Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/45
45 De Grote Compressie
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370183:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Wells 2010, p. 758.
Claudia Goldin en Robert Margo wijzen onder meer op de grotere vraag naar lager opgeleid personeel, stijgende minimumlonen, een groter aanbod van opgeleide werkers en een krachtige vakbeweging. Zie Goldin & Margo 1991.
Pas na de jaren ’70 zou de bezoldiging van bestuurders sneller toenemen dan die van de gemiddelde werknemer. Frydman & Saks 2008, p. 7.
Frydman & Molloy 2011, p. 1-6. Frydman en Molloy wijzen ook op de krappe arbeidsmarkt en de inflatie.
Zie het artikel van Paul Krugman in de New York Times van 20 oktober 2002, For Richer, https://www.nytimes.com/2002/10/20/magazine/for-richer.html?pagewanted=all&src=pm (laatst bezocht op 15 mei 2015). John Kenneth Galbraith schrijft over deze periode: “Although in the twenties and thirties there was widespread doubt that the corporation could survive the personal profit-maximizing tendencies of those who might seize financial control, in the next half century the issue became largely academic.” Galbraith 1967, p. 152.
In de periode 1940-1975 nemen de controverses over de bezoldiging van bestuurders dan ook af. De Tweede Wereldoorlog onderbreekt op brute wijze de Amerikaanse economie. Veel ondernemingen zetten zich in ten behoeve van de oorlogsindustrie. Hierdoor krijgen deze ondernemingen de kans hun door de Grote Depressie besmette imago op te poetsen.
Grote ondernemingen kregen onder meer goede publiciteit door het uitlenen van bestuurders aan de overheid om te helpen bij de bureaucratie rondom de oorlogsvoering. De ondernemingen bleven deze bestuurders betalen, terwijl deze bestuurders slechts een nominale bezoldiging van de overheid ontvingen. Deze bestuurders komen op basis van hun bezoldiging bekend te staan als de ‘dollar-a-year-men’.1
Na de Tweede Wereldoorlog verdwijnt de bezoldiging van bestuurders min of meer als onderwerp van de publieke agenda. Eén van de redenen hiervoor is, zoals reeds vermeld, dat de bezoldiging van bestuurders in de jaren ’40-’50 afneemt, terwijl de gemiddelde inkomsten van de rest van de Amerikaanse economie – waaronder die van werknemers – in en na de oorlogsjaren geleidelijk toenemen. De beperkte groei van de bezoldiging van bestuurders vanaf het begin van de jaren ’50 loopt veelal parallel aan of is lager dan de groei van het salaris van de gewone werknemer. Hierdoor wordt het gat tussen de bezoldiging van bestuurders en de gemiddelde werknemer steeds kleiner.2 Deze trend zet door tot aan de jaren ’70.3
De afname in inkomensongelijkheid is deels toe te schrijven aan technologische veranderingen die een grotere vraag naar ongeschoold personeel tot gevolg hebben, terwijl tegelijkertijd het aanbod van geschoold personeel toeneemt. Ook neemt de macht van de vakbonden in deze periode toe, waardoor de inkomsten aan de onderkant van de samenleving stijgen en de groei aan de bovenkant wordt afgeremd. De bezoldiging van bestuurders neemt verder af door progressieve belastingen en overig overheidsingrijpen.4
Ook een verandering in sociale normen draagt bij aan het bewerkstelligen van deze algehele compressie. In de samenleving neemt solidariteit een belangrijke plaats in. Daarnaast spelen de nieuwe openbaarmakingsverplichtingen in de Securities Act en Securities Exchange Act en de publieke opinie vermoedelijk een rol bij de bescheiden ontwikkeling van de bezoldiging van bestuurders. Bezoldigingsdata van bestuurders zijn uit de privésfeer gehaald en worden via de media onder de (grote) publieke lens gelegd. De econoom Paul Krugman ziet de gematigde ontwikkeling van de bezoldiging van bestuurders dan ook als een resultante van de angst voor publieke afkeuring van een hoge bezoldiging. Bestuurders gedragen zich in deze tijd meer als ‘public-spirited bureaucrats’ dan als ‘captains of industry’.
“Some – by no means all – economists trying to understand growing inequality have begun to take seriously a hypothesis that would have been considered irredeemably fuzzy-minded not long ago. This view stresses the role of social norms in setting limits to inequality. According to this view, the New Deal had a more profound impact on American society than even its most ardent admirers have suggested: it imposed norms of relative equality in pay that persisted for more than 30 years, creating the broadly middle-class society we came to take for granted. But those norms began to unravel in the 1970’s and have done so at an accelerating pace. Exhibit A for this view is the story of executive compensation. In the 1960’s, America’s great corporations behaved more like socialist republics than like cutthroat capitalist enterprises, and top executives behaved more like public-spirited bureaucrats than like captains of industry. I’m not exaggerating. Consider the description of executive behavior offered by John Kenneth Galbraith in his 1967 book, “The New Industrial State”: “Management does not go out ruthlessly to reward itself – a sound management is expected to exercise restraint.” Managerial self-dealing was a thing of the past: “With the power of decision goes opportunity for making money ... Were everyone to seek to do so ... the corporation would be a chaos of competitive avarice. But these are not the sort of things that a good company man does; a remarkably effective code bans such behavior. Group decision-making insures, moreover, that almost everyone’s actions and even thoughts are known to others. This acts to enforce the code and, more than incidentally, a high standard of personal honesty as well.” […] “But then why weren’t executives paid lavishly 30 years ago? Again, it’s a matter of corporate culture. For a generation after World War II, fear of outrage kept executive salaries in check. Now the outrage is gone.”5