Einde inhoudsopgave
Integraal Beheerplan Noordzee 2015
6 Optimalisatie organisatie beheertaken
Geldend
Geldend vanaf 18-11-2011
- Bronpublicatie:
11-11-2011, Stcrt. 2011, 20771 (uitgifte: 18-11-2011, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
18-11-2011
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-11-2011, Stcrt. 2011, 20771 (uitgifte: 18-11-2011, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Overige regelgevende instantie(s)
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Ministerie van Defensie
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Bijzondere onderwerpen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Waterrecht (V)
Vervoersrecht / Zeevervoer
Energierecht (V)
Nog beter afstemmen en samenwerken staan centraal. Dat geldt op de eerste plaats voor betrokken instellingen en partijen in eigen land, maar in toenemende mate ook internationaal.
Het beheer van de Noordzee heeft naast de vele inhoudelijke aspecten ook een organisatorischoperationele kant. Een belangrijk aandachtspunt is de goede afstemming en samenwerking tussen de verschillende instanties en diensten die voor het beheer verantwoordelijk zijn. Dat is vooral van belang voor het ontsluiten en delen van informatiebestanden, voor vergunningverlening en voor handhaving. Een goede afstemming dient niet alleen de effectiviteit en de efficiency van het beheer, maar ook de gebruikers van de Noordzee.
6.1. Samenwerkingsverbanden binnen de rijksoverheid
Omdat de Noordzee vanaf 1 kilometer uit de kust niet gemeentelijk of provinciaal is ingedeeld, vallen beleid en beheer onder de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid. Bijlage 3 bevat een korte beschrijving van de rijksorganisaties met beheertaken op de Noordzee. Binnen de rijksoverheid zijn er verschillende samenwerkingsverbanden rondom beleid en beheer van de Noordzee.
Interdepartementaal Directeurenoverleg Noordzee (IDON)
In het Interdepartementaal Directeuren Overleg Noordzee (lDON) participeren de ministeries van Infrastructuur en Milieu, Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Defensie en Financiën, en de Kustwacht. IenM (DG Water) fungeert als voorzitter. Het IDON ontwikkelt visie en strategie ten behoeve van de beleidsvorming en vormt een forum voor interdepartementale afstemming voor behandeling in de ministerraad. Ook stuurt het IDON de gezamenlijke uitvoering van interdepartementale projecten aan.
Nederlands Hydrografisch Instituut (NHI)
Het Nederlands Hydrografisch Instituut (NHI) bestaat sinds 1 juli 1986 en is een samenwerkingsverband van de Dienst der Hydrografie van de Koninklijke Marine en Rijkswaterstaat Noordzee, met als gemeenschappelijk belang een veilige, gezonde en rendabele Noordzee. Dit NHI waarborgt hierbij vooral efficiënte en gecoördineerde inzet van publieke middelen, uniforme normen en standaarden, kennisuitwisseling en innovatie op het gebied van zeebodemonderzoek, zeebodemmonitoring en nautische kartering.
6.2. Samenbrengen van Geo- en monitoringsinformatie
Gegevens die relevant zijn voor het beheer van de Noordzee, zijn verspreid over bijna alle instanties die bij het beheer zijn betrokken. Dat werkt de uitvoering van integraal beleid tegen, vertraagt procedures en kan leiden tot misverstanden. Voor Geoinformatie wordt daarom gewerkt aan één loket voor de Noordzee.
Het zou bijvoorbeeld niet mogen voorkomen dat kabels en leidingen op de ene kaart wel zijn ingetekend en op de andere niet. Naarmate gebruiksfuncties van de Noordzee dichter bij elkaar komen te liggen, is een exact beeld van het ruimtegebruik en van de bodemsituatie onontbeerlijk. Met andere woorden: het is zaak dat voor vergunningverlening en handhaving betrouwbare kaarten beschikbaar zijn. Daarom zullen de verschillende beheerders (eigenaren) van informatiebronnen hun gegevens beter toegankelijk maken. In eerste instantie komt betere toegankelijkheid van gegevens de departementen ten goede die bij het beheer zijn betrokken. Over publieke toegankelijkheid moet nog worden besloten.
