Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 3.2.10 Vluchtroutes: verloop
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Algemeen
Uitgangspunt bij de regels voor vluchtroutes is dat kan worden volstaan met één vluchtroute die start op de plaats waar het vluchten begint en eindigt op een veilige plaats. Met het uitgangspunt van een enkele vluchtroute is het uiteraard mogelijk een tweede vluchtroute te realiseren. In dat geval is een aantal regels die op een enkele vluchtroute van toepassing zijn niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren (zie artikel 3.54). Verder wordt opgemerkt dat waar bij nieuwbouw is uitgegaan van beschermde vluchtroute bij bestaande bouw is uitgegaan van beschermde route (zie ook de toelichting op deze begrippen in bijlage I). Regels over installaties, en deuren in vluchtroutes zijn opgenomen in afdeling 3.7 en regels over het brandveilig gebruik in hoofdstuk 6 van dit besluit. Zo schrijft artikel 3.115, derde lid, bij doodlopende gangen in bepaalde situaties een daarop afgestemde brandmeldinstallatie voor.
Onder het Bouwbesluit 2012 was het mogelijk om bij ministeriële regeling eisen te stellen aan de capaciteit van vluchtroutes bij bestaande bouw (artikel 2.118). Aan dat artikel is op basis van het rapport ‘Onderzoek naar de juridische toegevoegde waarde van prestatie-eisen in het Bouwbesluit 2012 voor de capaciteit van vluchtroutes in bestaande bouwwerken’ (Nieman, 17 juli 2014, zie www.rijksoverheid.nl) nooit invulling gegeven. In dit besluit is daarom geen met genoemd artikel 2.118 vergelijkbare regel opgenomen. Wanneer op grond van artikel 6.7 een gebruiksmelding gedaan moet worden, kan het bevoegd gezag nadere voorwaarden stellen als deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand (zie ook artikel 6.5 en de toelichting daarop). Als het met het oog hierop naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is om eisen te stellen aan het toelaatbaar aantal personen in een bestaand gebouw kan dit dus in een specifiek geval wel met een maatwerkvoorschrift na een gebruiksmelding worden opgelegd.
Verder biedt artikel 3.7 (maatwerkvoorschriften) het bevoegd gezag de mogelijkheid de plicht op te leggen tot het treffen van voorzieningen gericht op de capaciteit van vluchtroutes in bestaande bouwwerken, voor zover die plicht niet tot een hoger prestatieniveau leidt dan de nieuwbouweisen in hoofdstuk 4.
Artikel 3.48 (aansturingsartikel)
De functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt, is gericht op het veilig kunnen vluchten uit een bestaand bouwwerk.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor iedere gebruiksfunctie gelden regels en is de functionele eis daarmee van toepassing.
Artikel 3.49 (vluchtroute)
Het eerste lid geeft aan dat op elk willekeurig punt in een bouwwerk een vluchtroute begint die voert naar het aansluitende terrein en eindigt bij de openbare weg. Een vluchtroute mag dus niet uitkomen op bijvoorbeeld een binnenplaats zonder doorgang naar de openbare weg. Hiermee wordt voorkomen dat men uiteindelijk toch nog door de brand ingesloten raakt. Uit het begrip voor personen bestemde vloer volgt dat deze regel geldt voor een ruimte waarin bij regulier gebruik personen aanwezig zijn. Met andere woorden, voor bijvoorbeeld een technische ruimte waarin incidenteel een onderhoudsmonteur aanwezig is gelden de regels voor een vluchtroute niet. Uit de Arbo regelgeving vloeit voort dat ook de onderhoudsmonteur de ruimte en het gebouw op een veilige wijze moet kunnen verlaten. Dit kan dan ook met persoonlijke beveiligingsmaatregelen. Het eerste lid geldt voor alle gebruiksfuncties behalve voor de celfunctie.
Op grond van het tweede lid mag een vluchtroute in een penitentiaire inrichting alleen leiden naar een ander brandcompartiment. Het is tenslotte niet de bedoeling dat de gedetineerden bij een calamiteit ongehinderd hun vrijheid tegemoet kunnen gaan. De zinsnede wel of niet via een buitenruimte betekent dat deze vluchtroute niet rechtstreeks hoeft te voeren naar een ander brandcompartiment, maar ook via een buitenruimte op het terrein van de inrichting mag lopen. Een penitentiaire inrichting bevat behalve celfuncties ook nevengebruiksfuncties, bijvoorbeeld een sportaccommodatie (sportfunctie) of een werkplaats (industriefunctie). In geval van brand moeten de gedetineerden ook vanuit die nevengebruiksfuncties naar een ander brandcompartiment kunnen vluchten. Zie voor een toelichting op het begrip voor personen bestemde vloer hierboven.
Het derde lid, op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg, is alleen van toepassing op wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. Een rijbaan van een wegtunnel is in beginsel niet bestemd voor personen. Deze uitzondering op het eerste en tweede lid, die uitgaan van een voor personen bestemde vloer, is opgenomen omdat de bestuurders van motorvoertuigen zich na een calamiteit te voet in veiligheid moeten kunnen stellen.
