Einde inhoudsopgave
Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie
Artikel 8 Diensttijdgratificatie
Geldend
Geldend vanaf 15-08-2017
- Redactionele toelichting
Oorspronkelijke datum van afkondiging: 09-05-2005. Oorspronkelijke datum van inwerkingtreding: 11-05-2005.
- Bronpublicatie:
24-07-2017, Stcrt. 2017, 46304 (uitgifte: 15-08-2017, regelingnummer: BS 2017023580)
- Inwerkingtreding
15-08-2017
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-07-2017, Stcrt. 2017, 46304 (uitgifte: 15-08-2017, regelingnummer: BS 2017023580)
- Vakgebied(en)
Ambtenarenrecht / Bezoldiging
Ambtenarenrecht / Vergoeding
1.
De commandant kent aan de ambtenaar een diensttijdgratificatie toe bij het bereiken van een diensttijd bij de overheid van 12½, 25, 40 of 50 jaar trouwe dienst. De gratificatie bedraagt 25% van de maandelijkse bezoldiging bij een 12½-jarig ambtsjubileum, 75% van de maandelijkse bezoldiging bij een 25-jarig ambtsjubileum en 100% van de maandelijkse bezoldiging bij een 40- en bij een 50-jarig ambtsjubileum, naar boven af te ronden op een veelvoud van € 2,50
2.
Indien aan de ambtenaar bij een hem uit een eerdere betrekking verleend ontslag een proportionele diensttijdgratificatie is toegekend, wordt de in het eerste lid bedoelde gratificatie verminderd met het bedrag van die proportionele diensttijdgratificatie.
3.
Toekenning van een diensttijdgratificatie vindt niet plaats indien de ambtenaar voor zijn dienstvervulling reeds een gratificatie of uitkering heeft ontvangen, welke naar haar aard overeenkomt met de gratificatie volgens deze regeling.
4.
Indien de ambtenaar jubileert tijdens buitengewoon verlof dat hem is verleend, mede dan wel overwegend in algemeen belang, wordt op de datum van het ambtsjubileum geen diensttijdgratificatie toegekend. De toekenning van de gratificatie vindt plaats zodra de ambtenaar na beëindiging van het verlof zijn werkzaamheden heeft hervat, tenzij hij in de betrekking welke tijdens het verlof werd vervuld, een gratificatie of uitkering heeft ontvangen welke naar haar aard overeenkomt met de gratificatie volgens deze regeling.
5.
Als diensttijd voor de toekenning van een diensttijdgratificatie geldt de tijd, doorgebracht:
- a.
in een burgerlijke betrekking bij de Nederlandse overheid, waaronder mede begrepen de NV Nederlandse Spoorwegen (tot 24 december 1992) en de voormalige NV ‘Artillerie-Inrichtingen’;
- b.
in een betrekking (vóór 1 januari 1966) als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Pensioenwet 1922, een betrekking als bedoeld in artikel B2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet of een betrekking als bedoeld in artikel B3 van evengenoemde wet, alsmede (vóór en na 1 januari 1966) in een betrekking als bedoeld in artikel U2 van die wet;
- c.
in burgerlijke dienst bij de overheid in de landen Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en Aruba, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea en (tot 27 december 1949) bij de voormalige Indische Pensioenfondsen;
- d.
in dienst bij het niet-openbaar onderwijs in de onder c genoemde landen en voormalige overzeese rijksdelen, voor zover zulks de ambtenaar onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling bracht of zou hebben gebracht indien hij in vaste dienst was geweest;
- e.
tot en met 31 december 1954 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië wordt bestreken;
- f.
in Nederlandse militaire dienst of daarmee voor de toepassing van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie gelijkgestelde, waaronder begrepen dienst bij het voormalig KNIL en de troepen in Suriname (tot 25 november 1975) en de Nederlandse Antillen en Aruba;
- g.
als volontair met een volledige dagtaak;
- h.
de tijd waarover rechtsherstel is verleend.
6.
Als diensttijd in de zin van deze regeling wordt niet aangemerkt de diensttijd die niet in actieve dienst is doorgebracht wegens het bekleden van een politiek ambt.
7.
Voorts komt als diensttijd niet in aanmerking de diensttijd die, zonder dat werkzaamheden zijn verricht, is doorgebracht buiten het genot van inkomsten uit de dienstbetrekking, behoudens voor zoveel het tijd betreft, gedurende welke de ambtenaar mede dan wel overwegend in het algemeen belang buitengewoon verlof heeft genoten.
8.
Evenmin wordt als diensttijd aangemerkt fictieve diensttijd, onverminderd het gestelde in het vijfde lid, onderdeel h.
9.
Diensttijd, gelijktijdig in meer dan één betrekking doorgebracht telt voor de vaststelling van de datum van het ambtsjubileum slechts eenmaal mee.
10.
Voor de berekening van de gratificatie wordt onder bezoldiging verstaan: de bezoldiging, die voor de ambtenaar op de datum van het ambtsjubileum geldt, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
11.
Indien de ambtenaar aanspraak heeft op een of meerdere toelage(n) genoemd in hoofdstuk 3 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, wordt dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat de ambtenaar in de drie kalendermaanden voorafgaande aan zijn jubileum aan bedoelde toelagen gemiddeld per maand heeft genoten.
12.
Indien de ambtenaar op de datum van zijn ambtsjubileum geen aanspraak heeft op bezoldiging, omdat hem mede dan wel overwegend in het algemeen belang buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is verleend, wordt voor de berekening van zijn diensttijdgratificatie uitgegaan van de bezoldiging waarop hij aanspraak heeft op met moment van de toekenning.
13.
Indien de ambtenaar, na een aantal jaren en maanden te hebben gewerkt in een voltijdaanstelling tegen de daarbij behorende volledige bezoldiging is gaan werken in een deeltijdaanstelling, wordt bij het bereiken van het vereiste aantal jaren van 12½, 25, 40 of 50 de gratificatie berekend naar het aantal jaren en maanden dat in een voltijdaanstelling en het aantal jaren en maanden dat in deeltijdaanstelling is gewerkt. Voor de berekening van de jaren en maanden gewerkt in een voltijdaanstelling wordt gerekend met de voltijdbezoldiging dat zou behoren bij de aanstelling op de datum van het ambtsjubileum. Voor de overige jaren en maanden dat in een deeltijdaanstelling is gewerkt wordt gerekend met de werkelijk geldende deeltijdbezoldiging op de datum van het ambtsjubileum.