Voor de bundeling van monitoringsinformatie wordt thans gewerkt aan het Informatiehuis Marien. Het rijk heeft de ambitie om monitoringsinformatie van de Noordzee samen te brengen en te ontsluiten via het Noordzeeloket.
6.3. Eén loket voor vergunningverlening
Met het van kracht worden van de Waterwet is het aanvragen van een vergunning een stuk eenvoudiger geworden. Immers: de aanvrager hoeft niet meer langs de verschillende loketten van de voormalige Wvo, Wvz, Wbr en zo meer. De Ontgrondingenwet is nog niet onder de Waterwet gebracht. Dit staat gepland voor 2011–2012.
Blijven nog over de Nb-wet, de Flora- en faunawet, de Wet Milieubeheer en de Mijnbouwwet die elk aparte procedures en andere instanties als bevoegd gezag kennen. De ‘toets op schadelijke effecten’ die de Nb-wet voorschrijft, is geïntegreerd in het afwegingskader van het IBN (zie hoofdstuk 4). Daarmee zijn de Nb-wet-procedures echter niet volledig gestroomlijnd met die van de Waterwet. Voor de Nb-wetprocedure gelden daarnaast andere termijnen dan voor de Waterwetprocedure. Voorlopig blijven er voor het inrichten van installaties op zee dus nog verschillende wetten (en vergunningen) van kracht. Maar het Noordzeeloket biedt een vergunningaanvrager wél de service dat hij onmiddellijk in contact kan komen met de contactpersoon per soort vergunning.
Daarnaast zullen de ministeries onderling afspreken dat de toetsingscriteria uit het Integraal Afwegingskader van het IBN eensluidend worden toegepast.
Beheerdersnetwerk en no wrong door voor initiatiefnemers
Het in de eerdere versie van het IBN 2015 genoemde Beheerdersnetwerk Noordzee (BNN) heeft de vorm gekregen van een samenwerking tussen verschillende beheerders. Daar waar afstemming op verschillende beleidsvelden nodig is in de uitvoering van het beheer, wordt dit opgepakt. De beheerders kennen elkaar en stemmen onderwerpen af op inhoud, ruimte en tijd.
Initiatiefnemers hebben de mogelijkheid om in de vertrouwelijkheid van het informele vooroverleg (zie paragraaf 4.2) hun conceptplannen aan een beheerder kenbaar te maken. De beheerder zal binnen zijn netwerk contact zoeken met de andere beheerders van de Noordzee en informeren aan welke belangen het voorgenomen initiatief mogelijk raakt en met welke belanghebbenden en welk bevoegd gezag de initiatiefnemer zijn plannen het beste kan afstemmen. Op deze wijze faciliteert de overheid initiatiefnemers en informeren beheerders elkaar over mogelijke initiatieven. Het delen van informatie binnen de overheid teneinde de initiatiefnemer optimaal te informeren en faciliteren is een eerste stap. Op termijn is één loket voor alle Noordzeevergunningen denkbaar.
6.4. Kustwacht
Taken Kustwacht |
De Kustwacht heeft handhavings-taken en dienstverleningstaken. |
Tot de dienstverlening behoren:
|
Handhavingstaken zijn:
|
Tot 1 januari 2007 was de Kustwacht een samenwerkingsverband van zeven ministeries met uitvoerende, dienstverlenende en handhavingstaken op de Noordzee. Vanaf die datum is de Kustwacht één organisatie met eigen taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
Het doel van deze verandering was de uitvoering van overheidstaken op de Noordzee efficiënter en effectiever te maken, en daarbij ook meer zicht te hebben op de kosten. De omvorming van de Kustwacht sluit ook aan bij de ambities van het kabinet om de kwaliteit van het openbaar bestuur te verbeteren.
