WFR 2024/339
Naar een Europese vennootschapsbelasting? De stand van zaken anno 2024
Dr. L.C. van Hulten, datum 09-12-2024
- Datum
09-12-2024
- Auteur
Dr. L.C. van Hulten1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS992881:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Loes van Hulten is werkzaam bij de afdeling Netherlands Knowledge Management van Deloitte Tax & Legal BV en verbonden aan het Fiscaal Economisch Instituut van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
L.G.M. Stevens, ‘Naar een Europese vennootschapsbelasting?’, Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 1992, vol. 66, no. 9, p. 380-382.
European Commission: DG XV – Internal Market and Financial Services, Report of the Committee of independent experts on company taxation, Luxemburg: Office for Official Publications of the European Communities 1992.
Bijvoorbeeld het Neumark rapport uit 1962 en het Van den Tempel rapport uit 1970. Voor een overzicht van de diverse studies zie bijvoorbeeld P. Pistone e.a., ‘Proposal for a Council Directive on BEFIT: an Initial Assessment’, IBFD 2023, p. 11-12.
Dr. H.O.C.R. (Onno) Ruding is voormalig Minister van Financiën van Nederland (1982-1989).
Commission of the European Communities, Conclusions and recommendations of the Committee of independent experts on company taxation, Luxemburg: Office for Official Publications of the European Communities 1992, p. 11. Daarnaast worden meer concrete voorstellen gedaan. De commissie beveelt bijvoorbeeld aan de werking van de Moeder-dochterrichtlijn uit te breiden (Conclusions and recommendations, p. 12). Voor wat betreft de samenhang tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting geeft het rapport geen duidelijke voorkeur voor het klassieke stelsel dan wel voor een vennootschapsbelasting conform het verrekeningsstelsel (Conclusions and recommendations, p. 34). Bij toepassing van het klassieke stelsel vindt heffing plaats bij het lichaam (vennootschapsbelasting). Daarnaast vindt heffing plaats bij de aandeelhouders van het lichaam (inkomstenbelasting). Hierbij is de betaalde vennootschapsbelasting niet verrekenbaar in de inkomstenbelasting. Doorgaans geldt een verlaagd tarief in de inkomstenbelasting om economische dubbele belasting te verlichten (in een zuiver klassiek stelsel is dat niet het geval). Bij een verrekeningsstelsel kan de vennootschapsbelasting deels (anders hebben we het over het stelsel van volledige integratie) worden verrekend met de over de winstuitdeling verschuldigde inkomstenbelasting. De commissie beveelt aan om nader onderzoek te doen naar het meest geschikte systeem.
In dit kader wordt een 30%-tarief genoemd, zie Conclusions and recommendations, p. 13.
Hierbij dient er aandacht te zijn voor het beperken van belastingconcurrentie tussen de lidstaten.
Conclusions and recommendations, p. 11.
Company Taxation in the Internal Market, SEC(2001)1681. Zie ook Mededeling oktober 2001, Naar een interne markt zonder belastingbelemmeringen - Een strategie voor het verschaffen van een geconsolideerde heffingsgrondslag aan ondernemingen voor de vennootschapsbelasting op hun activiteiten in de gehele EU, COM(2001)582.
M. Aujean, ‘The CCCTB Project and the Future of European Taxation’, p. 30-36, in: M. Lang (ed.), Common Consolidated Corporate Tax Base, Wien: Linde 2008.
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), COM(2011)121.
Compromise Proposal CCCTB of 19 November 2014, doc. no. 15756/14.
Tegelijkertijd werd het voorstel uit 2011 ingetrokken. Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, Werkprogramma van de Europese Commissie voor 2017, Naar een Europa dat ons beschermt, sterker maakt en verdedigt, Bijlage IV (Ingetrokken voorstellen), COM(2016)710.
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting), COM(2016)685.
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), COM(2016)683.
Voor de grensoverschrijdende verliesverrekening werd in het voorstel voorzien in een specifiek mechanisme. Dat mechanisme zou blijven gelden totdat de CCCTB in werking zou treden (bij de CCCTB is de grensoverschrijdende verliesverrekening een automatisch gevolg van de toepassing van de regels). Zie ook COM(2016)685, p. 4.
COM(2016)683, p. 3.
