Einde inhoudsopgave
Wet op het financieel toezicht
Artikel 3A:13c Beoordeling gevolgen voor afwikkelbaarheid
Geldend
Geldend vanaf 25-03-2026
- Bronpublicatie:
11-03-2026, Stb. 2026, 60 (uitgifte: 24-03-2026, kamerstukken: 36822)
- Inwerkingtreding
25-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
16-03-2026, Stb. 2026, 61 (uitgifte: 24-03-2026, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
Indien de Nederlandsche Bank vaststelt dat binnen een categorie verplichtingen die in aanmerking komende passiva omvat, het bedrag aan verplichtingen zonder de in artikel 3A:13, eerste lid, bedoelde bepaling, samen met de verplichtingen die zijn uitgesloten van de toepassing van het instrument van bail-in, of die waarschijnlijk zullen worden uitgesloten van de toepassing van het instrument van bail-in, meer bedraagt dan 10% van die categorie, beoordeelt zij onmiddellijk welke gevolgen deze vaststelling heeft voor de afwikkelbaarheid van de entiteit.
2.
Indien de Nederlandsche Bank op grond van de in het eerste lid bedoelde beoordeling oordeelt dat de passiva met betrekking waartoe de entiteit op grond van artikel 3A:13a, eerste lid, heeft vastgesteld dat het onuitvoerbaar is om een in dat lid bedoelde bepaling in de overeenkomst of de in artikel 3A:13a, eerste lid, bedoelde instrumenten op te nemen, een substantiële belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen, past zij de in artikel 10 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk de artikelen 3A:10 en 3A:10a bedoelde bevoegdheden zodanig toe dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen.