Einde inhoudsopgave
Integraal Beheerplan Noordzee 2015
4 Integraal afwegingskader
Geldend
Geldend vanaf 18-11-2011
- Bronpublicatie:
11-11-2011, Stcrt. 2011, 20771 (uitgifte: 18-11-2011, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
18-11-2011
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-11-2011, Stcrt. 2011, 20771 (uitgifte: 18-11-2011, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Overige regelgevende instantie(s)
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Ministerie van Defensie
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Bijzondere onderwerpen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Waterrecht (V)
Vervoersrecht / Zeevervoer
Energierecht (V)
In deze herziening van het IBN 2015 is het integraal afwegingskader voor het gehele Nederlandse deel van de Noordzee, voor zover mogelijk, gecombineerd met het afwegingskader van de Natuurbeschermingswet.
In de systematiek van het gecombineerde afwegingskader is de volgorde van de opeenvolgende toetsen gewijzigd. Bij de toets ‘locatiekeuze en beoordeling ruimtegebruik’ is een meer gedetailleerde beschrijving opgenomen van ‘activiteiten van nationaal belang’.
Voor experimentele initiatieven met een perspectief op duurzame ontwikkelingen op de langere termijn — waartoe het Nationaal Waterplan nadrukkelijk mogelijkheden wil scheppen — is een aangepast afwegingskader opgenomen.
4.1. Wijziging beleidsfundament
Het afwegingskader in het oude IBN 2015 was gebaseerd op de Nota Ruimte. Het in 2009 vastgestelde Nationaal Waterplan en de Beleidsnota Noordzee vervangen de Nota Ruimte als beleidsfundament voor het afwegingskader.
In de toetsingsprocedure van dit nieuwe IBN 2015 is de systematiek van het afwegingskader van de Natuurbeschermingswet opgenomen. Dit versterkt het integrale karakter van het afwegingskader in het IBN en geeft initiatiefnemers inzicht in de afwegingen die tijdens de vergunningprocedure moeten worden gemaakt.
Het gebruik van het Nederlands deel van het continentaal plat (NCP) van de Noordzee is te onderscheiden in niet-vergunningplichtig gebruik en gebruik waarvoor initiatiefnemers wél een vergunning moeten aanvragen. Niet-vergunningplichtige functies zijn scheepvaart, een deel van het militair gebruik, en recreatie. Voor deze sectoren komt het afwegingskader pas in beeld bij herziening van beleid of bij nieuw beleid. Deze functies vallen in en (vanwege de externe werking) nabij Natura 2000-gebieden overigens wel onder het afwegingskader van de Natuurbeschermingswet. Verder regelen de beheerplannen het gebruik in de Natura 2000-gebieden. Een uitzondering betreft de visserij in de Nederlandse Exclusieve Economische Zone (EEZ). Deze is gereguleerd via het Gemeenschappelijke Visserijbeleid van de Europese Unie. De grenzen van de EEZ zijn gelijk aan die van het NCP.
Voor gebruiksfuncties die wél vergunningplichtig zijn, maakt het integraal afwegingskader via voorschriften maatwerk mogelijk. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de desbetreffende economische activiteit wordt een vaste procedure gevolgd. Hierbij wegen mee: de ruimtelijke aspecten, veiligheid, de gevolgen voor ecologie en milieu en de eventueel aan een vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen.
4.2. Ruimtelijk proces
Het NWP is de basis voor het ruimtelijk beheer op de Noordzee. Het rijk neemt het initiatief voor het afstemmen van activiteiten en het maken van afspraken over gebruik en inrichting van een aantal gebieden. Het overleg met belanghebbenden speelt een belangrijke rol bij het maken van de beheerplannen voor Natura 2000, een zandwinstrategie voor de 12-mijlszone en de uitgifte van ruimte binnen de windenergiegebieden.
Voor nieuwe activiteiten kan het informeel vooroverleg met het bevoegd gezag op rijks- en regionaal niveau worden gezien als de start van een proces gericht op optimale inpassing, waar zo nodig ook andere belanghebbenden bij worden betrokken.
Initiatiefnemers kunnen in vertrouwelijkheid hun plannen delen met het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag faciliteert de initiatiefnemers in de voorbereiding van de vergunningaanvraag door inzicht te geven in de ruimtelijke beperkingen, gevestigde belangen en mogelijke toekomstige ontwikkelingen in het plangebied en geeft — waar mogelijk — advies over welke partijen te consulteren en welke alternatieven in overweging te nemen. Door consultatie door de initiatiefnemer van andere belanghebbenden in het plangebied kunnen deze hun belangen al in de voorfase kenbaar maken. Op deze wijze is de initiatiefnemer in staat om op voorhand rekening te houden met alle ruimtelijke belangen in het plangebied. Dit leidt naar verwachting tot minder juridische procedures na de formele vergunningaanvraag. De kans op realisatie van de voorgenomen plannen is daardoor groter.
Het in een vroegtijdig stadium kennis nemen van de formele toetsingscriteria en procedure voor de vergunningverlening is een goede voorbereiding voor initiatiefnemers voor het informele vooroverleg.
Na de formele vergunningaanvraag start het formele traject. De formele toetsingscriteria voor de vergunningverlening worden hierna beschreven.
4.3. Nieuwe systematiek van toetsing
De in het oude IBN 2015 vastgelegde volgorde van vijf toetsen is niet meer ideaal. Werkend van grof naar fijn in de afweging, blijkt het in de praktijk handiger om de toets ‘locatiekeuze en ruimtegebruik’ eerder aan de orde te laten komen dan ‘nut en noodzaak’. Voorzorg speelt bij de locatiekeuze een rol, maar is ook na de toets ‘nut en noodzaak’ aan de orde. Verder is het afwegingskader van de Natuurbeschermingswet in dit IBN-afwegingskader verwerkt door de toets ‘locatiekeuze en ruimtegebruik’ én de Nb-wettoets op significante negatieve effecten direct te plaatsen na de eerste stap: het ‘definiëren van de ruimtelijke claim’.
De toets ‘nut en noodzaak’ uit het IBN 2015 is vervolgens goed te combineren met het ‘bepalen van het maatschappelijk belang’ in het afwegingskader van de Nb-wet. Daarna geldt in de systematiek van het Nb-afwegingskader het aspect ‘beperken’ uit de toets ‘mitigeren en compenseren’. Dat sluit aan op het uitgangspunt in het oude IBN-afwegingskader, dat in alle stappen tot aan het mitigeren voorzorg geboden is om nadelige effecten te voorkomen en te beperken. Tot slot volgt het ‘compenseren’.
De nieuwe systematiek van toetsing wordt in figuur 4 weergegeven en in de volgende paragrafen nader toegelicht.
Figuur 4. Systematiek van toetsen

Juridische werkingssfeer
Het afwegingskader is binnen de EEZ van toepassing op vergunningplichtig gebruik. De Mijnbouwwet, de Ontgrondingenwet, de Waterwet, de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingsweten een aantal scheepvaartwetten vormen daarvoor de wettelijke basis (zie voor een volledig overzicht www.noordzeeloket.nl). De werkingssfeer van de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet beperkt zich nu tot de territoriale zee en wordt in de nabije toekomst naar verwachting uitgebreid tot de gehele EEZ. Vergunningplichtig gebruik kan bestaand gebruik zijn dat wordt verlengd of uitgebreid, maar ook een activiteit die nog niet eerder op de Noordzee voorkwam.
Activiteiten die thans niet-vergunningplichtig zijn kunnen — wanneer deze significante negatieve gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied — wel vergunningplichtig worden op grond van de Natuurbeschermingswet. In deze wet is het afwegingskader van de Habitat- en Vogelrichtlijn in 1998 geïmplementeerd.
Rijkswaterstaat Noordzee weegt op dit moment het belang van Natura 2000 mee bij vergunningverlening op grond van de Waterwet. De Waterwet biedt Rijkswaterstaat Noordzee in de EEZ deze mogelijkheid tot integrale vergunningverlening.
Voor experimentele activiteiten die bijdragen aan duurzame ontwikkelingen op de Noordzee, is een aangepaste toetsprocedure vastgesteld.
Geografische werkingssfeer
Het afwegingskader geldt voor het hele Nederlandse deel van de Noordzee, met inbegrip van Natura 2000-gebieden. Voor het bepalen van dwingende redenen van groot openbaar belang en bij het compenseren van effecten geeft het afwegingskader aanvullende eisen voor de Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld dat bij compensatie in een Natura 2000-gebied een resultaatsverplichting geldt.
Aanwijzing van Natura 2000-gebieden in de EEZ volgt op het van toepassing verklaren van de Natuurbeschermingswet in deze zone. De Europese Commissie heeft twee aan te wijzen Habitatrichtlijngebieden (Doggersbank en Klaverbank) in de EEZ al op de Europese Lijst van Communautair belang geplaatst.
4.4. De vijf toetsen van het integraal afwegingskader Noordzee
Toets 1 Definiëren ruimtelijke claim & toepassen voorzorg
Het definiëren van de ruimtelijke claim is eigenlijk geen echte toets, maar geeft een beschrijving van de desbetreffende activiteit. Die informatie is nodig voor alle vijf de toetsen. De initiatiefnemer volgt voor de beschrijving een vast format, waarin minimaal de volgende rubrieken zijn opgenomen: de aard van de activiteit, het doel, aanvang en tijdsduur, ruimtebeslag en beoogde locatie, de potentiële effecten en één of meerdere alternatieven. Met name de ruimteclaim en de potentiële effecten moet hij gedetailleerd uitwerken en waar nodig onderbouwen met resultaten uit onderzoek.
Voorzorgbeginsel
De initiatiefnemer werkt zijn beschrijving bovendien uit aan de hand van vereisten die voortkomen uit het voorzorgbeginsel. Dit beginsel heeft al jaren een plaats in internationaal en nationaal beleid (OSPAR, NWP, KRM en Natura 2000). Het is een cruciaal uitgangspunt bij de uitwerking en planning van activiteiten op zee. Het principe houdt in dat een gebruiker preventieve maatregelen moet nemen als er redelijke grond is tot bezorgdheid over mogelijke onherstelbare schade die de activiteit zou kunnen toebrengen aan het mariene milieu, de gezondheid van mensen en/of ander rechtmatig gebruik. Er is geen afdoende bewijs nodig van een oorzakelijk verband tussen de activiteit en de gevolgen ervan. Voor de beoordeling van schade aan het mariene milieu hanteert de toetsende vergunningverlener naast het voorzorgprincipe de ecosysteembenadering. Dat wil zeggen: niet de alleen effecten op afzonderlijke soorten gelden, maar de effecten op de volledige samenhang van leefgemeenschappen en hun habitat.
De preventieve maatregelen moeten langdurige, onomkeerbare en ongewenste effecten van activiteiten voorkomen of — als ze niet zijn te vermijden — beperken. ‘Aantasting’ van het mariene milieu omvat niet alleen emissies van schadelijke stoffen, maar ook verstoring van het ecosysteem door bijvoorbeeld het afdekken of verwijderen van sediment, de vernietiging van bodemfauna of door te grote belasting met geluiden.