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een kader voor de belastingheffing van de inkomsten van bedrijven in Europa (Befit), COM(2023)532.
Voor meer achtergrond bij het BEFIT-voorstel verwijs ik graag naar M.F. de Wilde & V. Dafnomilis, ‘BEFIT: een fiscale laagjestaart waarvan we nog niet weten hoe die zal gaan smaken’, MBB 2024/4.
Dat is overigens ook het startpunt voor Pijler Twee. Voor allebei geldt dat opwaartse of neerwaartse aanpassingen moeten worden gemaakt. De te maken aanpassingen komen niet volledig overeen. Zie hierover A.M. Blaakman & J.J.A.M. Korving, ‘The Tax Base in BEFIT and Pillar Two: Harmony, Dissonance, or Off-Key?’, Intertax 2024, vol. 52, no. 5, p. 361.
Conclusions and recommendations, p. 38.
Art. 8 en 9 BEFIT-richtlijnvoorstel.
COM(2023)532, p. 7. Denk hierbij bijvoorbeeld aan afwijkingen in renteaftrekbeperkingen (Brief Staatssecretaris van Financiën van 24 oktober 2023, 2023-0000237035, p. 4). Lidstaten moeten hierbij de Pijler Twee-regels naleven (COM(2023)532, p. 18).
Conclusions and recommendations, p. 28-29, 30.
Art. 43 lid 1 BEFIT-richtlijnvoorstel. Een uitzondering hierop geldt als de uiteindelijk gerechtigde van de betaling geen BEFIT-groepslid is.
Conclusions and recommendations, p. 35.
Door Pijler Twee bedraagt het effectieve belastingtarief, voor zover de groep binnen het bereik van Pijler Twee valt, ten minste 15%. Zie ook de preambule, punt 14.
Zie hierover uitgebreid J.J.A.M. Korving, ‘Fiscal sovereignty versus tax harmonization: a matter of coordination and interpretation’, in: R.H.C. Luja (ed.), National (Tax) Autonomy and the European Union: Revival or Demise?, Amsterdam: IBFD 2024.
Preambule, punt 3.
Zie hierover A.M. Blaakman & J.J.A.M. Korving, ‘The Tax Base in BEFIT and Pillar Two: Harmony, Dissonance, or Off-Key?’, Intertax 2024, vol. 52, no. 5, p. 361.
Het toepassingsbereik van BEFIT betreft in het kort groepen (groepsentiteiten en vaste inrichtingen, de vennootschappen moeten voor ten minste 75% worden gehouden) binnen de Europese Unie met jaarlijkse gecombineerde inkomsten van ten minste € 750 miljoen. Voor groepen met minder dan € 750 miljoen aan jaarlijkse gecombineerde inkomsten is BEFIT-toepassing optioneel.
Binnen een groep zou overigens ook sprake kunnen zijn van een samenloop van alle drie de heffingssystematieken (zie ook Brief Staatssecretaris van Financiën van 24 oktober 2023, 2023-0000237035, p. 2).
COM(2023)532, p. 6.
Bijvoorbeeld in 1984 en 1990 zijn richtlijnvoorstellen met algemene regels voor grensoverschrijdende verliesverrekening gepubliceerd (Voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot het fiscale stelsel van de overbrenging van ondernemingsverliezen, COM(84)404 en Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een regeling voor het in rekening brengen door ondernemingen van de verliezen van hun in andere Lid-Staten gevestigde vaste inrichtingen en dochterondernemingen, COM(90)595).
COM(2023)532, p. 16.
COM(2023)532, p. 16.
COM(2023)532, p. 1.
Naast de hier besproken nadelen is het de vraag of BEFIT op alle vlakken verenigbaar is met belastingverdragen. Zie hierover L.C. van Hulten & J.J.A.M. Korving, ‘BEFIT: enkele verdragsaspecten’, WFR 2024/259.
Er geldt wel grotere fiscale zekerheid als lasten of baten als gevolg van transacties binnen de BEFIT-groep maximaal 10% hoger zijn dan het gemiddelde van de drie voorgaande boekjaren.
Zie art. 45 lid 2 BEFIT-richtlijnvoorstel voor de details omtrent de grondslagtoerekening.