De Kustwacht wordt nu op een beleidsmatige en zakelijke manier aangestuurd. IenM is daarbij het coördinerende ministerie dat ervoor moet zorgen dat er geïntegreerd beleid komt en dat er activiteitenplannen en een begroting worden opgesteld. Defensie is verantwoordelijk voor de organisatie, het beheer en de uitvoering van de taken van de Kustwacht. De deelnemende departementen behouden hun beleidsmatige verantwoordelijkheid voor het deel van de taken dat de Kustwacht voor hen uitvoert. De minister van Defensie, gehoord de Raad voor de Kustwacht, stelt de directeur Kustwacht aan. De directeur krijgt jaarlijks de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van een heldere, haalbare opdracht van de ministerraad. De bevoegdheden, middelen en kosten zijn, vergeleken met vroeger, duidelijk in beeld gebracht.
In 2009 is Kustwacht Nieuwe Stijl geëvalueerd. Geconstateerd is dat effectiviteit en efficiëntie duidelijk zijn verbeterd vergeleken met de praktijk van vóór 2007. De Algemene Rekenkamer heeft deze conclusies onderschreven. Toch is het streven de Kustwacht nog verder te verbeteren.
Enkele verbeteracties zijn in gang gezet, zoals optimalisatie van de prestatie-indicatoren, het beter spreiden en delen van informatie, het scherper formuleren van de missie en visie van de Kustwacht en het creëren van draagvlak voor deze missie en visie. Ook wordt onderzocht of het handhavingspersoneel van de afzonderlijke diensten kan worden gedetacheerd bij de Kustwacht. Doel daarvan is om de bevoegdheden van de directeur Kustwacht wat betreft het inzetten van medewerkers te verbeteren.
Maritieme noodhulp
De rijksoverheid draagt zorg voor de doeltreffende uitvoering van maatregelen die voortvloeien uit internationale verdragen over de redding van mensen op zee en het beperken van schade voor het mariene milieu en de kust. Het overheidsoptreden op deze vlakken kent de volgende begrippen: Nood-, spoed- en veiligheidscommunicatie (NSV), Search and Rescue (SAR) en Rampen- en incidentenbestrijding (RIB). Zie ook hoofdstuk 2.
In reactie op een rapport van de Algemene Rekenkamer over de Kustwacht heeft het kabinet aangegeven te zullen komen tot een onderbouwing van de capaciteit voor het opsporen en redden van mensen in nood en voor de hulpverlening ter voorkoming van ongevallen op zee. Met de nota Maritieme en aeronautische noodhulp op de Noordzee is gehoor gegeven aan deze toezeggingen aan de Kamer. Voor de verschillende hulpverleningstaken op de Noordzee zijn zorgnormen geformuleerd. Voor de Kustwacht komen deze zorgnormen neer op continuering van bestaande capaciteitsinzet. Nieuw is assistentie bij de brandbestrijding aan boord van passagiersschepen. De zorgnorm voor de helikoptercapaciteit voor SAR wordt van kracht zodra Defensie de beschikking heeft over de nieuwe NH-90 helikopters; dit is voorzien voor begin 2013.
In veel gevallen is de SAR-actie de eerste fase van de rampen- en incidentenbestrijding, specifiek gericht op het redden van mensen op zee. De directeur Kustwacht is formeel verantwoordelijk voor het functioneren van de SAR-dienst, de coördinatie van de opsporing en redding, en het opstellen van operationele procedures. Het Kustwachtcentrum fungeert als Reddingscoördinatiecentrum (RCC), zowel voor maritieme als voor aeronautische hulpverlening. Uitvoering van de feitelijke opsporing en redding is in handen van diensten zoals de Koninklijke Marine (KM) en de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij (KNRM). Ook de vliegtuigen van de Kustwacht worden voor SAR-taken ingezet.
