Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.4.1
5.4.1 Recidivisten en veelplegers
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200806:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bedoeld worden de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van de rechtspraak, afkomstig van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.
Uit onderzoek van het WODC blijkt echter wel een specifiek effect van de ISD-maatregel (Tollenaar, Van der Laan & Beijersbergen, 2014). Een aanzienlijk aantal strafzaken en strafbare feiten is voorkomen door het opleggen van de ISD-maatregel in plaats van een standaard-vrijheidsstraf. Ook blijkt de ISD-maatregel effectiever dan een standaardvrijheidsstraf in het reduceren van het aantal recidivisten onder de groep zeer actieve veelplegers. Wel is de recidive onder ex-ISD’ers hoog. Na twee jaar recidiveerde 74% van de groep die de ISD-maatregel opgelegd had gekregen.
Ongeveer de helft van de geïnterviewde officieren van justitie is het niet eens met de kritiek van politiemensen over de wijze waarop veelplegers en jeugdige delinquenten worden gestraft in Nederland. Soms omdat de dominante opvatting van politiemensen over hoe in de strafrechtspraktijk met recidivisten en veelplegers omgegaan zou moeten worden in hun ogen steeds vaker wordt gevolgd. Onderkend zou worden dat er een categorie van delinquenten is die weliswaar ‘lichte’ strafbare feiten pleegt, maar zich niet van recidive laat weerhouden en daarom hard gestraft moet worden:
‘Ik ben niet heel somber over de aanpak van veelplegers. Af en toe denk ik ook: “Genoeg gepraat, klaar, afstraffen. Over een paar jaar maar eens weer kijken.” Dat wordt in die gevallen vaak ook wel erkend (…). Er is een categorie waar je niks mee kan en die je moet opsluiten. De rechtspraak volgt dat deels wel.’
Ook verwijzen officieren naar de ontwikkeling die de straffen volgens hen meer in het algemeen hebben doorgemaakt: op aangeven van het OM zou de rechtspraak uiteindelijk vaak wel volgen in een hogere strafoplegging. Een officier verwijst naar de rol die de onvrede over high impact crimes speelt, bij de gekozen werkwijze (bijvoorbeeld de ‘persoonsgerichte aanpak’), prioritering van zaken en bij de totstandkoming van OM-richtlijnen en rechterlijke oriëntatiepunten:
‘Ik ga beperkt mee in de kritiek [over straffen bij veelvoorkomende criminaliteit]. Ik zie daar zelf dat het een beetje om een sentiment gaat: er wordt te laag gestraft. Ik zie dat de richtlijnen van het OM jaarlijks worden bijgesteld. Dat is niets nieuws. Je ziet dat tegenwoordig de veelvoorkomende criminaliteit speerpunt is, daar waar sprake is van high impact crime. De inbraken, diefstallen waar men veel last van heeft. Daar worden de richtlijnen steeds strikter. De rechtbank heeft zijn eigen afwegingskader, maar die gaat in de loop der tijd ook mee.’
Tevens wordt verwezen naar verkorte doorlooptijden vanwege onder meer ZSM (waardoor een deel van de recidivisten sneller met straffen te maken krijgt) en het ervaren succes van de ISD-maatregel. Onder een deel van de officieren van justitie (de helft ongeveer) bestaat echter begrip voor de opvatting van veel politiemensen dat er te lage straffen worden opgelegd in gevallen van kleine criminaliteit, zoals diefstal, eenvoudige mishandeling of ‘lokaalvredebreuk’, gepleegd door recidivisten en veelplegers.
‘Er worden veel laatste kansen gegeven, aan draaideurwinkeldieven met name. Daar is wel heel veel oog voor de sociale component en het is [voor politiemensen] erg frustrerend dat ze bijna wekelijks dezelfde jongen uit de winkel mogen komen ophalen, die in proeftijden loopt en telkens weer de mogelijkheid krijgt om zijn leven te beteren maar dat niet doet. Het hangt wel af van de aard van de strafbare feiten. Bij geweld of overvallen heb je niet zo gauw dat je nog een tweede kans krijgt. Daar wordt goed rekening gehouden met eventuele recidive. In de richtlijnen wordt er ook goed mee gerekend, dus ook in mijn eis. In de LOVS1 werkt recidive ook wel door.’
