Einde inhoudsopgave
Integraal Beheerplan Noordzee 2015
5 Functies en gebruik
Geldend
Geldend vanaf 18-11-2011
- Bronpublicatie:
11-11-2011, Stcrt. 2011, 20771 (uitgifte: 18-11-2011, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
18-11-2011
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-11-2011, Stcrt. 2011, 20771 (uitgifte: 18-11-2011, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Overige regelgevende instantie(s)
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Ministerie van Defensie
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Bijzondere onderwerpen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Waterrecht (V)
Vervoersrecht / Zeevervoer
Energierecht (V)
De Noordzee is een productieve zee: het leefgebied van veel soorten zeevogels, vissen, zeezoogdieren en ander zeeleven, en een bron voor activiteiten van nationaal belang en alle vormen van menselijk gebruik.
Uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid is dat de functies van de Noordzee zoveel mogelijk worden gecombineerd binnen de draagkracht van het ecosysteem en de geldende veiligheidsnormen. Dit hoofdstuk beschrijft de gebruiksfuncties per paragraaf. Ter illustratie is bij deze beschrijving gebruikgemaakt van kaarten, die niet alleen het betreffende gebruik weergeven, maar ook een indicatie geven van enkele belangrijke interacties met ander gebruik. Deze kaarten zijn zuiver illustratief en streven geen volledigheid na.
5.1. Waterkwaliteit en biodiversiteit
5.1.1. Waterkwaliteit
Een schone, gezonde zee zonder nadelige effecten van een overmaat aan nutriënten (eutrofiëring) en van milieugevaarlijke stoffen. Dat is het doel van het waterkwaliteitsbeleid voor de Noordzee.
Eutrofiëring wordt beoordeeld aan de hand van indicatoren, zoals overmaat aan nutriënten (stikstof, fosfaat en organisch koolstof), overmaat aan plaag- en giftige algen en zuurstofgebrek. Milieugevaarlijke stoffen worden bepaald door overschrijding van normen in water, zwevend stof, sediment of biota.
Een schone, gezonde zee is te bereiken door aanpak bij de bron van nutriënten en milieugevaarlijke stoffen (stopzetten of geleidelijk beëindigen van lozingen/emissies). Voor de Noordzee liggen de belangrijkste bronnen bovenstrooms. De stoffen komen via de grote rivieren en de atmosfeer in de Noordzee terecht. Van met name PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) is ook zeescheepvaart een belangrijke bron.
Lozing van olie en chemicaliën vanaf schepen
Het terugdringen van illegale lozingen van olie en chemicaliën — waarvoor in het Beleidsplan Handhaving Noordzee 2005 acties zijn geformuleerd — is inmiddels onder de vlag gebracht van de Kustwacht (zie hoofdstuk 6).
Probleemstoffen en bronnen
Wat eutrofiëring betreft, zijn de problemen: een overmaat aan stikstof, nalevering van fosfaat uit onderwaterbodems en de toegenomen hoeveelheid organisch koolstof in sedimentatiegebieden. Bronnen zijn met name de landbouw, RWZI's, scheepvaart (via luchtemissies) en overstorten.
Bij milieugevaarlijke stoffen gaat het vooral om PAK's en TBT, en daarnaast nog enkele zware metalen, gebromeerde vlamvertragers en weekmakers. Deze hopen zich op in het mariene milieu. Deze stoffen zijn vooral afkomstig van (industriële) bronnen op het land en zeescheepvaart.
Voorzorgsprincipe en duurzaam gebruik van stoffen
Ten aanzien van stoffen in zee is in de jaren negentig internationaal een voorzorgsprincipe/benadering afgesproken. Dit is ingegeven door de specifieke eigenschappen van het mariene milieu. De zee is een open systeem. Stoffen verspreiden zich via water, sedimenttransport en de atmosfeer en hopen zich op in de voedselketen. Daarmee vormen ze op grote schaal een langdurige bron van verontreiniging. Eenmaal in zee zijn stoffen hierdoor moeilijk te bestrijden. Om deze reden is het principe ‘voorkomen is beter dan genezen’ (voorzorg) afgesproken.
Inmiddels is sprake van een trendbreuk: duurzaam gebruik en hergebruik van grondstoffen winnen terrein op verspilling en het laten ‘wegstromen in zee’.
Internationale kaders
OSPAR
OSPAR is de regionale conventie voor de bescherming van de Noordoost Atlantische Oceaan. Het OSPAR-verdrag heeft werking op het gehele NCP. Sinds begin jaren negentig is binnen OSPAR de internationale samenwerking om een schone en gezonde zee te krijgen, vastgelegd in strategieën voor:
- •
eutrofiëring
- •
milieugevaarlijke stoffen
- •
olie (vooral veroorzaakt door olie- en gaswinning op zee en zeescheepvaart)
- •
zwerfvuil (vooral plastic)
- •
radioactiviteit.
De voortgang in de wettelijke verplichtingen, afspraken en richtlijnen (Decisions, Agreements en Guidances) wordt jaarlijks in de OSPAR-commissies geëvalueerd. Deze evaluatie wordt eens per tien jaar vastgelegd in een Quality Status Report (QSR); de laatste is in 2010 uitgekomen en door de OSPAR-Ministerconferentie vastgesteld. Het gaat hierbij om de ecologische (inclusief chemische) kwaliteitsdoelen voor de Noordzee met bijbehorende indicatoren en beoordelingsniveaus, de effectiviteit van getroffen maatregelen en de gezamenlijke monitoringsprogramma's. Deze programma's betreffen emissies, vrachten, atmosferische depositie, concentraties en effecten in zee.
OSPAR werkt nauw samen met de Bonn Agreement voor het signaleren van olie- en algendrijflagen op zee. Ter signalering en bestrijding van olie- en chemicaliënverontreiniging worden in het kader van de Bonn Agreement regelmatig gezamenlijke luchtsurveillances uitgevoerd. Illegale lozers worden bestraft. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de voorschriften van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).
In 2008 is de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) van kracht geworden. De Nederlandse wettelijke implementatie heeft plaatsgevonden onder de Waterwet. De KRM heeft werking voor het gehele NCP vanaf de hoogwaterlijn. In 2020 moet de Goede Milieutoestand (GMT) zijn bereikt. De Kaderrichtlijn Mariene Strategie die sinds september 2010 in Nederland van kracht is, verlangt in 2012 van elke Noordzeestaat een opgave van de milieukwaliteit in het ‘eigen’ deel van de Noordzee. Drie jaar later moeten de maatregelen waarmee de kuststaat in 2020 de goede milieutoestand in zijn deel van de Noordzee wil bereiken zijn vastgesteld. Deze maatregelen worden opgenomen in het volgende IBN. Het nieuwe IBN wordt in 2015 vastgesteld voor de periode 2015–2020.
Figuur 5. Regimes waterkwaliteit


Het belangrijkste principe van de Europese Kaderrichtlijn Water is de stroomgebiedbenadering. In 2009 heeft Nederland vier stroomgebiedbeheerplannen naar de Europese Commissie gestuurd: voor de Rijn, de Schelde, de Maas en het Eems-Dollardestuarium.
De werkingssfeer van de KRW reikt tot 1 zeemijl uit de kust voor de ecologische aspecten; dat wil zeggen de biologische kant (uitsluitend algen en bodemdieren), nutriënten en niet-prioritaire stoffen. Voor prioritaire stoffen geldt als werkingssfeer 12 zeemijl. Hieruit volgt dat de KRW slechts beperkte doelen heeft voor de zee zelf, zowel voor het schaalniveau als de inhoud. Zijn kracht ligt in bovenstroomse maatregelen. Deze KRW-maatregelen vormen daarom toch een belangrijk instrument om de zee schoner te krijgen.
Signalerende rol
In het streven naar een goede waterkwaliteit, het handhaven daarvan en het nakomen van internationale afspraken, heeft de Noordzeebeheerder vooral een signalerende en beoordelende/evaluerende rol. De (chemische) kwaliteit van het water in het Nederlandse deel van de Noordzee wordt sterk beïnvloed door de kwaliteit van het rivierwater dat in zee uitstroomt en van de waterkwaliteit van aangrenzende zeegebieden. Ook de atmosferische depositie speelt een rol.
Bij het opstellen van de volgende serie stroomgebiedbeheerplannen (in 2015, 2021 en 2027) voor alle grote riviertrajecten (van bron tot en met de kustzee) wordt in de regio's intensief samengewerkt in het Regionaal Bestuurlijk Overleg van de KRW. Hierin zijn de waterbeheerders van Rijkswaterstaat, waterschappen, provincies en gemeenten vertegenwoordigd. Deze samenwerking is van belang bij de uitvoering van de KRW-maatregelen.
Vergunningen, ontheffingen en convenanten
De beheerder treedt handhavend op tegen lozingen in het Nederlandse deel van de Noordzee.
Vergunningen zijn een belangrijk instrument om gebruik te reguleren. De beheerders verlenen vergunningen aan sectoren en/of bedrijven die rechtstreeks in zee lozen. Afspraken die bijvoorbeeld in OSPAR-kader zijn gemaakt, werken veelal door in de vergunningen. Daarnaast geldt een meldingensysteem voor het storten van bagger in zee, wanneer deze bagger tenminste schoon genoeg is. Bagger die niet aan de kwaliteitseisen voldoet, moet naar een stortlocatie op het land worden gebracht.
Behalve met vergunningen wordt gebruik ook gereguleerd met convenanten. Dit zijn afspraken tussen overheid en bedrijfsleven in het kader van het zogenoemde doelgroepenbeleid.
5.1.2. Biodiversiteit
De biodiversiteit van de Noordzee ondervindt negatieve invloeden van vervuiling en van allerlei gebruik. Daarom wordt in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid en in OSPAR-verband de ecosysteembenadering uitgewerkt. Dit gebeurt onder andere met behulp van Ecological Quality Objectives (EcoQOs, ecologische kwaliteitsdoelen). De KRM heeft tot doel negatieve invloeden van gebruik van de zee terug te dringen. De beheerder is betrokken bij het opstellen van de EcoQOs en heeft verder vooral een signalerende rol.
Van grote invloed op de biodiversiteit is de ecologische kwaliteit van de habitat van soorten en leefgemeenschappen. Voor de bescherming van gebieden met bijzondere natuurwaarden heeft het beheer een behoorlijk instrumentarium ter beschikking. Internationaal krijgt de bescherming van gebiedsspecifieke natuurwaarden de laatste jaren in EU- en OSPAR-verband volop aandacht. Zolang de bescherming van gebieden in de EEZ nog niet kan steunen op de Nb-wet en de Ff-wet, is de Waterwet het kader voor de afweging. Dat kan op basis van de directe werking van de Vogel- en Habitatrichtlijnen (VHR). Nationaal vordert de implementatie van de VHR in aangewezen of nog aan te wijzen Natura 2000-gebieden gestaag.
5.2. Natuur
De aanwijzing van een Vogel- en Habitatrichtlijngebied (of Natura 2000-gebied) vindt plaats op grond van de Natuurbeschermingswet. De aanwijzingsbesluiten van een dergelijk gebied bevatten instandhoudingsdoelen, op grond waarvan habitats en soorten in specifieke gebieden worden beschermd. De op basis van de aanwijzingsbesluiten op te stellen beheerplannen bevatten de maatregelen om de instandhoudingsdoelen te halen. Daarnaast geven zij een overzicht van de financieel-economische consequenties van de maatregelen. Beheerplannen moeten in werking treden uiterlijk drie jaar nadat een gebied de status van een Vogel- en/of Habitatrichtlijngebied heeft gekregen. De looptijd van een beheerplan is zes jaar. Een beheerplan voor een Natura 2000-gebied wordt ook als beheerplan voor een Marine Protected Area — dat tevens een Natura 2000-gebied is — in het kader van het OSPAR-verdrag gebruikt.
Op 14 maart 2011 is de Noordzeekustzone aangewezen met een wijzigingsbesluit als een Natura 2000-gebied. Dit gebied omvat een Habitat- en een Vogelrichtlijngebied, waarvan de zeewaartse grens is gelijkgetrokken met de doorgaande NAP -20 meter lijn. De landwaartse grens loopt langs de duinvoet van de kust en van de eilanden, en in de zeegaten over de kortste afstandslijn tussen de eilanden. De zuidelijke grens van het gebied ligt bij Bergen, de noordoostelijke boven Rottumeroog.
Tegelijk met de wijziging van het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone is de Vlakte van de Raan als een Habitatrichtlijngebied aangewezen. Dit gebied bestaat uit een stelsel van banken in het mondingsgebied van de Westerschelde.
