Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/1.5
1.5 Terminologie en jargon
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS597337:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Klaassen 1999, Hoekzema 2000, Bakkerus 2000 en Meijer 2002. Kritisch over het gebruik van deze term als jargon: Verdaas 2001, p. 203.
Zie voor een analyse van het begrip ‘kennis’, gemaakt in het kader van een onderzoek naar kennismanagement binnen advocatenkantoren: Apistola 2006, par. 2.3. Zie ook zijn conclusie op p. 270-271 dat advocaten net als de meeste mensen in het dagelijks leven geen behoefte hebben aan duidelijke definities die indelingen zoals gegevens, informatie en kennis onderscheiden.
Graag zou ik de term ‘vectoren’ hebben gebruikt, geleend uit de mechanica. In de mechanica is een vector een grootheid zoals kracht, snelheid of versnelling. Een vector heeft zowel een grootte als een richting. Zijn er meerdere vectoren, dan bepaalt de optelsom van hun grootte en richtingen waar een object uiteindelijk terecht komt. Factoren spelen bij de toerekening van kennis eenzelfde rol: aan hen komt een gewicht toe en ze wijzen in de richting van toerekening of juist daar tegenin. Gezien de ongebruikelijkheid van de term ‘vector’ in de juridische wereld zal ik mij van het gebruik daarvan onthouden.
26. Omdat over de toerekening van kennis, en meer in het algemeen over rol van kennis in het burgerlijk recht relatief weinig is geschreven, bestaat geen ingeburgerd jargon voor veel van de fenomenen die ik in dit boek behandel. Een dergelijk jargon zou ik, geïnspireerd door het Duitse recht, gemakkelijk kunnen introduceren: kennisnorm, bekendheidscriterium, kennisdrager, kennisvertegenwoordiger, kennisdiscrepantie, kenniscumulatie, eigentoerekening, vreemdtoerekening, enzovoort. Dat zou het taalgebruik in dit werk compacter maken, maar het geschrevene vermoedelijk niet leesbaarder. Zeker voor de lezer die losse paragrafen gaat lezen in plaats van het hele boek zou nieuw jargon het geschrevene lastig te doorgronden maken. Ik beperk mij daarom zo veel mogelijk tot termen waarmee ik de gemiddelde civielrechtelijk geschoolde jurist reeds bekend veronderstel of die in de context (hopelijk) voor zich spreken.
27. Helemaal zonder nieuw jargon kan deze studie niet, althans niet zonder al te omslachtig te worden. In het bijzonder kan ik niet heen om de term kennisversplintering. Kennisversplintering doet zich voor wanneer het individu dat voor de rechtspersoon handelt of zou behoren te handelen, niet beschikt over bepaalde voor die handeling relevante informatie, terwijl die informatie wel elders binnen de rechtspersoon aanwezig is of is geweest. Dit verschijnsel is een van de centrale thema’s in dit boek.
Tegenover kennisversplintering staat het standaardgeval of de standaardsituatie, waarin de kennis nu juist wel aanwezig is bij het individu dat voor de rechtspersoon handelt of had behoren te handelen. Zie voor een uitgebreide toelichting par. 7.1, 7.2 en 7.7. Hoedanigheidsproblematiek, waaraan hoofdstuk 11 is gewijd, is aanwezig wanneer eenzelfde individu kennis draagt in verschillende hoedanigheden. Een laatste term die eigen is aan dit boek is vertrouwensgeval. Dat is een geval waarin de te beantwoorden vraag in wezen niet is: “Wat wist de rechtspersoon?”, maar: “Heeft de wederpartij er gerechtvaardigd op vertrouwd dat de rechtspersoon bepaalde kennis had?”. Zie over de relevantie en betekenis van het begrip ‘vertrouwensgeval’ par. 4.2.4, 5.6.2 en 9.13.
In de literatuur over toerekening van gedragingen is de term Babbel-criterium ingeburgerd.1 Die term, afgeleid van het arrest Kleuterschool Babbel, zal in dit werk veelvuldig worden gebruikt. Moet aan de hand van het Babbel-criterium worden beoordeeld of kennis of een gedraging aan de rechtspersoon moet worden toegerekend, dan moet worden beoordeeld of die kennis of gedraging in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als kennis of gedraging van de rechtspersoon.
Voor natuurlijke personen gebruik ik, puur ten behoeve van de leesbaarheid, veelal ‘individu’. Voor natuurlijke personen die handelen voor de rechtspersoon, gebruik ik het woord functionaris (soms ook: medewerker). Dit kan een werknemer zijn, een uitzendkracht, een gedetacheerde of een zelfstandig opdrachtnemer (zzp’er). Telkens gaat het om een individu dat deel uitmaakt van de organisatie van de rechtspersoon en dus taken uitvoert die behoren tot de activiteiten van de rechtspersoon. Is dat niet het geval, dan is het individu geen functionaris en geldt zijn kennis als externe kennis. Tenzij anders aangegeven, vallen ook individuele bestuurders en commissarissen onder de term functionaris, maar individuele aandeelhouders niet. Zie over de status van individuele aandeelhouders par. 8.8.4 en 11.7.
In dit onderzoek worden de termen ‘kennis’ en ‘wetenschap’ en ‘kennen’ en ‘weten’ als synoniemen gebruikt, zoals in de juridische literatuur gebruikelijk is. Ik zal niet onderzoeken wat kennis nu eigenlijk (fysiek, biologisch) is of welke opvattingen daarover bestaan in bijvoorbeeld de neurowetenschappen, de epistemologie of de philosophy of mind. Ik sluit aan bij het dagelijks taalgebruik. In de jurisprudentie lijkt het begrip kennis op zich weinig problemen op te leveren, althans waar het subjectieve – dus daadwerkelijke – kennis betreft.2 Wanneer ik over toerekening van kennis in het algemeen schrijf, valt daar ook objectieve kennis onder, dat wil zeggen ‘behoren te weten’. Het oordeel dat iemand iets behoorde te weten, is een normatief oordeel. Daar waar het onderscheid tussen subjectieve en objectieve kennis relevant is, duid ik steeds expliciet aan welke variant ik op het oog heb. Onder ‘informatie’ versta ik het object van kennis, maar ik gebruik het soms ook als synoniem voor kennis (vgl. hij beschikt over die kennis – hij beschikt over die informatie). De toerekening van kennis is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. De aanwezigheid van die omstandigheden moet door de rechter worden vastgesteld en het gewicht daarvan moet door hem worden beoordeeld. Ik gebruik in dit boek de termen omstandigheden, gezichtspunten en factoren veelal uitwisselbaar.3
Arresten worden in dit werk veelal slechts met een (schuingedrukte) roepnaam aangeduid: Kleuterschool Babbel, Idee 2, Ontvanger/Voorsluijs.
Wetgeving, rechtspraak en literatuur zijn bijgehouden tot 1 januari 2017.