Er was bijvoorbeeld veel kritiek op het feit dat immateriële activa geen onderdeel uitmaakten van de verdeelsleutel.
COM(2023)532, p. 7.
Zie bijvoorbeeld E. Lamer, ‘EU Countries' Lawmakers List Issues With BEFIT’, Tax Notes 20 feb. 2024.
Er zou wat mij betreft – naast het ‘toevoegen’ (in vergelijking tot de CCCTB-verdeelsleutel) van immateriële activa – in ieder geval aandacht moeten zijn voor het beperken van de mogelijkheden tot manipulatie van de gekozen verdeelsleutel. Ook moet de digitalisering van de economie tot uiting komen in de gekozen verdeelsleutel.
In september 1992 beschreef Leo Stevens zijn verwachtingen op het gebied van de toekomst van een mogelijke Europese vennootschapsbelasting. In deze bijdrage wordt de balans opgemaakt: waar staan we anno 2024 en hoe nu verder?
1. Inleiding
In september 1992 publiceerde Leo Stevens de column getiteld ‘Naar een Europese vennootschapsbelasting?’.2 Deze column werd geschreven vlak na publicatie van het Ruding-rapport.3 Dat rapport gaat kort gezegd over de mogelijke harmonisatie van de vennootschapsbelasting in de Europese Unie.
In zijn column maakte Leo onderscheid tussen de Euro-euforist en de Eurorealist. De zogenoemde Euro-euforist ziet de wenselijkheid van de totstandkoming van een Europese vennootschapsbelasting als een vanzelfsprekendheid. De Eurorealist ziet de Europese Unie meer als een winst- en verliesrekening. De interne markt brengt in de ogen van de Eurorealist zowel voor- als nadelen met zich. Het ideaal wordt daarom getemperd door het ‘(eigen)belang’, in economisch, maatschappelijk of cultureel opzicht.
Als afsluiting van de column geeft Leo zijn verwachtingen voor de toekomst. In mijn eigen woorden: de Europese vennootschapsbelasting, die gaat er komen. Daarbij wordt ervoor gekozen om heffingssubject, heffingsobject en tarief via een verordening vast te leggen. Voordelen uit niet-EU-deelnemingen kunnen in dit kader worden vrijgesteld als deze onderworpen zijn geweest aan een substantiële buitenlandse vennootschapsbelasting. Verder dienen – aldus Leo – concurrentieverstorende bronheffingen te worden afgeschaft.
Ruim dertig jaar later lijkt het mij een mooi moment om de balans op te maken: waar staan we op dit moment en hoe nu verder? In dit kader ga ik eerst in algemene zin in op het Ruding-rapport (paragraaf 2). Vervolgens bespreek ik de daaropvolgende ontwikkelingen op het vlak van de mogelijke Europese harmonisatie van de vennootschapsbelasting (paragraaf 3). Daarna maak ik de koppeling tussen het Ruding-rapport, Leo’s toekomstbeeld en de huidige stand van zaken (paragraaf 4). Ook houd ik het BEFIT-richtlijnvoorstel op hoofdlijnen tegen het licht (paragraaf 5). Ik sluit deze bijdrage af met een blik op de toekomst (paragraaf 6).
2. Ruding-rapport
Er zijn vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw diverse studies gedaan om mogelijke oplossingsrichtingen met betrekking tot de harmonisatie van de vennootschapsbelasting binnen de Europese Unie uit te werken. Harmonisatie werd destijds al gezien als een potentieel belangrijk element voor het bevorderen van de interne markt.4
In 1990 kreeg een commissie van onafhankelijke experts onder de leiding van Ruding5 van de Europese Commissie de vraag voorgelegd of de verschillen in de heffing van vennootschapsbelasting in de diverse lidstaten het functioneren van de interne markt verstoren en in gevaar brengen. Als het antwoord op voorgaande vraag positief luidt, dan diende de commissie kort gezegd na te gaan hoe dit zou kunnen worden opgelost.
Het Ruding-comité kwam tot de conclusie dat verdergaande harmonisatie op het gebied van de vennootschapsbelasting in het belang van de lidstaten is. De grote verschillen tussen landen met betrekking tot heffingssystemen, grondslagen en tarieven zorgen ervoor dat sprake is van verstoringen. Een gemeenschappelijke heffingsgrondslag binnen de Europese Unie biedt daarom allerlei voordelen. Het lost onder meer de problemen rondom grensoverschrijdende verliesverrekening, renteaftrekbeperkingen, transfer pricing en grensoverschrijdende herstructureringen binnen de Europese Unie op.