Het vierde lid geeft een functionele eis voor het veilig ontvluchten van een bouwwerk geen gebouw zijnde. De reden om hier een functionele eis op te nemen is de zeer uiteenlopende aard van dit soort bouwwerken, zoals open tribunes, steigers en bruggen. Met deze eis krijgt de gemeente enige beoordelingsruimte.
Artikel 3.50 (vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment)
In het eerste lid wordt een eis gesteld aan de maximale loopafstand van een vluchtroute binnen een gebruiksgebied in een subbrandcompartiment. De loopafstand is voor bijna alle gebruiksfuncties vastgesteld op maximaal 75 m. Deze maximale loopafstand is, rekening houdend met in het verleden verworven rechten, groter dan de maximale loopafstand bij nieuwbouw. Uit artikel 5.4, eerste lid, volgt dat een vluchtroute bij een verbouwing niet tot 75 m verlengd mag worden.
In het tweede lid zijn beperkingen gesteld aan de maximale loopafstand vanaf de rijbaan in een wegtunnelbuis naar een uitgang van die tunnelbuis. Die loopafstand wordt op twee wijzen gemaximeerd. Ten eerste; er moet altijd binnen de 150 m een uitgang kunnen worden bereikt. Door in aanvulling daarop te stellen dat uitgangen niet verder dan 250 m uit elkaar mogen liggen is gewaarborgd dat, als een uitgang is geblokkeerd, altijd binnen 250 m een volgende uitgang wordt aangetroffen. Met de waarde van 150 m is rekening gehouden met de mogelijkheid dat in de tunnelbuis bouwkundige obstakels zijn (bijvoorbeeld hoogteverschillen groter dan 0,3 m, zonder trap of hellingbaan), zodat niet vanuit ieder punt op de rijbaanvloer in een rechte lijn naar de toegang kan worden gelopen. Het spreekt voor zich dat met de afstand tussen twee uitgangen de afstand tussen twee opeenvolgende uitgangen wordt bedoeld. In het algemeen betekenen deze maximale loopafstanden dat men binnen vijf minuten de wegtunnelbuis lopend kan verlaten.
Bij het bepalen van het niveau van eisen is al rekening gehouden met de mogelijkheid dat een uitgang als gevolg van een ongeval geblokkeerd kan raken. Dit mogelijke risico mag dus niet leiden tot nadere (lees: hogere) eisen aan de wegtunnel.
Het derde lid stelt dat een ruimte of subbrandcompartiment bestemd voor meer dan 225 personen ten minste twee uitgangen moet hebben, die in principe op dezelfde vluchtroute kunnen uitkomen. De (grens)waarde van 225 personen voor bestaande bouw is 1,5 keer de waarde voor nieuwbouw (artikel 4.66).
Artikel 3.51 (beschermde route)
Dit artikel geeft aan wanneer een enkele vluchtroute beschermd moet zijn en welke voorwaarden hierbij van toepassing zijn. Een beschermde route ligt tussen de uitgang van een subbrandcompartiment en de uitgang van een brandcompartiment. Bij een bestaand gebouw heet deze route niet zoals bij nieuwbouw een beschermde vluchtroute maar een beschermde route. Uit het onderscheid tussen beschermde vluchtroute en beschermde route volgt dat het beschermingsniveau bij bestaande bouw lager ligt dan bij nieuwbouw. De beschermde route is een soort vluchtroute met een lager beschermingsniveau dan een beschermde vluchtroute. Een beschermde route mag bijvoorbeeld wel door een subbrandcompartiment lopen. De kans op een brand op die route is daardoor wel iets hoger dan bij de bij nieuwbouw voorgeschreven beschermde vluchtroute.
Het eerste lid geldt voor de woonfunctie en de wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m. Deze regel is van toepassing ongeacht het aantal bewoners of gebruikers dat van de vluchtroute gebruik maakt. Als het aansluitende terrein bij de uitgang van het subbrandcompartiment nog niet is bereikt, dan moet bij gebruik van een enkele vluchtroute via een beschermde route naar de uitgang van het brandcompartiment worden gevlucht.
Het tweede lid geldt voor de enkele vluchtroute in de utiliteitsbouw. Als bij de uitgang van het subbrandcompartiment het aansluitende terrein nog niet is bereikt, dan moet verder richting het aansluitende terrein gevlucht kunnen worden via een beschermde vluchtroute. Op die route mogen dan hoogste 60 personen aangewezen zijn, bij meer dan 60 personen moet de route volgens artikel 3.52, tweede lid, een extra beschermde vluchtroute zijn.
Artikel 3.52 (extra beschermde vluchtroute)
Dit artikel geeft aan wanneer een enkele vluchtroute extra beschermd moet zijn. Een extra beschermde vluchtroute ligt per definitie niet in een brandcompartiment. Uiteraard kan het doel van het veilig vluchten buiten een subbrandcompartiment ook worden bereikt met een gelijkwaardige maatregel, zoals detectie, alarmering, een automatische blusinstallatie en/of een verdere beperking van het aantal personen.