Het beheerplan voor de Noordzeekustzone wordt naar verwachting uiterlijk in 2013 vastgesteld; dat voor de Voordelta is in juli 2008 vastgesteld. Het beheerplan voor de Vlakte van de Raan zal ook uiterlijk in 2013 worden vastgesteld. De beheerplannen bevatten, voor zover nodig, ook maatregelen voor niet-vergunningplichtige activiteiten.
Aanwijzing van de Doggersbank, Klaverbank en Friese Front in de EEZ als Natura 2000-gebied volgt nadat de Natuurbeschermingswet in de EEZ in werking is getreden. Als uitgangspunt geldt dat de natuurlijke habitattypen en leefgebieden van soorten in een gunstige staat van instandhouding moeten blijven.
Deze gebieden zijn bij het OSPAR-secretariaat genomineerd als OSPAR Marine Protected Areas.
5.2.1. Begrenzing beschermde gebieden
De EU Vogel- en Habitatrichtlijn geven regels voor de toekenning van een beschermde status van een waardevol natuurgebied. De bescherming van verschillende afzonderlijke gebieden moet ertoe leiden dat een samenhangend netwerk van beschermde zeegebieden ontstaat. Gebieden die in de Nederlandse territoriale zee beschermd zijn op grond van de EU Vogel- en Habitatrichtlijn, worden aangeduid als Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn de Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000) geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet.
Figuur 6. Natuurgebieden met indicatie interacties

Hieronder volgt een karakterisering van de vier in het IBN 2015 opgenomen beschermde en te beschermen gebieden.
Kustzee
Voor de Kustzee zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd, die leidend zijn voor het beheer van de soortenrijke bodemfauna en voor vogels, vissen (rivierprik, zeeprik en fint) en zeezoogdieren (bruinvis en gewone en grijze zeehond). Drie deelgebieden zijn inmiddels aangewezen als Natura 2000-gebied: de Voordelta en de Noordzeekustzone tussen Bergen en Rottumeroog (beide Vogel- en Habitatrichtlijngebied) en de Vlakte van de Raan (Habitatrichtlijngebied).
Voor de Noordzeekustzone geldt een verbeterdoelstelling voor de zeebodemhabitat (habitattype 1110B). De zeewaartse begrenzing van dit Habitatrichtlijngebied is uitgebreid naar de doorgaande NAP -20 meter lijn. Daardoor is deze grens boven Schiermonnikoog iets zuidelijker komen te liggen.
Het gebied tussen Bergen en de Voordelta heeft geen beschermde status.
Het Friese Front
Het Friese Front is uniek vanwege de hoge productie in de waterkolom, de grote biomassa en de soortenrijke bodemfauna. Het gebied wordt aangewezen als een Vogelrichtlijngebied. Sommige vogelsoorten komen er, al dan niet periodiek, in grote aantallen voor. Zo bevindt zich in het najaar meer dan één procent van de Noordwest-Europese populatie van de grote jager in dit gebied. In de zomer verblijven er meer dan twintigduizend zeekoeten.
Klaverbank
Het aan te wijzen Habitatrichtlijngebied Klaverbank heeft een bijzondere bodem van grind en grote stenen (Habitattype 1170), gebiedseigen begroeiing (kalkroodwieren) en een bijzondere bodemfauna. De 60 meter diepe geul (Botney Cut), die de Klaverbank doorsnijdt, valt binnen de begrenzing van het gebied. In de zomer zijn er bruinvissen, dwergvinvissen en witsnuitdolfijnen te vinden.
Doggersbank
Het aan te wijzen Habitatrichtlijngebied Doggersbank onderscheidt zich vooral door de hoge biodiversiteit van de bodemfauna (habitattype 1110C zandbanken). Vooral de hellingen tussen de -30 en -40 meter dieptelijn zijn waardevol. Dit gebied is belangrijk voor het beheer van de bruinvis en de gewone en grijze zeehond. De Doggersbank grenst aan het continentaal plat van Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Beschermingsmaatregelen voor het gebied zullen zo veel mogelijk gezamenlijk worden opgesteld.
Gebieden buiten de territoriale zee
Het parlement zal het wetsvoorstel Herziening Natuurbeschermingswet 1998 en Flora- en faunawet naar verwachting in 2011 behandelen. Deze herziening beoogt de uitbreiding van de werkingssfeer van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet naar de Exclusieve Economische Zone. Zonder deze herziening ontbreekt het wettelijk kader voor het aanwijzen van mariene beschermde Natura 2000-gebieden in het Nederlands deel van de Noordzee buiten de territoriale zee.