Het rapport komt – om discriminatie en verstoringen tegen te gaan – met diverse voorstellen. Aanbevolen wordt om de aandacht te richten op de volgende drie prioriteiten:6
het afschaffen van belastingregelingen die grensoverschrijdende bedrijfsactiviteiten belemmeren;
het vaststellen van een minimumvennootschapsbelastingtarief7 en gemeenschappelijke regels voor een minimale belastinggrondslag;8
het aanmoedigen van maximale transparantie van fiscale regelingen die lidstaten verlenen om investeringen te bevorderen.
Overigens kwamen de experts van de commissie-Ruding ook tot de conclusie dat de tijd nog niet rijp was voor een gemeenschappelijk vennootschapsbelastingsysteem.9 In het rapport wordt dan ook met name benadrukt dat het wenselijk is te komen tot verdergaande harmonisatie.
3. Via de CC(C)TB naar BEFIT
Na het Ruding-rapport volgde nog een onderzoek10 en overleg met betrokkenen, zoals lidstaten, academici en het bedrijfsleven.11 In maart 2011 diende de Europese Commissie het voorstel voor de Common Consolidated Corporate Tax Base (CCCTB)12 in. De CCCTB behelsde een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting op EU-niveau. Het voorstel omvatte een reeks regels voor bedrijven die grensoverschrijdend actief zijn binnen de Europese Unie om hun belastbare winst te berekenen. Vervolgens zou de belastbare winst aan de betrokken lidstaten worden toegerekend op basis van een verdeelsleutel, oftewel een systeem van formulary apportionment. Het lukte de lidstaten echter niet om overeenstemming te bereiken over de geconsolideerde grondslag en de te hanteren verdeelsleutel.13
In oktober 2016 publiceerde de Europese Commissie vervolgens twee nieuwe richtlijnvoorstellen.14 Het eerste voorstel betreft een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (Common Corporate Tax Base, CCTB).15 Het tweede voorstel betreft een enigszins aangepaste CCCTB.16 In deze voorstellen wordt de CCTB gepresenteerd als een eerste stap op weg naar de CCCTB. De CCTB harmoniseerde de vennootschapsbelastinggrondslag en voorzag in de introductie van grensoverschrijdende verliesverrekening tussen CCTB-groepsvennootschappen.17 De CCCTB zou dan later een verplichte consolidatie toevoegen waarna de geconsolideerde winst wederom op basis van een verdeelsleutel over de lidstaten werd verdeeld. Er is gekozen voor twee richtlijnvoorstellen omdat het onwaarschijnlijk werd geacht dat het CCCTB-voorstel in zijn geheel, zonder gefaseerde aanpak, zou worden aangenomen.18
In september 2023 heeft de Europese Commissie het Business in Europe: Framework for Income Taxation (BEFIT) pakket gepresenteerd. In dit pakket is het BEFIT-richtlijnvoorstel opgenomen.19 Het richtlijnvoorstel heeft net als de CC(C)TB-voorstellen als uitgangspunt dat de vennootschapsbelastinggrondslag geharmoniseerd dient te worden.20 Een belangrijk verschil is onder meer dat bij die eerdere voorstellen een volledig eigen systeem van winstbepaling werd gehanteerd, waar BEFIT grotendeels uitgaat van de bepalingen uit de financiële jaarverslaggeving.21
4. 1992 (Ruding-rapport) vs. nu (BEFIT)
Wat betreft het heffingssubject werd ten tijde van het Ruding-rapport in 1992 uitgegaan van de bestaande manier van kijken naar het heffingssubject (d.w.z. het lichaam als zodanig in de heffing betrekken). Het BEFIT-richtlijnvoorstel start eveneens bij de individuele groepsentiteit, maar hanteert in zekere zin toch de groep als uitgangspunt: de belastinggrondslagen van de individuele groepsentiteiten worden geaggregeerd op het niveau van de in de Europese Unie gevestigde uiteindelijke moedermaatschappij.