Preventieve maatregelen kunnen zijn: zonering in de tijd, toepassen van schone technieken, aanbrengen van controlesystemen en beheersen van stromen (afval)stoffen.
Nieuwe activiteiten
Als een project volgens dit besluit mogelijk significante effecten heeft en dus m.e.r.-plichtig is, moet ook het afwegingskader worden doorlopen. |
De vijf toetsen van het integraal afwegingskader Noordzee moeten bij alle vergunningplichtige — ook niet m.e.r.-plichtige — activiteiten worden doorlopen. |
De wijze waarop de voorzorgtoets gestalte krijgt, hangt af van de vraag of het gaat om een activiteit van een bestaande of van een nieuwe gebruiksfunctie. Voor bestaand gebruik is immers al beleid en regelgeving in werking, terwijl rond nieuw gebruik nog vragen en onzekerheden kunnen leven.
Als nieuwe activiteiten van bestaande functies m.e.r.-plichtig zijn, geeft het MER voldoende inzicht in de effecten om te kunnen toetsen op voorzorg. Bij niet-m.e.r.-plichtige activiteiten past het bevoegd gezag de toets op voorzorg toe op basis van bestaand beleid, bestaande regelgeving en de gangbare praktijk. Als er geen nieuwe inzichten zijn betreffende ecologische effecten, of effecten op de gezondheid van mensen of op ander rechtmatig gebruik, is hiermee aan het toepassen van het voorzorgprincipe voldaan. Als nieuwe inzichten daartoe wél aanleiding geven, verzoekt het bevoegd gezag de vergunningaanvrager nadere informatie te verstrekken over de mogelijke effecten en zo nodig preventieve maatregelen te treffen.
De vergunningverlener moet nieuwe activiteiten die voor het eerst op de Noordzee plaatsvinden, op voorzorg kunnen toetsen. Daarom moet de initiatiefnemer zo volledig mogelijke informatie verstrekken over de effecten van zijn activiteiten op de ecologie (ecosysteembenadering), op de gezondheid van mensen en op ander rechtmatig gebruik. De informatie moet dus naast de basisinformatie voor de ruimtelijke claim de volgende onderdelen bevatten:
- •
een beschrijving van de natuurwaarden in het gebied (uitgaande van de ecosysteembenadering), en de situering van de activiteit;
- •
een beschrijving van de effecten die de activiteit op zich en in combinatie met andere activiteiten kan hebben;
- •
een beoordeling van deze potentiële effecten op basis van de
- •
beste beschikbare kennis.
Voor m.e.r.-plichtige activiteiten volgt de informatie uit het MER.
Ontbreekt voldoende kennis over de gevolgen van een activiteit, dan mag dat geen argument zijn om die activiteit te laten doorgaan. De vergunningverlener kan dan besluiten:
- •
de activiteit niet toe te staan
- •
de activiteit wel toe te staan, maar onder voorwaarde dat de initiatiefnemer de effecten beperkt en/of compenseert
- •
nader onderzoek (bijvoorbeeld monitoring) te laten verrichten en de vergunning voor bepaalde tijd (duur van het onderzoek) te verlenen
- •
andere beperkingen op te leggen.
Maatregelen ter beperking van effecten moeten worden vastgesteld op het moment van het besluit over vergunningverlening.
Als bij de beoordeling van een vergunningaanvraag (al dan niet met inbegrip van het MER) voldoende zekerheid is verkregen dat er geen kans is op significant negatieve effecten, hoeft de rest van het afwegingskader niet te worden doorlopen, met uitzondering van de toets op locatiekeuze.
Toets 2 Locatiekeuze & beoordeling ruimtegebruik
‘Groot openbaar belang’ en ‘nationaal belang’ |
Een activiteit van groot openbaar belang is één van de criteria van het afwegingskader van art. 6 HR/art. 19 Nb-wet en duidt op het maatschappelijk belang van een voorgenomen ruimtelijke ingreep. Activiteiten van nationaal belang zijn expliciet vastgelegd in het NWP. Het maatschappelijk belang behoeft voor deze activiteiten niet verder te worden onderbouwd. |
Doel van deze toets is een zo efficiënt mogelijk ruimtegebruik. Bij het vooroverleg over de vergunningaanvraag geeft het bevoegd gezag de randvoorwaarden aan die bij de afweging van de activiteit in kwestie aan de orde zijn. Ook ontvangt de initiatiefnemer informatie over de voorwaarden waaronder de vergunning kan worden verleend. Het bevoegd gezag baseert zich daarbij op prioriteiten en uitgangspunten die in beleid (onder andere het NWP) zijn vastgelegd.
Algemeen
Het kabinet stelt als algemene doelen: de handhaving van het open en dynamische karakter van de Noordzee en een onderling doelmatige en veilige afstemming van het gebruik. Meervoudig ruimtegebruik wordt zoveel mogelijk bevorderd. Daarboven geeft het kabinet in de ruimtelijke afweging prioriteit aan activiteiten van nationaal belang. Dat zijn: scheepvaart, olie- en gaswinning, CO2-opslag, opwekking van windenergie, zandwinning en zandsuppletie, en oefeningen van Defensie. Daarnaast is de implementatie van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) van wezenlijk belang. Deze prioritering is in beeld gebracht op de structuurvisiekaart.