5.2.2. Interactie met gebruiksfuncties
Natuur, water en economie horen bij elkaar in de natuurgebieden op zee. Uit figuur 6 en de daarin opgenomen interacties, wordt duidelijk dat natuur interacteert met alle gebruiksfuncties. De ruimtelijke inpassing van bestaand gebruik en de interacties van de verschillende gebruiksfuncties met de natuurwaarden zijn de basis voor de beheerplannen voor deze gebieden.
Voor het Natura 2000-gebied Voordelta is in 2008 een beheerplan vastgesteld. Voor de Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone en Vlakte van de Raan zijn de beheerplannen ten tijde van het verschijnen van deze uitgave van het IBN nog in voorbereiding.
In de beheerplannen wordt het gebruik zo gereguleerd dat de natuurdoelen van deze beschermde gebieden gehaald kunnen worden. Ook hier wordt het principe van meervoudig ruimtegebruik zoveel mogelijk toegepast. Voor iedere gebruiksfunctie wordt per gebied vastgesteld of en onder welke voorwaarden de onder deze functie vallende activiteiten kunnen plaatsvinden.
Figuur 7. Ruimtelijke maatregelen in de Voordelta

Bestaand gebruik dat in internationaal verband is gereguleerd, kan in de beschermde gebieden waarvoor nog geen beheerplan is opgesteld in principe worden voortgezet, al dan niet onder voorwaarden en beperkingen. Dit geldt onder meer voor visserij en scheepvaart en voor gebruik dat niet vergunningplichtig is.
Bestaande vergunningplichtige activiteiten in de territoriale zee moeten worden getoetst volgens het afwegingskader van de Natuurbeschermingswet (zie hoofdstuk 4 Afwegingskader). Bestaand gebruik dat de toets doorstaat, wordt in het beheerplan opgenomen en is verder vrijgesteld van vergunningplicht.
Wanneer de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet van kracht zijn in de EEZ, moet een vergunning voor activiteiten met mogelijk significante gevolgen worden aangevraagd bij het ministerie van EL&I. Rijkswaterstaat Noordzee neemt het afwegingskader van de Natuurbschermingswet op dit moment ook mee bij de Waterwetvergunningverlening en haar wettelijke adviestaak voor de mijnbouwwet. Mogelijk gaat Rijkswaterstaat Noordzee voor het ministerie van EL&I ook de vergunningverlening binnen de EEZ van de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet uitvoeren.
5.3. Scheepvaart
De Noordzee is één van de drukst bevaren zeeën ter wereld. Een groot deel van het scheepvaartverkeer is routegebonden. Routeringsmaatregelen leiden dit verkeer in goede banen. De belangrijkste routes liggen net buiten de 12-mijlszone, en verder op zee, ter hoogte van het Friese Front. Naar de belangrijke havens zijn speciale aanlooproutes vastgelegd, waar ankergebieden naast liggen. Het totale routestelsel beslaat ongeveer 3.600 km2. Dat is 6 procent van het totale oppervlak van het Nederlandse deel van de Noordzee. Naast dit routestelsel zijn clearways gedefinieerd. Dit zijn obstakelvrije zones, die zijn bedoeld om de internationaal vastgestelde routes op elkaar te laten aansluiten.
Figuur 8. Scheepvaartroutes met indicatie interacties

Hoofddoelstellingen van het beleid
De hoofddoelstellingen van het scheepvaartbeleid zijn:
- •
vlotte en veilige afwikkeling van het scheepvaartverkeer langs de Nederlandse kust en van en naar Nederlandse havens
- •
zorgvuldige afstemming van de belangen van het scheepvaartverkeer op de andere gebruiksfuncties van de Noordzee.
Aan deze beleidsdoelen zijn als belangrijkste operationele doelen ontleend:
- •
het permanent verbeteren van de veiligheid op de Noordzee, waarbij het streven is jaarlijks een vermindering van het totaal aantal zeer ernstige en ernstige scheepvaartongevallen op de Noordzee te bereiken
- •
het onderhouden van een vaarwegprofiel, dat bijna permanent (98 procent van de tijd) voldoet aan de eisen.