Een andere officier geeft concreet aan wat hij van de rechters verwacht in reactie op veelplegers die de samenleving overlast hebben bezorgd:
‘Bij een overlastgever, een veelpleger, vind ik de rechtbank soms wel wat te soft. Daar mag je iemand best wat langer straffen, gewoon ook om hem wat langer uit de samenleving te halen en te zorgen dat er een tijdje geen overlast is. Winkeldiefstallen, voor een first offender staat daar €200,- boete op volgens de LOVS. Fair enough, maar op het moment dat iemand drie diefstallen pleegt binnen korte tijd, vind ik dat er snel moet worden doorgeschakeld naar een gevangenisstraf en dat doen rechters niet altijd.’
Kortom, een belangrijk deel van de officieren vindt dat zonder meer hogere straffen opgelegd zouden mogen worden, als sprake is van recidive bij veelvoorkomende delicten: ‘Als je gaat kijken naar veelvoorkomende criminaliteit en er is sprake van recidive binnen korte tijd, dan mag dat sneller en veel harder worden afgetikt. (…) Er wordt nu te langzaam opgebouwd.’ Meerdere officieren van justitie betrekken hierbij hun machteloosheid ten opzichte van bepaalde buitenlandse delinquenten. Deze zouden criminele activiteiten vaak goed voorbereiden en daarbij de in Nederland opgelegde straffen ‘incalculeren’. Hoewel officieren van justitie dit verschijnsel wel aannemelijk proberen te maken voor de rechtbank, zouden volgens hen rechters hiermee vaak onvoldoende rekening houden, mogelijk uit angst om te discrimineren.
‘Wat me het meeste stoort is dat men bij verdachten uit andere landen ook denkt: eerst een geldboete, dan drie daagjes zitten en dan een week. Dat is wel het ergste wat zo iemand kan overkomen. Ik weet wel dat het vaak voortkomt uit armoe en ellende, maar je moet hier niet naartoe komen om te jatten. Dat moet voldoende duidelijk worden gemaakt. Met name bij vermogensdelicten mag het sneller oplopen. (…) Je moet een signaal afgeven; als je diefstal pleegt, krijg je een flinke straf. Je moet consequent zijn en het moet steeds iets steviger om het goed tussen de oren te krijgen.’
Hoewel een deel van de officieren van justitie begrip heeft voor de frustratie die veelplegers onder politiemensen oproepen, aangezien velen ‘hardnekkige recidivisten’ zijn, meent deze categorie officieren ook dat reclassering en hulpverlening langdurig de gelegenheid moeten krijgen met een delinquent verandering aan te brengen in zijn omstandigheden en gedrag. In deze opvatting wordt de gedachte van sommige collega’s en politiemensen om de ISD eerder op te leggen, niet gesteund.
‘Je zit met een enorm gat tussen de reguliere strafoplegging bij kleine criminaliteit en die twee jaar ISD. Daar zit een rare knik in de strafopbouw, maar ik begrijp dat wel. (…) Er ligt vaak problematiek aan ten grondslag waardoor ze toch niet ophouden [met het plegen van strafbare feiten]. Je kan eerder hard strafrechtelijk gaan reageren op de recidive. Ik vind het zinvoller om te kijken of je met reclasseringstoezicht en hulpverlening iemand op het goede pad kan krijgen of houden.’
‘De ISD is geen medicijn voor alles. We zien verdachten die ondanks de ISD helaas weer de fout ingaan, weer allerlei strafbare feiten plegen en weer voorkomen et cetera.’
