NJB 2025/1048:Verjaring. Onverschuldigde betaling. Periodieke betalingen. Een bank brengt een periodiek te betalen liquiditeitspremie in rekening bij een kredietnemer. De kredietnemer klaagt hierover in 2009, maar blijft de premie betalen. In 2018 stelt de kredietnemer de bank aansprakelijk. De kredietnemer stelt een vordering in wegens onverschuldigde betaling. Het hof oordeelt dat de gehele vordering is verjaard, ook wat betreft de betalingen die na de klacht in 2009 zijn verricht. Hoge Raad: Het oordeel van het hof berust op een onjuiste rechtsopvatting. De korte verjaringstermijn kan niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de vordering uit onverschuldigde betaling is ontstaan. Indien periodieke betalingen zonder rechtsgrond worden verricht, ontstaat telkens op het moment van de betaling een afzonderlijke vordering uit onverschuldigde betaling.