Op het gebied van het heffingsobject zijn nog diverse elementen uit het Ruding-rapport terug te vinden in het BEFIT-voorstel. Destijds werd aangegeven dat het aansluiten bij regels inzake financiële verslaglegging de voorkeur genoot, waar vervolgens enkele correcties op moeten worden gemaakt.22 Het BEFIT-voorstel gaat daar ook van uit.
Eveneens conform het Ruding-rapport zijn in het BEFIT-richtlijnvoorstel regels opgenomen over uiteenlopende aspecten met betrekking tot de heffingsgrondslag. Denk hierbij aan regels omtrent afschrijvingen op materiële en immateriële activa, leasing, voorraadwaardering, voorzieningen en aftrekbaarheid van zakelijke kosten. Verder wordt voor voordelen uit deelnemingen een brede deelnemingsvrijstelling voorgesteld.23
Van een volledige harmonisatie op het gebied van de belastinggrondslag is overigens geen sprake. Er is voor gekozen om de regels ‘voor zover nodig’ te harmoniseren, zodat het mogelijk blijft om rekening te houden met de nationale beleidsbehoeften. Landen kunnen bij BEFIT-toepassing aanvullende correcties aanbrengen na de toerekening van de belastinggrondslag aan de lidstaten waar de groep vestigingen heeft.24
Het Ruding-rapport bevatte het voorstel om concurrentieverstorende bronheffingen binnen de Europese Unie af te schaffen.25 Het BEFIT-voorstel schrijft voor om geen bronbelasting of andere vormen van belasting aan de bron te heffen op transacties binnen de BEFIT-groep.26 Hierdoor worden concurrentieverstorende bronheffingen verminderd; zij zullen in relatie tot niet-BEFIT-groepsentiteiten nog wel spelen. Veelal geldt in dergelijke gevallen in intra-EU-verhoudingen overigens de Moeder-dochterrichtlijn of de Interest-royaltyrichtlijn.
Verder werd in het Ruding-rapport een minimumvennootschapsbelastingtarief van 30% voorgesteld. Dit zou moeten gelden voor alle entiteiten, onafhankelijk van de omvang.27 Het BEFIT-richtlijnvoorstel laat het vaststellen van het tarief over aan de lidstaten.28
Zoals gezegd betreft BEFIT een richtlijnvoorstel. Leo gaf aan dat een en ander via een verordening zou moeten worden vastgelegd. Een voordeel van een verordening is de rechtstreekse toepasselijkheid ervan. Aangezien implementatie in de nationale wet bij een verordening niet speelt, spelen ook de bijbehorende mogelijke implementatieverschillen – waardoor potentieel een lappendeken aan nationaal geïmplementeerde regelingen ontstaat – niet. Dit lijkt mij voor een geharmoniseerde vennootschapsbelasting zeker de voorkeur te genieten. Wetgeving op het gebied van de directe belastingen kan echter alleen worden geharmoniseerd door art. 115 VWEU als rechtsgrondslag te gebruiken. De bepaling staat enkel harmonisatie via richtlijnen toe. Deze bepaling zou dus aangepast moeten worden om een geharmoniseerde vennootschapsbelasting via een verordening te kunnen introduceren.29
