Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/3.1.1:3.1.1 Toelichting op de deelvragen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/3.1.1
3.1.1 Toelichting op de deelvragen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200794:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deelvraag 1 geeft inzicht in de zienswijze van politiemensen over het strafrecht. In het bijzonder gaat het daarbij om hun opvattingen over het strafrechtelijk vervolg op zaken waarmee zij in hun werk te maken hebben gehad. De volgende subvragen zijn hierbij aan de orde:
In hoeverre zijn politiemensen van oordeel dat strafrechtelijke reacties uitblijven of inadequaat zijn?
Indien dit tot onvrede leidt, waaruit bestaat deze dan?
Om wat voor zaken en situaties gaat het dan?
Welke strafrechtelijke reactie hadden politiemensen verwacht of gewenst (en in hoeverre week de feitelijke reactie af van wat zij voor wenselijk of noodzakelijk hielden)?
Deelvraag 2 richt zich op een mogelijk verschil van opvatting over het functioneren van het strafrecht tussen politiemensen en vertegenwoordigers van de rechterlijke macht. In hoeverre worden opvattingen van politiemensen over de strafrechtspleging door officieren van justitie en rechters gedeeld? Welke problemen en knelpunten zien magistraten en wat zien zij als oorzaken daarvan?
Bij deelvraag 3 wordt de vraag gesteld in hoeverre de opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters te relateren zijn aan het spanningsveld tussen due process en crime control. Ook wordt hier de vraag gesteld in hoeverre opvattingen over het functioneren van het strafrecht te maken hebben met (verschillende) opvattingen over strafdoelen. Hierbij zou een vraag kunnen zijn in hoeverre het verschil is, zoals vaak gedacht, dat politiemensen voornamelijk instrumentele opvattingen over strafrecht hebben en dat bij leden van de rechterlijke macht rechtswaarborgen meer voorop staan (zie bijvoorbeeld Kuijs, Kwanten & Tops, 2009: 47; Packer, 1964; 1968). Een doorlichting van het strafrechtsysteem op basis van een juridische uitwerking van Packers modellen is niet het doel van deze deelvraag of dit onderzoek: aan de hand van Packer wordt gekeken welke waarden een rol spelen binnen de drie belangrijkste onderdelen van het strafrechtsysteem.
Deelvraag 4 richt zich op mogelijke verklaringen voor (eventuele verschillen in) opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters over strafrecht. Een deel van deze verklaringen ligt er vermoedelijk in dat verschillende perspectieven worden gehanteerd. Bijvoorbeeld vanuit het onderscheid tussen de strafrechtelijke instituties met hun verschillende opleidingsachtergronden, werksituaties en onderscheiden verantwoordelijkheden (zie hoofdstuk 1). Als gevolg daarvan hebben politiemensen vanuit hun werk mogelijk andere verwachtingen van de strafrechtspleging dan officieren van justitie of rechters en spelen wellicht andere prioriteiten een rol. In hoeverre spelen verschillende ‘perspectieven’ of interpretaties en definities van situaties en problemen hier een rol bij? De achtergronden van opvattingen liggen vermoedelijk voor een deel buiten de strafrechtspleging. Daarbij valt te denken aan ontwikkelingen in de criminaliteit, maatschappelijke en politieke onrust rond het strafrecht en ontwikkelingen in beleid en wetgeving.
Deelvraag 5 geeft inzicht in de mogelijke gevolgen van de in dit onderzoek beschreven opvattingen over het functioneren van het strafrecht en verschillen die daarbij binnen en tussen de onderzochte groepen naar voren kunnen komen. Hierbij gaat het ten eerste over de rol die due process en crime control spelen in opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters en de mogelijke gevolgen van deze opvattingen voor het functioneren van het strafrecht. Ten tweede is de vraag welke rol strafdoelen spelen in opvattingen over het strafrecht en wat daarvan de mogelijke gevolgen zijn voor het functioneren daarvan. Het is niet de bedoeling om de in dit onderzoek beschreven opvattingen of houdingen te presenteren als op zichzelf staande factoren die het functioneren van politie, OM en strafrechtspraak bepalen. Zo is uit eerder onderzoek bekend dat vaak geen sprake is van een directe relatie tussen geuite opvattingen en de uitvoering van politiewerk (vgl. Waddington, 1999; Landman, 2015). Ook wijst eerder onderzoek uit dat opvattingen van rechters over strafdoelen niet altijd corresponderen met hun uiteindelijke oordeel in concrete zaken (De Keijser, 2000). Er zijn op de straftoemeting waarschijnlijk ook andere factoren van invloed zoals bijvoorbeeld het ‘compromis’ tussen rechters in de raadkamer (Schuyt, 2007: 21) en de invloed van eerdere uitspraken en richtlijnen (LOVS-oriëntatiepunten). Niettemin zijn de opvattingen die politiemensen, officieren van justitie en rechters over het strafrecht hebben belangrijk genoeg om inzicht in te krijgen en op hun mogelijke consequenties te doordenken.