Overlappen van activiteiten
In de gebieden die zijn aangemerkt voor activiteiten van nationaal belang (zie structuurvisiekaart), mogen andere activiteiten dit gebruik niet belemmeren. Wanneer meerdere activiteiten van nationaal belang ruimte claimen in hetzelfde gebied is het uitgangspunt: streven naar gecombineerd en ruimte-efficiënt gebruik. Voorwaarde is dan wel dat de eerste initiatiefnemer geen onevenredige schade of hinder ondervindt. Meer specifiek gelden — naast dit algemene uitgangspunt — voor de onderlinge afstemming van activiteiten van nationaal belang de randvoorwaarden die in de tabel zijn weergegeven. De tabel is een uitwerking van de tabel op blz. 52 van de Beleidsnota Noordzee 2009-2015.
Activiteit van nationaal belang | Randvoorwaarde |
|---|---|
Vlotte en veilige scheepvaart, met inachtneming van het belang van een gezond zeemilieu | In verkeersscheidingsstelsels, diepwaterroutes, ankergebieden en clearways gaat scheepvaart vóór ander gebruik. |
Olie- en gasplatforms en andere permanente individuele bouwwerken worden uit veiligheidsoverwegingen binnen scheepvaartroutes en binnen een zone van 500 meter aan weerszijden van deze scheepvaartroutes niet toegestaan. | |
Olie- en gaswinning en de veiligheid in de directe omgeving | Het potentieel aan olie- en gasvoorraden inclusief de ‘kleine velden’ wordt zoveel mogelijk benut. |
Binnen een veiligheidszone van 500 meter rond een mijnbouwplatform is scheepvaart of ander gebruik niet toegestaan. Ten behoeve van windenergie kunnen voorwaarden aan een mijnbouwinstallatie (platform) en de plaatsing daarvan worden gesteld. | |
CO2-opslag | Het potentieel aan lege olie- en gasvelden en aan (voor CO2-opslag geschikte) aquifers wordt zoveel mogelijk benut. |
Binnen een veiligheidszone van 500 meter rond een platform met installatie voor CO2-opslag is scheepvaart niet toegestaan. | |
Windenergie | Het gebruik van de Noordzee ten behoeve van vergunde windturbineparken gaat voor ander gebruik. In de vergunningen voor windturbineparken is een afstemmingsbepaling voor medegebruik ten behoeve van olie- en gaswinning opgenomen. Afstemming met de medegebruiker kan leiden tot een gewijzigde lay-out van het windturbinepark. |
In de in het NWP aangewezen windenergiegebieden (thans Borssele en IJmuiden) wordt gestreefd naar (vroegtijdige) afstemming tussen het (toekomstig) gebruik van het gebied ten behoeve van enerzijds windenergie en anderzijds olie- en gaswinning. Dit gebruik gaat voor ander gebruik. Afstemming tussen windenergie en olie- en gaswinning is maatwerk. In reeds verleende vergunningen voor windturbineparken is een afstemmingsbepaling voor medegebruik ten behoeve van olie- en gaswinning opgenomen. | |
In een windturbinepark en een veiligheidszone van 500 meter rondom het park, is geen scheepvaart toegestaan. Bij de aanwijzing van windenergiegebieden is het vertrekpunt voor veilig scheepvaartverkeer een afstand van twee zeemijl tot recognised sealanes. Maatwerk is mogelijk. | |
In afwachting van nieuwe regelgeving geldt een moratorium op de afgifte van nieuwe vergunningen. Onder de nieuwe regelgeving zal de bouw van windturbineparken alleen toegestaan zijn in aangewezen windenergiegebieden. | |
Zandwinning- en zandsuppletie | Winning van suppletie- en ophoogzand is van nationaal belang en heeft als zodanig voorrang in de reserveringszone tussen de doorgaande NAP -20 m lijn en de grens van de 12-mijlszone. |
Buiten de 12-mijlszone gaan bij ‘stapeling’ andere activiteiten van nationaal belang boven die van zandwinning. | |
Voor de Zeeuwse kust en de Maasvlakte is een gebied gereserveerd voor de winning van beton- en metselzand. | |
Landwaarts van de doorgaande NAP-20 dieptelijn mag geen zandwinning plaats vinden. Uitzondering daarop vormt in beginsel winning uit vaargeulen, het aanleggen van overslagputten, winning waarbij het verwijderen van oppervlaktedelfstoffen uit de winlocatie bijdraagt aan de kustverdediging en het in oorspronkelijke staat brengen van de zeebodem van voormalige stortgebieden. | |
Defensie | In Defensiegebieden wordt medegebruik toegestaan voor zover dit is te verenigen met de militaire oefeningen daar. In eerste instantie oordeelt de minister van Defensie hierover. |
Efficiënt ruimtegebruik
Het bevoegd gezag beoordeelt per vergunningaanvraag of de ruimteclaim van de initiatiefnemer reëel is óf dat een efficiëntere ruimtelijke inpassing mogelijk is.
Meervoudig ruimtegebruik waar mogelijk
Een rechtmatig gebruiker van (een deelgebied van) de Noordzee heeft geen alleenrecht op het algehele gebruik van het desbetreffende gebied. Hij mag alleen de activiteit uitvoeren waarvoor vergunning is verleend. In principe is er ruimte voor medegebruik mits de eerste initiatiefnemer daarvan geen onevenredige schade of hinder ondervindt. Nieuwe initiatiefnemers treden in eerste instantie in overleg met gevestigde initiatiefnemers om afspraken te maken over hoe de initiatieven naast elkaar zijn uit te voeren. Het bevoegd gezag maakt uiteindelijk de afweging en beslist over de voorwaarden waaronder de initiatieven in hetzelfde gebied mogelijk zijn. Bij schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de gevestigde initiatiefnemer kan komen, kan deze een beroep doen op de regeling voor nadeelcompensatie.