Onder maritieme noodhulp vallen tevens de voorzieningen voor (sleep)hulp en berging op de Noordzee. Naast en aanvullend op de commerciële dienstverlening op dit vlak heeft de directeur Kustwacht op continue basis een zeesleper ter beschikking, waarvoor de rijksoverheid een meerjarig contract met de bergingsindustrie heeft gesloten. Ten slotte is ook het bieden van een toevluchtsoord (place of refuge) aan schepen in nood een vorm van maritieme noodhulp. Hierover zijn inmiddels zowel binnen de IMO als in EU-verband nadere afspraken gemaakt, gericht op een adequate afweging van de belangen van het betrokken schip en die van de betrokken kuststaat.
Informatie delen
Tot het takenpakket dat in Kustwachtverband wordt uitgevoerd behoort ook de surveillance vanuit de lucht. Opdrachtgevers zijn de verschillende Kustwachtpartners, zoals IenM, KLPD, Douane, KMAR en EL&I. Luchtsurveillance dient meerdere doelen:
- •
opsporen (vroegtijdig) van bestrijdenswaardige (olie)verontreinigingen en van de veroorzakers daarvan
- •
toezicht houden op het naleven van (milieu)wetgeving en van internationale verdragen
- •
inspectie van objecten
- •
zichtbare aanwezigheid op de Noordzee, waarvan een preventieve werking uitgaat
- •
ondersteuning bij Search and Rescue, en rampen- en incidentenbestrijding.
Europese mededeling |
De EU-Commissie wil beter informatieuitwisseling ten behoeve van het maritiem toezicht. De wens van de commissie is kenbaar gemaakt in de Mededeling ‘Naar de integratie van de maritieme bewaking: een gemeenschappelijke gegevensuitwisselingstructuur voor het maritieme gebied van de EU’. |
In oktober 2009 heeft de Europese Commissie aangegeven dat betere uitwisseling en deling van informatie van groot belang is voor de verschillende vormen van maritiem toezicht op Europese wateren (grensbewaking, maritieme veiligheid, visserij-inspectie, douane, etc.). Dat geldt voor uitwisseling tussen civiele autoriteiten en organisaties, maar ook tussen civiele en militaire organisaties.
Nederland steunt in zijn algemeenheid dit streven. Het kan de regionale samenwerking versterken op het gebied van de veiligheid en beveiliging van scheepvaart en andere maritieme activiteiten. Nederland wil echter niet dat wordt getornd aan nationale bevoegdheden. Ook bepleit ons land de mogelijkheid om bepaalde informatie geheim te houden, ofwel: niet alle informatie zonder meer te moeten uitwisselen. Zo vraagt Nederland nadrukkelijk aandacht voor de bescherming van persoonsgegevens, dit vooral vanwege de verschillende regimes voor dataprotectie die binnen het geïntegreerd maritiem toezicht van toepassing zijn.
Het Kustwachtcentrum is hét Nederlandse informatiecentrum over de Noordzee, dat beschikt over het actuele beeld van (scheeps)activiteiten, (veiligheids)incidenten en verontreinigingen op de Noordzee. Dit wordt bewerkstelligd door de koppeling van diverse radar-, satelliet- en informatiesystemen, aangevuld met waarnemingen vanuit vliegtuigen en vanaf schepen. Doel van deze bundeling is de bij de Kustwacht aangesloten diensten zo goed mogelijk toegang te bieden tot de informatie van de andere diensten.
De diensten delen hun informatie binnen de Kustwacht in het Maritiem Informatie Knooppunt (MIK). Punt van aandacht is de verbetering van de informatieuitwisseling binnen het MIK. Daartoe wordt in 2011 de laatste hand gelegd aan een informatiedelingsprotocol tussen de betrokken diensten.
Op het Kustwachtcentrum wordt na een succesvolle pilot in 2010 het Veiligheidsconcept Noordzee (VCN) geïmplementeerd. Met het VCN brengen de diensten binnen de Kustwacht gezamenlijk de risico's op het gebied van veiligheid (safety én security) op de Noordzee in kaart.