De operationele doelen van het Noordzeebeheer omvatten het technisch beheer van vaarwegen en geulen, en het nautisch beheer. Onder dat laatste vallen alle taken die verband houden met de ordening van en de dienstverlening aan de scheepvaart.
5.3.1. Interactie met ander gebruik
Bij de planvorming voor scheepvaartroutes en ankergebieden wordt behalve met de scheepvaartveiligheid ook rekening gehouden met de natuur(gebieden) en de andere gebruiksfuncties, zoals visserij, olie- en gaswinning, recreatievaart en oppervlaktedelfstofwinning.
In principe zijn visserij, oppervlaktedelfstofwinning en recreatievaart ook binnen scheepvaartroutes toegestaan, hoewel vissers en recreanten de scheepvaartroutes liever mijden. Omdat deze functies op vrijwel de gehele Noordzee mogelijk zijn, zijn ze voor de scheepvaart op dit moment niet beperkend.
De interactie tussen scheepvaart en kabels en leidingen speelt alleen ten aanzien van het ankeren door de scheepvaart. Hoewel kabels en leidingen in principe zo worden aangebracht dat zij geen obstakel vormen voor ander gebruik, moet het ankeren op kabels en leidingen zoveel mogelijk worden voorkomen. Nieuwe kabels worden dan ook zo snel mogelijk opgenomen in scheepvaartkaarten.
Bij de planvorming en de aanwijzing van windenergiegebieden vindt altijd intensieve afstemming plaats met de scheepvaartsector. Windturbineparken nemen vaak veel ruimte in beslag en staan voor tientallen jaren op zee. Hetzelfde geldt voor olie- en gasplatforms die boven het wateroppervlak staan en jaren in gebruik zullen zijn. Bij de planvorming en de vergunningverlening voor windenergie en de olie- en gasactiviteiten wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de verwachte ontwikkelingen in de scheepvaartsector.
5.3.2. Aspect gezonde zee
Het beleidskader dat richting geeft aan een scheepvaartpraktijk die spoort met de doelstelling ‘gezonde zee’, steunt op verdragen van de Internationale Maritieme Organisatie en op regelgeving van de EU.
Het toezicht op operationele lozingen van schepen wordt uitgevoerd in het kader van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs). Hiermee worden de handhavingsaspecten vanuit het MARPOL-verdrag (MARPOL staat voor Marine Pollution) uitgevoerd. De Inspectie Verkeer en Waterstaat, Divisie Scheepvaart is verantwoordelijk voor de handhaving van de (lozings)voorschriften. De handhaving vindt plaats in de havens. De Kustwacht voert luchtsurveillances uit voor de controle op lozingen van olie of chemicaliën en afval vanaf schepen en offshore-installaties. De beheerder heeft de taak erop toe te zien dat de lozer zelf de verontreinigingen opruimt en, voor zover mogelijk, aansprakelijk wordt gesteld voor de gemaakte kosten. Als sprake is van een strafbaar feit kan het Openbaar Ministerie overgaan tot vervolging. Daarnaast kunnen IVW en de beheerder — wanneer deze bevoegd gezag is — ook bestuursrechtelijk optreden, dat wil zeggen last onder dwangsom opleggen of bestuursdwang toepassen. In de Waterwet is wat betreft lozingen een terugtredingsbepaling opgenomen ten opzichte van de Wvvs. Het (gericht) storten van afval op zee is wel geregeld, grotendeels via een verbod, in het kader van de Waterwet. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan verplichtingen uit de London Dumping Convention en het OSPAR-verdrag.
Waterkwaliteit
Door de inzet van Nederland is in de IMO de mondiale regelgeving voor het transport van schadelijke bulkvloeistoffen, anders dan minerale olie, per 1 januari 2007 aangescherpt. Dit heeft geleid tot de herziening van Annex II van het MARPOL 73/78 Verdrag. In deze herziene regelgeving zijn de kwalitatieve en kwantitatieve lozingsnormen voor alle schadelijke bulkvloeistoffen aangescherpt, waardoor ze voldoen aan de aangepaste stand van techniek en wetenschap. De lozingsvoorwaarden voor vuilnis en vaste bulkstoffen (MARPOL Annex V) worden flink aangescherpt. De herziene Annex V werd tijdens de 62e vergadering van de Marine Environment Protection Committee (MEPC62) van de IMO aangenomen. Dit houdt in dat er een totaalverbod op het lozen van afvalstoffen komt, met enkele uitzonderingen zoals voor voedselrestanten in verband met hygiëne aan boord. Deze herziening treedt per 1 januari 2013 mondiaal in werking. Daarnaast zijn sommige technische bijlagen van het verdrag aangescherpt, onder meer door minder lozingen toe te staan. In 2008 is een verbod op verfsystemen met biociden van kracht geworden (AFS-verdrag). Bovendien zijn in het Ballastwaterverdrag voorschriften ontwikkeld voor de behandeling van ballastwater. Deze voorschriften zullen naar alle waarschijnlijkheid tijdens de planperiode in werking treden.