Volgens meerdere officieren zou het element ‘bescherming van de samenleving’ in de loop der tijd meer nadruk hebben gekregen in gevallen waarin de ISD-maatregel wordt opgelegd. Ook als behandeling in de ISD-instelling door de delinquent waarschijnlijk niet zal worden geaccepteerd of niet effectief zal zijn, zou deze maatregel tegenwoordig toch worden opgelegd:
‘De ISD heeft zich ontwikkeld. Helemaal aan het begin van de ISD zeiden rechters dat deze maatregel alleen maar aangewezen zou zijn als in die twee jaar iemand echt geholpen kon worden om weer een normaal functionerend lid van de maatschappij te worden. Tegenwoordig is de overweging ook weleens dat het allemaal zo ernstig is dat het goed is om bepaalde personen voor twee jaar van de straat te halen. Dat is een opvatting waar we rechters uiteindelijk in hebben meegekregen. Maar ik denk dat we de grenzen bereikt hebben en dat je dit niet nog meer moet doen.’
Ergernis is er over collega-officieren die ondanks afspraken binnen bijvoorbeeld het Veiligheidshuis, op basis van hun eigen beoordeling toch geen ISD-maatregel eisen bij de rechter, terwijl dat juridisch gezien wel mogelijk zou zijn. Ook roepen rechters die de voorlopige hechtenis schorsen van verdachten die veroordeeld kunnen worden tot de ISD-maatregel ergernis op. In deze gevallen zouden verdachten vaak uit het zicht van politie en justitie verdwijnen. Volgens een officier van justitie verkeren rechters hier regelmatig onterecht in de veronderstelling dat de verdachte zich wel zal laten opnemen in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg:
‘Ik denk dat veel veelplegers eigenlijk psychiatrisch patiënten zijn die gewoon in een instelling moeten zitten. Maar omdat daar de hele boel wordt wegbezuinigd en deze veelplegers telkens weer in handen van justitie vallen, denkt een rechter-commissaris bij de voorgeleiding bijvoorbeeld: “Die man is hartstikke gek, hoort niet in het justitiële systeem, maar gewoon in een psychiatrische kliniek. Laat hem daar maar naartoe gaan.” Dan zegt zo’n vent [desgevraagd] dat hij dat gaat doen. Maar dan staat hij weer buiten, zegt “toedeloe” en gaat heel iets anders doen. Het is daardoor niet zo dat als aan alle criteria wordt voldaan de ISD gegarandeerd is. Dan kun je weer niets en moet je weer wachten tot zo’n iemand een volgende keer tegen de lamp loopt.’
Een verschijnsel dat officieren van justitie stoort die de straffen weleens te laag vinden, is dat rechters ‘te veel rekening houden met persoonlijke omstandigheden’ en de ISD-maatregel dan voorwaardelijk opleggen. Hierbij wordt de reclassering soms aangerekend dat in haar adviezen geen goed beeld wordt gegeven van de situatie van de verdachte.
‘Je merkt wel dat rechters er vaak behoorlijk tegenaan zitten te hikken om iemand ISD te geven. Vooral als iemand belooft dat hij het niet meer zal doen, dan zie je vaak dat een voorwaardelijke ISD wordt opgelegd. Dat vind ik naïef. De reclassering vind ik ook vaak behoorlijk naïef: die gaan wel erg gemakkelijk uit van het goede in de mens.’