Het eerste lid geldt voor de enkele vluchtroute door een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw. Als op die vluchtroute meer dan 500 m2 gebruiksoppervlakte aan woningen is aangewezen, dan moet die enkele vluchtroute een extra beschermde vluchtroute zijn.
Het tweede lid bepaalt dat, wanneer op een buiten een subbrandcompartiment gelegen gedeelte van een vluchtroute tussen de 60 en 225 personen zijn aangewezen, dat gedeelte van die vluchtroute een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Omdat een extra beschermde vluchtroute niet in een brandcompartiment mag liggen (artikel 3.37, derde lid), moet bij het betreden van de extra beschermde vluchtroute ook het brandcompartiment zijn verlaten.
Het derde lid bepaalt dat een vluchtroute die door een trappenhuis voert bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 12,5 m een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Bij hoogbouw is het trappenhuis een essentiële voorziening voor het veilig vluchten bij brand en de bereikbaarheid van de brand door hulpverleningsdiensten. De aan een extra beschermde vluchtroute verbonden eisen borgen de veiligheid van de gebruikers van het trappenhuis.
Artikel 3.53 (veiligheidsroute)
Het eerste lid bepaalt dat een enkele vluchtroute van een woongebouw die door een trappenhuis voert een veiligheidsroute moet zijn, als op die vluchtroute een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 1.500 m2 aan woonfuncties is aangewezen. Uit de begrippen veiligheidsvluchtroute en veiligheidsroute volgt dat de randvoorwaarden bij een veiligheidsroute minder zwaar zijn dan bij de bij nieuwbouw gangbare veiligheidsvluchtroute. Zie ook de toelichting op die begrippen in bijlage I.
Het tweede lid geeft aan dat als er meer dan 225 personen op een enkele vluchtroute zijn aangewezen, de vluchtroute voor zover deze buiten het subbrandcompartiment ligt moet voeren over een veiligheidsroute. Dit is niet nodig als de uitgang van het subbrandcompartiment direct uitkomt op het aansluitende terrein.
Artikel 3.54 (tweede vluchtroute)
Het doel van een tweede vluchtroute is het veilig kunnen vluchten als één van de twee routes bij brand onbruikbaar wordt. Dit doel zou met een beroep op het mogen treffen van een gelijkwaardige maatregel ook kunnen worden bereikt door detectie, alarmering, een automatische blusinstallatie en/of een verdere beperking van het aantal personen. Wanneer die tweede vluchtroute er is kan zonder een beroep op gelijkwaardigheid worden volstaan met minder zware eisen dan wanneer er maar één vluchtroute is.
Het eerste lid geeft de regels voor het geval er een tweede onafhankelijke vluchtroute is buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint. Vanaf het punt dat één van de vluchtroutes een deur naar een andere ruimte buiten het subbrandcompartiment passeert, en de vluchtroutes verder door verschillende ruimten voeren, is er sprake van twee onafhankelijke vluchtroutes. Vanaf dat punt zijn de eisen voor een beschermde route, een extra beschermde vluchtroute, of een veiligheidsroute op die vluchtroute niet meer van toepassing. Daarmee is vanaf dat punt ook de beperking op het in de artikelen 3.51 tot en met 3.53 bedoelde aantal personen dat gebruik mag maken van de vluchtroute vervallen. De twee vluchtroutes moeten tot het aansluitende terrein van elkaar gescheiden blijven (dus niet door de zelfde ruimte lopen) tenzij er over dat samenlopende deel sprake is van een veiligheidsvluchtroute (zie het derde lid). Uitzondering op het niet meer van toepassing zijn van de eisen voor een extra beschermde vluchtroute is de situatie dat in de vluchtroute een hoogteverschil van meer dan 12,5 m moet worden overbrugd. Ook als er twee vluchtroutes zijn blijft het derde lid van artikel 3.52 namelijk van toepassing.
Het tweede lid biedt de praktijk de mogelijkheid om bij een subbrandcompartiment met één uitgang toch gebruik te kunnen maken van twee onafhankelijke vluchtroutes. De vluchtroutes mogen direct vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment door dezelfde ruimte voeren (onderdeel a) voordat zij als volledig onafhankelijke vluchtroutes verder gaan. Dit is toegestaan op voorwaarde dat de twee vluchtroutes naar twee uitgangen voeren (onderdeel b). De vluchtafstand door die ruimte mag niet meer dan 30 m zijn, behalve bij een beschermde route. In dat geval mag de vluchtafstand door die ruimte maximaal 70 meter zijn (onderdeel c).
Het derde lid maakt het mogelijk dat twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsroute is, omdat eenmaal op die veiligheidsroute aangekomen op een veilige manier het aansluitende terrein kan worden bereikt.