Zie voor overwegingen over meervoudig ruimtegebruik in windturbineparken en bij CO2-opslag de desbetreffende paragrafen in hoofdstuk 5.
Behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden
De Noordzee heeft een bijzonder bodemarchief met daarin historische scheepswrakken, verdronken prehistorische landschappen en andere archeologische vindplaatsen. Bij bodemingrepen op het Nederlands Continentaal Plat moet rekening worden gehouden met de verplichting tot behoud van (informatie over) archeologische en cultuurhistorische waarden volgens het Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag is geïmplementeerd in de Monumentenwet, de Wet milieubeheer en de Ontgrondingenwet. Archeologische en cultuurhistorische waarden worden meegewogen in de vergunningverlening en m.e.r.-procedures. De Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE) adviseert hierbij het bevoegd gezag. Soms worden bij de uitvoering van werken zaken aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat ze van cultuurhistorisch belang zijn. Vanuit de huidige Monumentenwet geldt dan de verplichting dit te melden aan de RCE. Voor het ruimen van oude wrakken gelden specifieke bepalingen, zie hoofdstuk 3. Rijkswaterstaat heeft voor de uitvoering van eigen werken een samenwerkingsovereenkomst met de RCE.
Op enkele plaatsen in de Noordzee, met name de Voordelta en de aangrenzende banken, is de kans op archeologische vondsten groter dan elders in de Noordzee.
Nadeelcompensatie
Als een gebruiker meent schade te ondervinden van ander rechtmatig gebruik in hetzelfde gebied, kan hij bij het bevoegd gezag schadevergoeding vragen. Het gaat daarbij alleen om schade van individuele gebruikers die zij redelijkerwijs niet zelf kunnen dragen en die buiten het normaal maatschappelijk risico valt. Als het ministerie van IenM de vergunningverlener is, kan een beroep worden gedaan op de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999.
Effecten op niet-locatiegebonden gebruik
Het bevoegd gezag kan een initiatiefnemer vragen om bij het beschrijven van zijn activiteiten ook aandacht te besteden aan mogelijkheden voor medegebruik door anderen. Daarnaast kan het bevoegd gezag de wens uiten om de effecten van de activiteiten te beschrijven op ander, niet-locatiegebonden gebruik (zoals visserij) of niet-vergunningplichtig gebruik (zoals scheepvaart).
Alternatieve locaties
Het bevoegd gezag kan bij zijn ecologische of ruimtelijke overwegingen ook alternatieve locatievoorstellen willen betrekken. De initiatiefnemer doet er dus goed aan om bij zijn ruimteclaim één of meer goed onderbouwde alternatieven te presenteren. Zo nodig kan het bevoegd gezag een initiatiefnemer vragen aanvullend onderzoek te doen met betrekking tot zowel de voorkeurslocatie als de alternatieve locaties.
Termijn van de vergunning
Een vergunning wordt altijd voor een bepaalde periode verleend om te voorkomen dat het ruimtebeslag van kracht blijft zonder dat de ruimte wordt benut. Ook staan in de vergunningen bepalingen voor de duur van de activiteit. Er zijn echter geen normen vastgelegd voor wat ‘een bepaalde periode’ is. Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van vergunningen per geval een termijn bepalen. Fasering in de tijd biedt de mogelijkheid om meerdere activiteiten in een bepaald gebied te combineren.
Verwijderen van objecten
Praktijk opruimplicht |
De opruimplicht voor offshore platforms is in de Sintra agreement gereguleerd. Sinds de inwerkingtreding in 1998 zijn in de OSPAR-regio 122 installaties met vergunning verwijderd. Slechts vijf installaties mochten na een derogation procedure blijven staan. |
Oudere kabels blijven vaak liggen omdat de eigenaar niet meer bekend is of niet meer bestaat. Ook zijn oudere kabels vaak lastig te verwijderen doordat ze breken, vooral als ze diep in het zand liggen. |
In de praktijk blijkt bij afweging dat leidingen soms beter kunnen blijven liggen, mits ze worden gereinigd en regelmatig worden gecontroleerd om gevaar voor gebruikers te voorkomen. Wordt het gebruik van de Noordzee intensiever, dan kan de afweging anders uitvallen. Bij nieuwe afspraken moet daarmee rekening worden gehouden. |
Uitgangspunt is dat objecten na afloop van een vergunningstermijn worden verwijderd. Om dit uitgangspunt in de praktijk eenduidig te kunnen regelen is de ‘opruimplicht’ ingesteld. De behoefte aan deze regeling ontstond doordat het drukker is geworden op de Noordzee en de noodzaak toenam om zorgvuldiger met de schaarse ruimte om te gaan. De opruimplicht zorgt ervoor dat meer ruimte beschikbaar komt en blijft.
De opruimplicht gaat over het na gebruik verwijderen van de infrastructuurdie een gebruiker van de Noordzee heeft gebouwd of aangelegd om zijn activiteiten te kunnen uitvoeren. Opruimplicht betreft dus nadrukkelijk niet de verplichting die iedere gebruiker ook heeft om vervuiling te voorkomen en eventuele vervuiling en afval te verwijderen. De beheerder maakt vóór het verlenen van de vergunning afspraken met de initiatiefnemer over de opruimverplichting en legt deze in de vergunning vast. Vaarwegmarkeringen voor de scheepvaart worden aangemerkt als infrastructuur. Voor zandwinning, visserij, schelpenwinning, zandsuppleties, natuurbeheer en het verspreiden van baggerspecie wordt geen speciale infrastructuur aangelegd. De opruimplicht is voor deze functies dan ook niet van toepassing. Mogelijk verandert dat wanneer havens of overslagterminals op zee worden aangelegd. Het verwijderen van lading en gezonken schepen is binnen de territoriale zee geregeld in de Wrakkenwet. Het Verdrag van Nairobi reguleert het opruimen van wrakken op zee (zie § 5.3.2).
Platforms voor olie- en gaswinning
Tegenwoordig geldt dat de operator een platform dat buiten gebruik is gesteld, verwijdert. Allereerst dient de operator hiervoor een verwijderingsplan in. De fundering van het platform moet onder de waterbodem worden afgesneden op een diepte die veilig is voor enig ander gebruik. Voor putten geldt 6 meter onder de zeebodem als regel (artikel 8.5.2.7 Mijnbouwregeling).
De verwijdering van installaties is geregeld in artikel 44 lid 1 van de Mijnbouwwet. De minister van EL&I kan een termijn vaststellen waarbinnen aan de verplichting tot verwijdering moet zijn voldaan. Lid 3 daarvan stelt dat de minister van EL&I deze verplichting kan beperken tot een bepaalde diepte beneden de bodem van het oppervlaktewater. Verwijderen tot dezelfde diepte als de putten ligt dan het meest voor de hand.
Windmolenparken
Voor de huidige vergunningen voor windturbineparken (ronde 2) geldt een vergunningstermijn van 20 jaar operationele periode. Deze termijn is gebaseerd op de levensduur van de turbines. De termijn kan worden verlengd. Om er zeker van te zijn dat de turbines na het verstrijken van de vergunningtermijn kunnen worden verwijderd, is bij het afgeven van een watervergunning het stellen van een bankgarantie voor de opruimkosten verplicht.
Kabels
Kabels die niet meer in gebruik zijn, moeten — op basis van het beleid zoals geformuleerd in het Nationaal Waterplan — in principe worden verwijderd. Dit beleid wordt geëffectueerd door middel van vergunningseisen in het kader van de Waterwet; de Waterwet geldt zowel binnen als buiten de 12-mijlszone. Per geval wordt een afweging gemaakt van de feitelijke effecten op milieu, veiligheid en ruimtebeslag en de kosten die met opruimen zijn gemoeid. Dat gebeurt aan de hand van de ‘checklist opruimplicht kabels en leidingen’, zie bijlage 5 van dit IBN. Kabels voor transport van elektriciteit uit windmolenparken vallen onder dezelfde opruimplicht als voor deze parken. Ook voor nieuwe besturings- en telecomkabels geldt deze opruimplicht.
Leidingen
Ook leidingen moeten — op basis van hetzelfde Nationaal Waterplan en dezelfde vergunningseisen uit de Waterwet — in principe worden verwijderd. Per geval wordt echter een afweging gemaakt van de feitelijke effecten op milieu, veiligheid en ruimtebeslag en de kosten die met opruimen zijn gemoeid. Dat gebeurt aan de hand van de ‘checklist opruimplicht kabels en leidingen’, zie bijlage 5 van dit IBN.
Toets 3 Nut en noodzaak
Van enkele activiteiten is het grote openbare belang expliciet in het rijksbeleid vastgelegd. Het maatschappelijk belang van deze activiteiten hoeft niet opnieuw te worden onderbouwd. Concreet gaat het om scheepvaart, de opsporing en winning van aardolie en aardgas, de opslag van CO2, het bouwen van windturbineparken in daarvoor aangewezen gebieden, de winning van oppervlaktedelfstoffen (zand en schelpen) en militaire oefeningen.
Deze activiteiten zijn expliciet in het Nationaal Waterplan omschreven. Alle andere toetsen uit het afwegingskader worden wel op deze activiteiten toegepast.
Van alle overige activiteiten die significante negatieve ruimtelijke en/of ecologische effecten veroorzaken, moet de initiatiefnemer nut en noodzaak aantonen. Hij moet onderbouwen waarom de activiteit op de Noordzee moet plaatsvinden en waarom dat redelijkerwijs niet op het land mogelijk is. Bij twijfel over nut en noodzaak van een nieuwe activiteit kan het bevoegd gezag de initiatiefnemer vragen een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) uit te voeren. Op basis daarvan maakt het bevoegd gezag een eindafweging. Als nut en noodzaak met succes zijn aangetoond, moeten nog wel de resterende toetsen uit dit afwegingskader worden doorlopen.
Mogelijk ecologisch waardevolle gebieden
Op de structuurvisiekaart van het Nationaal Waterplan zijn deze gebieden indicatief aangegeven. Hierbij geldt dat voor de Doggersbank, Klaverbank en het Friese Front reeds is besloten deze gebieden de status te verlenen van een Natura 2000-gebied. Voor de overige gebieden geldt, vooruitlopend op een mogelijke aanwijzing als Natura 2000-gebied en/of voor ruimtelijke bescherming op grond van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie, een toetsingskader (artikel 6 van de Habitatrichtlijn) dat globaal overeenkomt met dat van een reeds aangewezen Natura 2000-gebied. In of nabij gebieden met bijzondere ecologische waarden zijn geen nieuwe activiteiten met een kans op significante effecten toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van een groot openbaar belang. Als aan die beide voorwaarden is voldaan, kan het bevoegd gezag het openbare belang afwegen tegen het natuurbelang. Staat de vergunningverlener de activiteit toe, dan moet de initiatiefnemer maatregelen nemen om de negatieve effecten te beperken (mitigatie) of te compenseren.
In 2012 beslist het rijk of aanvullende gebieden in aanmerking komen voor specifieke bescherming in het kader van Natura 2000 en/of de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Mogelijk leidt de implementatie van de KRM tot aanpassing van het afwegingskader. Als een mogelijk ecologisch waardevol gebied voor deze specifieke bescherming als Natura 2000-gebied of voor ruimtelijke bescherming in het kader van de KRM niet in aanmerking komt, zal daarmee de beschermde status van dit gebied vervallen.
Toets 4 Mitigeren
Als een activiteit significant negatieve effecten heeft, moet de initiatiefnemer maatregelen nemen om deze te beperken. De initiatiefnemer dient daartoe een plan in waarin gedetailleerd is beschreven:
- —
welke (aspecten van de) activiteiten wanneer en onder welke omstandigheden negatieve effecten veroorzaken
- —
wat die effecten zijn qua aard, omvang, tijd en plaats
- —
welke maatregelen de negatieve effecten zoveel mogelijk zullen voorkómen (werking, uitvoering en uiteindelijk resultaat).
Het bevoegd gezag toetst of het mitigatieplan voldoende is onderbouwd.
Toets 5 Compensatie van effecten
Schade die desondanks niet is te voorkomen, moet zo goed mogelijk worden gecompenseerd. Compenserende maatregelen zijn dan ook een onderdeel van de voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend. Het bevoegd gezag beoordeelt aan de hand van monitoringgegevens of de voorgestelde compenserende maatregelen voldoende zijn. Het is dus van belang dat de monitoring aansluit bij de compensatieopgave.
In een Natura 2000-gebied geldt voor compensatie een resultaatsverplichting. In de overige gebieden volstaat een inspanningsverplichting. Bij het treffen van compenserende maatregelen gelden de volgende uitgangspunten:
- —
alleen voor significante effecten die na beperkende/mitigerende maatregelen nog resteren, is compensatie vereist
- —
compenserende maatregelen moeten worden getroffen voordat de voorgenomen activiteit plaatsvindt
- —
waar mogelijk moet in natura worden gecompenseerd, liefst in of anders direct grenzend aan de Noordzee.
- —
de initiatiefnemer stelt een compensatieplan op. Het bevoegd gezag moet dat goedkeuren.
4.5. Integraal afwegingskader en Natura 2000
Het integraal afwegingskader geldt voor het hele Nederlandse deel van de Noordzee. Voor elke activiteit met mogelijke significante negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied moet evenwel ook het afwegingskader zoals vastgelegd in artikel 19 van de Natuurbeschermingswet, worden doorlopen. Dit afwegingskader wordt gevolgd bij vergunningverlening op grond van wetgeving die al in de EEZ van toepassing is. Zodra de Natuurbeschermingswet van toepassing is in de EEZ, volgt vergunningverlening rechtstreeks op grond van deze wet. Rijkswaterstaat Noordzee weegt op dit moment het afwegingskader van de natuurbeschermingswet mee bij vergunningverlening op grond van de Waterwet. De Waterwet biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid tot integrale afweging bij de vergunningverlening in de EEZ.
Deze paragraaf geeft in het kort weer hoe het afwegingskader van de Natuurbeschermingswet werkt. Zie voor een uitgebreide beschouwing de tekst van de Natuurbeschermingswet.
Het afwegingskader bestaat uit de volgende onderdelen:
Basisbescherming/voorzorgprincipe
Het is verboden zonder vergunning projecten uit te voeren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelen, de kwaliteit van de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Als op grond van objectieve gegevens niet aannemelijk kan worden gemaakt dat er geen kans is op significante negatieve gevolgen van een activiteit voor een Natura 2000-gebied, moet de initiatiefnemer een passende beoordeling maken en uiteraard vergunning aanvragen.
In de EEZ komen activiteiten voor die al gaande waren op het moment waarop de Doggersbank, de Klaverbank en het Friese Front hun beschermde status als mogelijk ecologisch waardevol gebied kregen. Naar verwachting zullen deze gebieden in 2012 de Natura 2000-status krijgen. Uit artikel 19d lid 3 van de Natuurbeschermingswet vloeit voort dat bestaand gebruik niet vergunningplichtig is, tenzij sprake is van een project dat significante gevolgen kan hebben. Voor zover bestaand gebruik geen project is in de zin van de Natuurbeschermingswet geldt er dus geen verplichting tot het maken van een voortoets.
Alternatieve oplossingen
Als een voorgenomen activiteit binnen een Natura 2000-gebied significante negatieve effecten kan hebben, moet eerst worden onderzocht of alternatieve oplossingen mogelijk zijn.
Dwingende redenen van groot openbaar belang
Een plan of project dat de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied aantast, kan toch doorgaan als er geen alternatieve oplossingen zijn én als het gaat om ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’. Daaronder vallen ook redenen van sociale of economische aard. Randvoorwaarde is dan wel dat compenserende maatregelen worden genomen. Wanneer in een gebied een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort voorkomt, kan een vergunning slechts worden verleend om redenen die verband houden met: de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met activiteiten die op het milieu wezenlijk gunstige effecten hebben. Een vierde reden kan zijn een advies van de Europese Commissie.
‘Dwingende redenen van groot openbaar belang’ moeten worden onderbouwd. Pas dan kan het bevoegd gezag een afweging maken tussen het openbare belang en het natuurbelang, en de activiteit eventueel toestaan.