Defensie is in 2010 gestart met het MSA-pilotproject. MSA staat voor Maritime Situational Awareness. Het beoogt een geïntegreerd (holistisch) nationaal beeld en kennis en begrip van de veiligheidsituatie (safety en security) in een specifiek zeegebied te verkrijgen. Om dubbel werk te voorkomen sluit Defensie zoveel mogelijk aan bij het VCN-project en bij het al gestarte MIK. Deze aanpak komt tegemoet aan de door de EU gewenste informatieuitwisseling tussen civiele en militaire organisaties.
De Kustwacht is teven betrokken bij internationale initiatieven als Frontex en EUROSUR.
6.5. Internationale context en het Noordzeebeheer
Het wordt almaar drukker op de Noordzee. In het intensief gebruikte Nederlandse zeegebied is dat goed merkbaar. Vooral het ruimtebeslag van (nog te bouwen) windparken én de beperkingen die gepaard gaan met de aanwijzing van Natura 2000-gebieden doen zich gelden. De Nederlandse overheid is daarom overgestapt van toetsend optreden naar meer planmatig optreden op basis van integrale afwegingen (zie hierover ook hoofdstuk 3: sturingsfilosofie).
Ruimtegebruik in grensgebieden
Op nationaal niveau is de groeiende spanning tussen de verschillende ruimteclaims binnen het integraal beleid en beheer op te vangen met afweging en keuzes. Ook in internationaal verband speelt deze spanning een rol. Wat bijvoorbeeld te doen als een kuststaat tegen een grenslijn van zijn EEZ of territoriale water een windturbinepark plant, terwijl het buurland aan de andere kant van de grens een Natura 2000-gebied wil aanwijzen? En wat als het ene land scheepvaart in windparken toestaat en het andere land dit verbiedt?
Activiteiten in grensgebieden vormen een speciaal aandachtspunt bij Marine Spatial Planning. Rijkswaterstaat heeft daarom het initiatief genomen om in samenwerking met de buurlanden de grensgebieden in kaart te brengen en te beschrijven.
Nederland zal in een netwerk met buurlanden en in Osparverband regelmatig ervaringen uitwisselen en de cross-bordersamenwerking met buurlanden versterken. Het doel is om samen lessen te trekken uit cross-border samenwerkingsinitiatieven in de zuidelijke Noordzee. Verder zet Nederland in op grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van beheer en monitoring, met als doel synergie- en efficiëntievoordelen te benutten en de kennis van het systeem te vergroten.
6.6. Afstemmen van beheerplannen
IBN kaderstellend |
Het rijk heeft de exclusieve verantwoordelijkheid voor planvorming en vergunningverlening op de Noordzee, dit in tegenstelling tot het land, waar ook provincies, gemeenten en waterschappen hun rol vervullen. |
Het rijk heeft de mogelijkheden verkend om op termijn te komen tot één integraal beheerplan voor de Noordzee: een beheerplan dat ook recht zou moeten doen aan de vereisten die het Natura 2000-beheerplan stelt en aan het maatregelenprogramma van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. De gedachte was dat zo'n totaal geïntegreerd beheerplan vanaf 2015 zou kunnen gaan gelden. In dat jaar loopt de huidige termijn van NWP, BPRW en KRW ten einde en begint het maatregelenprogramma van de KRM.
Uit de verkenning bleek geen directe aanleiding tot integratie van planvormen voor de Noordzee, maar wel tot verdere afstemming. Integratie in één document voor de Noordzee wordt op dit moment niet als wenselijk gezien, omdat de beheerplannen op dit moment een verschillende mate van detail, doorlooptijd en juridische status hebben en er niet voor alle beheeractiviteiten een beheerplan bestaat.
De verdere afstemming zit vooral in het samenbrengen van maatregelen en beheerplannen voor de Noordzee. Het IBN geeft een overkoepelend beeld en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen gelden. Voor de specifieke maatregelen verwijst het IBN naar de desbetreffende beheerplannen en wetgeving waar de maatregelen in detail zijn beschreven.