Gemeend wordt ook dat veelplegers te veel mogelijkheden hebben om (ondanks opgelegde voorwaarden) reclassering en hulpverlening te ontlopen. Vandaar pleit een deel van de officieren van justitie ervoor dat rechters de ISD eerder opleggen. Gebrek aan vertrouwen in mogelijkheden om delinquenten uiteindelijk succesvol tot een gedragsverandering te bewegen speelt hierbij een rol. Deze opvatting waarin uit praktische overwegingen voor strafrechtstoepassing in plaats van voor zorg wordt gekozen, lijkt een vorm van punitief pragmatisme (zie ook hoofdstuk 4). Eén officier vindt het wel terecht dat rechters de ISD-maatregel voorwaardelijk opleggen, aangezien er soms in het stadium dat het OM de ISD-maatregel eist nog mogelijkheden tot ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ onbenut zouden zijn gebleven. In zijn ogen is het terecht dat aan het opleggen van de ISD-maatregel als voorwaarde wordt gesteld dat alle mogelijkheden hiertoe zijn uitgeput:
‘Je ziet binnen de rechtspraak allerlei modaliteiten ontstaan rond de ISD-maatregel en daar vind ik niets mis mee. Niet meteen onvoorwaardelijke ISD eisen, maar ook eerst eens kijken: hebben zorg en hulpverlening niet van alles laten liggen? Ik denk ook dat [ISD] alleen zin heeft als de betreffende persoon meewerkt en er rijp voor is. Dan is de kans het grootst dat recidive voorkomen wordt.’
Enkele officieren van justitie pleiten voor het versoepelen van de ‘harde criteria’ van de ISD-maatregel in het strafrecht. Volgens hen moeten politie en justitie al in een eerder stadium in staat worden geacht uit te maken of een ISD-maatregel noodzakelijk is.
‘Uit de praktijk blijkt dat je potentiële ISD’ers heel snel in beeld hebt. Maar je moet wachten op het zoveelste feit. Je hebt sneller in de smiezen: dit is een kandidaat. Waarom wachten op het zoveelste feit en rapportje? Je moet kunnen doorpakken, een potentiële ISD’er heeft een bepaalde problematiek en die moet je eerder aanpakken, dus hup de ISD in.’
Ook zien sommige officieren aanleiding voor het verlengen van de maximumtermijn van twee jaar die aan de ISD-maatregel is gesteld. Soms wordt hiermee beoogd de behandeling effectiever te maken: ‘We zitten met een enorm hoog recidivecijfer.’ Een enkele keer wordt gepleit voor een langere ISD-maatregel ‘onder een milder regime’. Soms ook gaat het in de ogen van officieren van justitie om ‘onschadelijk maken’ van de delinquent. Het na te streven opsluitingseffect van de ISD-maatregel wordt door hen breed gesteund, ook in gevallen waarin er weinig behandelperspectief aanwezig is.
‘Ik vind de ISD wel oké, maar hij zou wat mij betreft veel langer mogen duren. Vele gevallen zijn hopeloos, maar komen wel snel weer terug. De samenleving zou erbij gebaat zijn als bepaalde mensen onschadelijk worden gemaakt op een bepaalde manier. De criminaliteit zou daarmee fors dalen.’
Enkele malen worden tijdens de interviews de ‘hoge financiële kosten’ van de ISD-maatregel genoemd. Soms worden deze kosten als onnodig hoog beschouwd, omdat het opsluitingseffect van de ISD-maatregel ook op een goedkopere manier bereikt zou kunnen worden.2
‘Ik zie de ISD niet als zaligmakend. Veel trajecten mislukken. Die gevallen zijn in ieder geval van de straat, maar het is wel heel duur. Het is ongelooflijk kostbaar en de kans van slagen is toch altijd een beetje teleurstellend. Als iemand niks wil, dan gaat hij in ieder geval maar de ISD in zodat hij van de straat is. Soms wordt iemand vrijgelaten en dan zie je het aantal woninginbraken in de buurt meteen explosief stijgen. Als zo’n iemand twee jaar lang vastzit, hebben al die mensen bij wie wordt ingebroken daar geen last meer van. Je wilt niet in een land leven waar iedereen die niet goed functioneert, wordt vastgezet. De formele drempel voor ISD is al heel laag. Maar er is [slechts] een beperkt aantal plekken beschikbaar en op een gegeven ogenblik kan je niet meer, dan gaat het geld kosten dat er niet is en dus moeten er keuzes worden gemaakt.’