Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3.1.1
6.3.3.1.1 Positie Belastingdienst
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501513:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2012/13, 33403, nr. 3, p. 17 (MvT bij het Belastingplan 2013).
Art. 2 lid 1 onderdeel a Iw 1990.
Art. 26.3.3. Leidraad Invordering 2008.
Door Tekstra 1999, p. 84 is de vraag opgeworpen of het stellen van additionele voorwaarden in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel wel is toegestaan. Anders: Van Oers 2007, p. 356. Van Oers stelt (en ik ben het met hem eens) dat de grondslag voor de additionele voorwaarden moet worden gevonden in art. 8 lid 1 onderdeel g Uitvoeringsregeling Iw 1990.
Om de Belastingdienst voldoende tegenwicht te kunnen laten bieden in het krachtenveld van de schuldeisers heeft de wetgever in art. 21 lid 1 Iw 1990 het fiscale voorrecht opgenomen.1 Op grond hiervan heeft de Belastingdienst ter zake van alle rijksbelastingen2 een voorrecht op alle goederen van de belastingschuldige. Het voorrecht gaat – behoudens een aantal uitzonderingen – boven alle andere voorrechten. Daarmee is het fiscale voorrecht superieur en maakt het van de Belastingdienst een sterke schuldeiser. De Belastingdienst is (daarom) slechts bij hoge uitzondering bereid de belastingschuldige tegemoet te komen door een deel van een openstaande belastingschuld kwijt te schelden. Kwijtschelding van een belastingschuld voor ondernemers vindt alleen plaats bij een akkoord met (in principe) alle schuldeisers en indien er geen redelijke mogelijkheid bestaat om een derde aansprakelijk te stellen. De Belastingdienst doet dan weliswaar geen afstand van zijn voorrecht (hij mag dan ook niet meestemmen over een akkoordvoorstel), maar verleent medewerking aan de totstandkoming van het akkoord door genoegen te nemen met een gedeeltelijke betaling van de belastingschuld. Om concurrentieverstoringen te voorkomen geschiedt medewerking aan een akkoord enkel onder de hierna te noemen voorwaarden:3
het te ontvangen deel van de belastingschuld moet:
ten minste het dubbele percentage bedragen van hetgeen aan concurrente schuldeisers op hun vorderingen zal worden uitgekeerd;
een substantiële omvang hebben, zowel absoluut als in relatie tot de totale belastingschuld; en
van ten minste dezelfde omvang zijn als kan worden verkregen door middel van executiemaatregelen;
de Belastingdienst moet noch in uitkeringspercentage noch in tempo van betaling worden achtergesteld bij gelijkbevoorrechte schuldeisers;
fiscale verplichtingen die opkomen tijdens de behandeling van het verzoek om kwijtschelding moeten tijdig en volledig worden nagekomen; en
bij voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep van de belastingschuldige na de totstandkoming van het akkoord moeten reële vooruitzichten aanwezig zijn voor de voortzetting van de onderneming.
In de Leidraad Invordering 2008 worden hier twee extra voorwaarden aan toegevoegd: (i) de Belastingdienst werkt uitsluitend mee aan een akkoord als de ‘communautaire middelen’ volledig worden voldaan4 en (ii) er wordt geen medewerking verleend als een of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt voldaan, niet kwijtschelden, maar overdragen aan een derde of omzetten in aandelenkapitaal.5