Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/241:241 Wanneer is de gestelde termijn redelijk?
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/241
241 Wanneer is de gestelde termijn redelijk?
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 21-11-2025
- Datum
21-11-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD34558:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van der Feltz I, p. 476.
Vgl. HR 3 juni 1994, NJ 1995, 340 m.nt. HJS onder NJ 1995, 342 (Antillen/Komdeur q.q. I).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat een redelijke termijn is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Van belang hierbij is de ratio van de bevoegdheid van de curator om aan de pand- of hypotheekhouder een redelijke termijn te stellen om tot uitoefening van zijn rechten over te gaan. Deze bevoegdheid is aan de curator toegekend om onnodige vertraging bij de afwikkeling van het faillissement, door dralen van de pand- of hypotheekhouder, tegen te kunnen gaan.1
Daarbij geldt dat de termijn niet redelijk is als de pandhouder binnen de gestelde termijn redelijkerwijs niet tot uitoefening van zijn rechten kan overgaan. Dat is bijvoorbeeld het geval als de pandhouder nog niet tot uitoefening van zijn rechten bevoegd is omdat zijn vordering op de gefailleerde nog niet opeisbaar is.2
In de meeste gevallen zal niet reeds bij het stellen van de termijn zijn aan te geven wat een redelijke termijn is. Op dat moment zal nog niet bekend zijn of de debiteur vrijwillig en op korte termijn de vordering zal voldoen of dat hij dat eerst zal doen nadat hij tot betaling veroordeeld is of het zelfs op executiemaatregelen zal laten aankomen. In dit verband is van belang dat de curator geen termijn behoeft te stellen zolang daartoe geen aanleiding is. Die aanleiding is er pas als de pandhouder draalt met de uitoefening van zijn rechten of aan de curator reden geeft om te vrezen dat hij niet voortvarend genoeg te werk zal gaan.