Einde inhoudsopgave
Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 wat betreft de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van landdieren en broedeieren
Artikel 29 Voorschriften voor de verplaatsing van andere gehouden hoefdieren naar andere lidstaten
Geldend
Geldend vanaf 09-01-2025
- Bronpublicatie:
09-10-2024, PbEU L 2024, 2024/3160 (uitgifte: 20-12-2024, regelingnummer: 2024/3160)
- Inwerkingtreding
09-01-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
09-10-2024, PbEU L 2024, 2024/3160 (uitgifte: 20-12-2024, regelingnummer: 2024/3160)
- Vakgebied(en)
Dierenrecht / Bijzondere onderwerpen
Gezondheidsrecht / Bijzondere onderwerpen
Gezondheidsrecht / Voedsel- en warenkwaliteit
Dierenrecht / Veterinair recht
Dierenrecht / Dierenwelzijn
1.
Exploitanten verplaatsen andere gehouden hoefdieren alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:
- a)
de dieren hebben gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 30 dagen, sedert hun geboorte, ononderbroken in de inrichting verbleven en zijn gedurende die periode niet in contact geweest met andere gehouden hoefdieren met een lagere gezondheidsstatus of waarvoor om diergezondheidsredenen verplaatsingsbeperkingen gelden, of met gehouden dieren die afkomstig zijn van een inrichting die niet aan de onder b) vastgestelde voorschriften voldeed;
- b)
dieren die in de laatste 30 dagen voor het vertrek van de onder a) bedoelde dieren uit een derde land of gebied de Unie zijn binnengekomen en zijn binnengebracht in de inrichting waar de onder a) bedoelde dieren verbleven, zijn gescheiden gehouden om direct en indirect contact met alle andere dieren in die inrichting te voorkomen;
- c)
andere gehouden hoefdieren van voor infectie met het rabiësvirus in de lijst opgenomen soorten zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;
- d)
andere gehouden hoefdieren van voor infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis in de lijst opgenomen soorten zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 42 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij andere gehouden hoefdieren van voor deze ziekte in de lijst opgenomen soorten;
- e)
andere gehouden hoefdieren van voor infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) in de lijst opgenomen soorten zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 42 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij gehouden dieren van voor deze ziekte in de lijst opgenomen soorten;
- f)
de dieren zijn afkomstig van een inrichting die zich bevindt in een gebied met een straal van ten minste 150 km rond die inrichting waarin infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte:
- i)
in de laatste twee jaar voor het vertrek niet is gemeld bij gehouden dieren van de voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten, of
- ii)
in de laatste twee jaar voor het vertrek is gemeld bij gehouden dieren van de voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten, maar er is voldaan aan één van de volgende reeksen voorschriften:
- 1.
de dieren zijn in een zone die overeenkomstig de delen 1 en 2 van bijlage IX seizoensgebonden vrij van epizoötische hemorragische ziekte is, gehouden:
- —
gedurende ten minste 60 dagen vóór de datum van verplaatsing, of
- —
gedurende ten minste 28 dagen vóór de datum van verplaatsing, en zij zijn met negatief resultaat aan een serologische test onderworpen, uitgevoerd op monsters die ten minste 28 dagen na de datum van binnenkomst van het dier in het seizoensgebonden ziektevrije gebied zijn verzameld, of
- —
gedurende ten minste 14 dagen vóór de datum van verplaatsing, en zij zijn met negatief resultaat aan een PCR-test onderworpen, uitgevoerd op monsters die ten minste 14 dagen na de datum van binnenkomst van het dier in het seizoensgebonden ziektevrije gebied zijn verzameld, of
- 2.
