Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/c
c Schuldenaar gevestigd in een niet-lidstaat
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS378221:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In paragraaf 6.5.2 is verdedigd dat de voorgestelde procedure tot verkrijging van een Europees betalingsbevel ongeacht de woon- of vestigingsplaats van de partijen in de Europese Unie van toepassing dient te zijn. Zo kan een in Nederland gevestigde crediteur van een buiten de Europese Unie gevestigde debiteur belang hebben bij de verkrijging van een Europees betalingsbevel, indien de debiteur vermogensbestanddelen binnen de Europese Unie heeft.
Vgl. nr. 18 van de Considerans van de EG-Betekeningsverordening. Zie ook paragraaf 2.6 e.v.
Burgerlijke Rechtsvordering, Schaafsma-Beversluis, Art. 272, aant. 3.
Zie HR 31 mei 1996, NJ 1997, 29 (no. 23) ten aanzien van art. 10 sub a Haags Betekeningsverdrag 1965.
Idem. In casu werd het inleidende verzoekschrift op basis van art. 4 sub 8 Rv (oud) aan het parket van het Openbaar Ministerie bij de bevoegde rechtbank betekend, met een verzoek om eenvoudige afgifte.
Zie paragraaf 5.5.
Zie paragraaf 3.6.5.
De derde situatie is die, waarbij de schuldenaar gevestigd is in een staat waar de EGBetekeningsverordening niet van toepassing 115.1 Deze situatie geldt ook indien de schuldenaar woonachtig is in Denemarken, aangezien Denemarken geen lidstaat in de zin van de EG-Betekeningsverordening 115.2 In beginsel dient een onderscheid te worden gemaakt tussen het geval dat de schuldenaar gevestigd is in een land dat partij is bij een internationale regeling inzake de betekening en kennisgeving van gerechtelijke stukken - bijv. het Haags Betekeningsverdrag 1965 - en het geval dat de schuldenaar gevestigd is in een land ten aanzien waarvan geen internationale regeling van toepassing is.
Indien de schuldeiser een incassoprocedure voor de Nederlandse rechter tegen een in een niet-lidstaat gevestigde schuldenaar entameert, wordt de betekening van hetzij de Europese uitnodiging tot betaling, hetzij het Europese betalingsbevel ingevolge art. 272 Rv door de griffier per aangetekende brief gedaan, tenzij de rechter anders heeft bepaald.3 Hierbij geldt wederom dat bij de betekening per post naar het buitenland eerst dan van een geëffectueerde betekening gesproken kan worden, indien het te betekenen stuk de geadresseerde heeft bereikt.4 Wanneer het stuk in een staat betekend moet worden die partij is bij een internationale regeling aangaande de betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, geschiedt de betekening van het stuk overeenkomstig deze regeling.5
Indien de Europese uitnodiging tot betaling per aangetekende post ingevolge art. 272 Rv in een andere staat betekend wordt, begint mijns inziens de termijn voor het indienen van het verweer eerst te lopen op het moment dat het stuk aan de wederpartij is verzonden. In tegenstelling tot het geval dat de EG-Betekeningsverordening van toepassing is, geschiedt de betekening in de zin van art. 6 lid 3 van de voorgestelde incassoverordening in Nederland. Blijkt de postale betekening echter binnen de termijn van art. 6 lid 3 onmogelijk, dan zal de uitnodiging tot betaling alsnog op een andere wijze moeten worden betekend. Indien dit niet geschiedt, zal het gelaste betalingsbevel niet van een EET kunnen worden voorzien, omdat niet wordt voldaan aan de door de EET-Verordening vereiste minimumnormen.6 Tevens kan de erkenning van het gelaste betalingsbevel in een andere lidstaat krachtens de EEX-Verordening geweigerd worden, aangezien sprake is van een gedinginleidend stuk dat niet tijdig en op een wijze als voor zijn verdediging nodig is, aan de schuldenaar is betekend.7
Ook hier geldt dat de termijn van art. 9 lid 3 voor het instellen van een verzet begint te lopen op het moment van de betekening van het Europees betalingsbevel aan de debiteur.