5. Blij met BEFIT?
BEFIT beoogt een gemeenschappelijk rechtskader in te voeren om de belastingregels te vereenvoudigen en eerlijke concurrentie te waarborgen.30 Op het eerste oog lijkt de wetgeving het een en ander juist extra te compliceren. Ik denk hierbij aan de heffingsgrondslag die lijkt op die voor de Wet minimumbelasting 2024, maar net weer anders is.31 Ook het gedeeltelijk optionele toepassingsbereik,32 waardoor er naast de Wet Vpb 1969 en naast de Wet minimumbelasting 2024 een derde categorie winstbelasting zou moeten worden geïntroduceerd, lijkt niet direct een vereenvoudiging met zich te brengen.33 Die verschillende systemen naast elkaar voor verschillende belastingplichtigen lijken ook de onderlinge concurrentie juist minder eerlijk te maken. Qua belastingaangifte zou het systeem overigens wel eenvoudiger zijn, aangezien groepen vennootschappen via een ‘éénloketsysteem’ (‘one-stop-shop’) in één lidstaat hun verplichtingen kunnen nakomen.34
De aggregatie van de BEFIT-belastinggrondslag heeft als belangrijk voordeel de grensoverschrijdende verliesverrekening. Hierdoor kunnen verliezen doorgaans direct worden verrekend. Het gebrek aan mogelijkheden tot grensoverschrijdende verliesverrekening is een thema dat al jaren een doorn in het oog is van de Europese Commissie.35 Dit kan ondernemingen beperken in het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten binnen de Europese Unie.36
Een ander door de Europese Commissie genoemd voordeel betreft de vereenvoudigde naleving van de verrekenprijsregels.37 Er is immers kritiek op deze verrekenprijsregels, onder meer vanwege de nalevingskosten, mogelijke geschillen en de problematiek omtrent verrekenprijsregels voor immateriële activa. Verder brengen deze regels – in de woorden van de Europese Commissie – het risico met zich dat ondernemingen een groot deel van hun activiteiten willekeurig waarderen.38
Het BEFIT-richtlijnvoorstel heeft mijns inziens ook belangrijke nadelen.39 Aangezien het bereik van het voorstel uiteraard beperkt is tot groepsentiteiten binnen de EU, blijft onder meer de problematiek omtrent verrekenprijsregels onverkort spelen in relatie tot derde landen. Ook binnen de groep moeten de verrekenprijsregels vooralsnog worden toegepast, aangezien deze gebruikt worden voor de grondslagtoerekening in de overgangsperiode.40 Binnen BEFIT wordt in eerste instantie op entiteitsniveau de belastinggrondslag vastgesteld; vervolgens worden de grondslagen op groepsniveau geaggregeerd. Indien er na aggregatie sprake is van een positieve geaggregeerde grondslag wordt deze aan de hand van een (voorlopige) allocatieformule toegerekend aan de BEFIT-groepsentiteiten. De eerste zeven jaar geldt een overgangsperiode en wordt een tijdelijke allocatieformule gehanteerd. Voor de allocatie worden de belastbare resultaten41 van de afgelopen drie jaar van de BEFIT-groep in aanmerking genomen. Door deze voorlopige oplossing wordt een discussie over een formulary apportionment verdeelsleutel uitgesteld. Het was bij de CCCTB immers niet gelukt om overeenstemming te bereiken over deze verdeelsleutel.42
Verder leidt de hiervoor besproken gedeeltelijke grondslagharmonisatie (het blijft mogelijk om de nationale correcties toe te passen na toerekening van BEFIT-grondslag)43 ertoe dat van daadwerkelijke harmonisatie maar tot op zekere hoogte sprake is. Ook leidt dit verschil in grondslagen tot een potentiële administratieve lastenverzwaring.
Al met al is met het BEFIT-richtlijnvoorstel sprake van een in mijn ogen ‘uitgekleed’ voorstel. Deels blijft de soevereiniteit bij de lidstaten (de gedeeltelijke harmonisatie) en deels wordt de beslissing überhaupt op de lange baan geschoven (de verdeelsleutel conform formulary apportionment).
6. Hoe verder?
Een Europessimist zal zeggen dat we sinds het verschijnen van de column van Leo in september 1992 niet erg veel verder zijn gekomen wat betreft de totstandkoming van een Europese vennootschapsbelasting. Immers, hoewel de Europese Commissie zeker niet heeft stilgezeten, lijkt van een akkoord over een richtlijn – zelfs in de huidige ‘uitgeklede’ versie – voorlopig geen sprake.44 Als voorstander van een belastingheffing waarin meer rekening wordt gehouden met de groepssituatie van een entiteit, juich ik de stappen gezet door de Europese Unie toe. Tegelijkertijd is op het huidige BEFIT-richtlijnvoorstel nog het nodige aan te merken. Het lijkt mij goed om in te zetten op meer daadwerkelijke harmonisatie en om toch echt door de zure appel van de verdeelsleutel heen te bijten.45 Ik durf niet te voorspellen of het gaat lukken, en zo ja, hoelang het nog gaat duren voor er een geharmoniseerde vennootschapsbelasting zal gelden binnen de Europese Unie. Zullen de Euro-euforisten de Eurorealisten weten te overtuigen? Wie het weet mag het zeggen.