de dieren zijn tijdens het vervoer naar de plaats van bestemming tegen aanvallen door vectoren beschermd en zij zijn vervolgens ook tegen aanvallen door vectoren beschermd in een tegen vectoren beschermde inrichting die aan de voorschriften van deel 3 van bijlage IX voldoet, waar zij zijn gehouden:
- —
gedurende ten minste 60 dagen vóór de datum van verplaatsing, of
- —
gedurende ten minste 28 dagen vóór de datum van verplaatsing, en zij zijn met negatief resultaat aan een serologische test onderworpen, uitgevoerd op monsters die ten minste 28 dagen na de datum waarop de periode van bescherming tegen vectoren is ingegaan, zijn verzameld, of
- —
gedurende ten minste 14 dagen vóór de datum van verplaatsing, en zij zijn met negatief resultaat aan een PCR-test onderworpen, uitgevoerd op monsters die ten minste 14 dagen na de datum waarop de periode van bescherming tegen vectoren is ingegaan, zijn verzameld;
- 3.
de dieren zijn tegen infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte gevaccineerd, zij bevinden zich in de immuniteitsperiode die in de specificaties van het vaccin wordt gegarandeerd en zij voldoen aan ten minste één van de volgende voorwaarden:
- —
zij zijn ten minste 60 dagen vóór de datum van verplaatsing gevaccineerd;
- —
zij zijn met een geïnactiveerd vaccin gevaccineerd en met negatief resultaat onderworpen aan een PCR- test die is uitgevoerd op monsters die ten minste 14 dagen na het begin van de immuniteit zoals vermeld in de specificaties van het vaccin zijn verzameld;
In afwijking van de eerste alinea, punt f), ii), mag de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen voor de volgende typen verplaatsingen naar een andere lidstaat of een gebied daarvan:
- a)
verplaatsingen die aan geen van de reeksen voorschriften van de eerste alinea, punt f), ii), voldoen, of
- b)
verplaatsingen die voldoen aan de specifieke risicobeperkingsmaatregelen die de lidstaat van bestemming heeft bepaald wanneer deze overeenkomstig de vierde alinea kennis heeft gegeven van zijn toestemming.
Voor de toepassing van de tweede alinea, punten a) en b), moeten verplaatsingen van de lidstaat van oorsprong naar de lidstaat van bestemming via een andere lidstaat (de ‘lidstaat van doorgang’) of een gebied daarvan voldoen aan ten minste één van de volgende reeksen voorschriften:
- a)
zij worden verricht met vervoermiddelen die tijdens het vervoer tegen aanvallen van vectoren zijn beschermd en:
- —
tijdens de geplande reis verlaten de dieren het vervoermiddel niet langer dan gedurende één dag, of
- —
de dieren worden gelost in een tegen vectoren beschermde inrichting of tijdens de vectorvrije periode;
- b)
de lidstaat van doorgang heeft toestemming verleend voor het type verplaatsing.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong mag alleen toestemming verlenen voor typen verplaatsingen zoals bedoeld in de tweede alinea als de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming, of in het geval van de derde alinea, punt b), de bevoegde autoriteit van de lidstaat van doorgang, de Commissie en de andere lidstaten in kennis heeft gesteld van de toestemming voor die typen verplaatsingen, ongeacht de lidstaat van oorsprong of het gebied daarvan.
- g)
de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;
- h)
in het geval van andere gehouden hoefdieren van voor surra (Trypanosoma evansi) in de lijst opgenomen soorten, zijn de dieren afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), en als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twee jaar vóór het vertrek melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:
- i)
de besmette dieren van de inrichting zijn verwijderd;
en
- ii)
de overblijvende dieren in de inrichting met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 3, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van surra (Trypanosoma evansi), die is uitgevoerd op monsters die ten minste zes maanden na de verwijdering van de besmette dieren uit de inrichting zijn genomen;
- i)
andere gehouden hoefdieren van voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1–24) in de lijst opgenomen soorten voldoen aan ten minste één van de voorwaarden ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1–24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689. Dit punt is niet van toepassing op de in artikel 30 bedoelde andere gehouden hoefdieren;
- j)
aan de voorwaarden van de artikelen 32 en 33 is voldaan, indien van toepassing.
2.
Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op andere gehouden hoefdieren die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 31.