In het geval van ruimtelijke ingrepen voor activiteiten van nationaal belang behoeven bij de aanvraag en verlening van een vergunning de (dwingende) redenen van groot openbaar belang niet te worden onderbouwd.
Compensatie
Als natuurwaarden in een Natura 2000-gebied worden aangetast, heeft de initiatiefnemer de resultaatsverplichting om dit voorafgaand aan de activiteitte compenseren. Doel van de compensatie is de duurzame instandhouding van soorten, habitats en de daaraan verbonden functies die door de activiteit worden aangetast. Compenseren kan bijvoorbeeld door het beschermde gebied uit te breiden, of de kwaliteit ervan te verbeteren.
Om te voorkomen dat beschermde gebieden versnipperd raken, kan nieuw ecologisch waardevol gebied alleen worden aangewezen als dit een bijdrage levert aan het Europese Natura 2000-netwerk als geheel. Financiële compensatie, of compensatie met andere natuurwaarden, is niet toegestaan. Dit compensatieregime is gericht op de specifiek in de Vogel- en Habitatrichtlijn van de EU benoemde waarden van het gebied. Deze bepaling laat onverlet dat een initiatiefnemer buiten de Natura 2000-gebieden een inspanningsverplichting heeft om significante effecten op natuurwaarden te mitigeren en compenseren. Dit op grond van het integraal afwegingskader voor de hele Noordzee (zie paragraaf 4.4, toets 5).
4.6. Experimenteerruimte
Een experiment is een kleinschalige en/of kortdurende activiteit binnen de EEZ ten behoeve van het toetsen of deze activiteit succesvol, dan wel wenselijk is. Het Nationaal Waterplan geeft aan dat er op de Noordzee ruimte moet zijn voor experimenten die ‘versterking van duurzame ontwikkeling op de langere termijn beogen’. Hiervoor kan het rijk een gebied aanwijzen en indien nodig en mogelijk tijdelijk vrijstelling verlenen van de bepalingen uit dit afwegingskader binnen de vigerende wetgeving in de EEZ. Daarbij gelden de volgende cruciale uitgangspunten:
- •
De vergunning biedt de initiatiefnemer voldoende perspectief op een volwaardig experiment. Hiertoe kan de vergunningverlener de delen van het afwegingskader die het experiment belemmeren, buiten werking stellen.
- •
De vergunningverlener waarborgt met beperkingen en/of voorwaarden dat het experiment de veiligheid van ander bestaand gebruik op de Noordzee niet in gevaar brengt. Nadelige effecten op andere vormen van gebruik moeten binnen redelijke grenzen blijven. Het voorzorgbeginsel blijft volledig van kracht.
- •
In het gangbare afwegingskader vervallen de toetsen: ‘nut en noodzaak’, ‘locatiekeuze en ruimtegebruik’ en ‘compensatie’. De belangen die door deze toetsen worden gewaarborgd, zijn daarmee niet buiten beeld. Ze spelen volledig mee bij een beoordeling ex ante van het experiment op basis van de projectbeschrijving.
Beschrijving van het experiment
De initiatiefnemer van een experimentele activiteit dient bij zijn vergunningaanvraag een projectbeschrijving in. Deze goed onderbouwde beschrijving omvat:
- —
het doel van het experiment
- —
de kennisvragen die mogelijk door het experiment worden beantwoord
- —
het verrichte literatuuronderzoek
- —
de beoogde resultaten en de bijdrage daarvan aan duurzame ontwikkeling
- —
de verdere ontwikkelingsperspectieven bij gebleken succes
- —
de inrichting van het experiment: wat gebeurt waar en hoe?
- —
de tijdsperiode en minimaal benodigde tijdsduur
- —
de wijze van resultaatmeting
- —
de eventueel bijkomende activiteiten, verbonden aan staande of drijvende installaties en het verwijderen daarvan
- —
een risicoanalyse van de veiligheid van andere Noordzeegebruikers
- —
de te voorziene effecten op het ecosysteem, op de gezondheid van mensen en op andere gebruiksfuncties
- —
maatregelen om de genoemde effecten te voorkomen of te beperken
- —
de wijze van monitoren van die effecten
- —
het voor het experiment minimaal benodigde ruimtebeslag en de voorkeurlocatie(s)
- —
de inrichting van een eindbeoordeling, inclusief, en voor zover mogelijk gekwantificeerd benoemd, de te behalen resultaten
- —
een organisatie- en dekkingsplan waaruit blijkt dat het experiment inderdaad kan worden uitgevoerd.
De projectbeschrijving bevat impliciet de nodige informatie om de experimentele activiteit te kunnen toetsen op voorzorg. Daarbij speelt mee dat (delen van) toetsen van het afwegingskader zelf ook voorwerp van het experiment kunnen zijn. Om die reden hecht de vergunningverlener grote waarde aan een zorgvuldige monitoring van de effecten van het experiment.
Als bij de uitvoering van de experimentele activiteit sprake is van medegebruik van eenzelfde gebied, gelden voor het compenseren van eventuele schade aan andere gebruikers dezelfde regels als in het gangbare afwegingskader.
Het genereren van nieuwe kennis over duurzame ontwikkelingen op de Noordzee is belangrijk. Om die reden kan de overheid gedeeltelijke ontheffing verlenen van de toetsen uit het afwegingskader. Daaruit vloeit voort dat de overheid deelt in de kennis die in het kader van het experiment wordt verworven. Deze kennis is daarmee openbaar. Dit principe voorkomt scheve rechtsverhoudingen tussen overheid en marktpartijen.