister hield in dat dit nieuwe artikel 155 een einde zou maken aan de onzekerheid in het huidige recht over de eigendom van netten. Volgens artikel 5:20, eerste lid sub e BW zal bij een geschil hierover de rechter moeten beslissen of sprake is van verticale, dan wel horizontale natrekking. In het verleden werd door de wetgever2` doorgaans aangenomen dat de verticale natrekking zou gelden, maar dat een ontwikkeling in de richting van de horizontale natrekking mogelijk was. In de rechtspraak heeft die ontwikkeling zich doorgezet en is de eigendom van een net op basis van de horizontale natrekking meermaals aangenomen.3 De kabelarresten gaven vervolgens weer een iets andere draai aan de eigendomsvraag met betrekking tot netten en dus meende de minister dat aan de bestaande onzekerheid een einde gemaakt moest worden door in artikel 155 te bepalen dat de nieuwe eigendomsregeling voor zowel nieuwe als reeds bestaande netten geldt:4
`Deze uitspraken nemen derhalve niet weg dat de uiteindelijke beslissing over blijft gelaten aan de rechter met alle bezwaren van de daaraan inherente onzekerheid. Aan die bezwaren kan slechts een einde worden gemaakt door de nieuwe regeling vanaf de inwerkingtreding daarvan zowel op reeds bestaande als op nog aan te leggen netwerken te betrekken'.
Voor zover een grondeigenaar — gelet op de destijds geldende rechtspraak — er vanuit kon gaan dat hij op basis van verticale natrekking eigenaar zou zijn, dan zou, aldus de wetgever, hij zich daarvan in de praktijk niet bewust zijn geweest. In die zin zou ook niet direct sprake kunnen zijn van 'onteigening' in de zin van artikel 14 Grondwet, noch van 'ontneming' in de zin van artikel 1 eerste Protocol EVRM. De overgangs-rechtelijke regeling zou juist gezien moeten worden als 'regulering' van de eigendom in de zin van het eerste Protocol. Tevens stelde de minister dat het een misverstand was om te denken dat grondeigenaren, die thans geacht moeten worden door natrekking enkel juridisch eigenaar te zijn van het deel van het net dat door hun perceel loopt, door de doorknip ook maar enig vermogensnadeel zouden leiden. Zij hadden immers nooit een financiële tegenprestatie geleverd voor de verkrijging van hun eigendom.5
De leden Hessels, Van Dam en Aptroot namen geen genoegen met het antwoord van de minister en dienden een amendement6 in dat inhield dat aan artikel 155 een tweede lid werd toegevoegd. In dit lid werd de werking van artikel 5:20, tweede lid BW uitgesteld indien de partij op wiens kosten een net in zijn grond is aangelegd en ten behoeve van wie het net wordt gebruikt, binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wetswijziging een eis heeft ingesteld tot vaststelling van de eigendom van dat net en dit (= het indienen van de eis) heeft ingeschreven in de openbare registers. In de toelichting op dit amendement werd gesteld dat (mogelijke) onteigening van het net van de grondeigenaar voorkomen moet worden voor zover sprake is van netten waarbij de grondeigenaar een concreet belang heeft. Van een dergelijk concreet belang is sprake wanneer de aanleg is geïnitieerd door de grondeigenaar, het net door hem wordt gebruikt en hij de kosten voor dit net direct of indirect heeft betaald. Het uitstellen van de werking van het tweede lid van artikel 5:20 BW bewerkstelligt dat de rechtspositie van bij het net betrokken partijen (bijvoorbeeld grondeigenaar versus leidingbeheerder) gelijk blijft ten aanzien van geschillen over de eigendom van een net. Voorwaarde om voor de uitgestelde inwerkingtreding in aanmerking te komen is dat binnen de termijn van twee jaar een zaak voor de rechter aanhangig is gemaakt en tevens dat dit, omwille van de rechtszekerheid, wordt ingeschreven in de openbare registers (conform artikel 38 Kw). Indien na genoemde periode geen eis is ingesteld dan geldt de 'normale' regel van het eerste lid van artikel 155 Overgangswet NBW. In zijn brief aan de Tweede Kamer7 gaf de minister aan dat hij geen bezwaren had tegen dit amendement in die gevallen, dat onduidelijk is of de horizontale dan wel de verticale natrekking prevaleert.
Van de mogelijkheid om binnen twee jaar na inwerkingtreding van de nieuwe regeling een dagvaarding conform artikel 155, tweede lid Overgangswet NBW in te schrijven, is niet veel gebruik gemaakt. In totaal zijn namelijk drie8 dagvaardingen ingeschreven in de openbare registers. Het is afwachten of een van deze zaken tot 'waardevolle' jurisprudentie zullen leiden.