Luchtkwaliteit
Annex VI van het MARPOL stelt normen aan emissies naar de lucht door zeescheepvaart. Deze Annex reguleert de uitstoot van SO2, NOx, VOS, (H)CFK's en halonen, en reguleert ook de brandstofkwaliteit (waaronder het zwavelgehalte en de monitoring daarvan). De nationale implementatie heeft plaatsgevonden door een nieuw besluit onder de Wet voorkoming verontreiniging door schepen. MARPOL Annex VI en de aanpassing van de zogenaamde Zwavelrichtlijn heeft tot strengere normen geleid voor de luchtemissies van de scheepvaart.
Havenontvangstvoorzieningen
De verplichte afgifte van scheepsafval in de havens is geregeld in de Wvvs (implementatie van Richtlijn havenontvangstvoorzieningen). Schepen dienen bij een havenaanloop een afvalbijdrage te betalen, ongeacht of ze werkelijk afval afgeven. Ze kunnen vervolgens tot een bepaalde afgiftegrens ‘gratis’ scheepsafval afgeven. Boven deze grens moet worden bijbetaald. De havens optimaliseren nu hun afvalsysteem. Daarnaast wordt in 2012 een voorstel verwacht voor de herziening van de richtlijn. Nederland zet tijdens de herziening onder andere in op een aanscherping van de afgifte voor schepen die vertrekken naar een haven buiten de EU.
5.3.3. Aspect veilige zee
Het Nederlandse beleidskader voor de veiligheid van het scheepvaartverkeer op de Noordzee is verankerd in beleidsbrieven zeevaart en zeehavens. De geldende wettelijke regelingen voor scheepvaartveiligheid zijn onder meer vastgelegd in:
- •
de Scheepvaartverkeerswet voor de vlotte en veilige afhandeling van het scheepvaartverkeer
- •
de Schepenwet die gericht is op de veilige constructie van Nederlandse schepen
- •
de Wet Havenstaatcontrole, die regels stelt voor het toezicht op de naleving van internationale voorschriften op het gebied van veiligheid, milieu en leef- en werkomstandigheden aan boord van schepen onder buitenlandse vlag
- •
Zie voor een volledig overzicht www.noordzeeloket.nl.
European Maritime Safety Agency (EMSA)
EMSA ondersteunt de Europese Commissie en de EU-lidstaten met haar expertise en systemen bij het implementeren van maritieme veiligheids- en milieuregelgeving. Die ondersteuning richt zich bijvoorbeeld op het communautaire monitoring- en informatiesysteem SafeSeaNet, preventie en aanpak van olievervuiling door schepen, de satellietbewaking, de identificatie en het volgen van schepen op lange afstand (LRIT) en het ongevallenonderzoek. EMSA voert namens de Commissie en/of lidstaten ook een aantal taken uit. Zo bezoekt de EMSA de lidstaten om te zien op welke wijze deze zich kwijten van de implementatie van maritieme EU-regelgeving en zij verzorgt trainingen voor lidstaten op dit terrein.
Vaarwegmarkering
De vaarwegmarkering op de Noordzee door middel van boeien en bakens is als gevolg van de ontwikkeling van nieuwe technieken en systemen gemoderniseerd. Door de toepassing van het GPS-systeem is voor vaarroutes minder fysieke bebakening nodig. Het gebruik van zogenoemde RACON-bakens is toegenomen. Obstakels, waaronder windmolens en mijnbouwplatformen, worden verlicht. Nederland werkt conform de door de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA) vastgestelde normen. Boeien en fysieke bakens zijn voornamelijk nog in gebruik om grenzen van vaargeulen en routes te markeren, en om bijvoorbeeld risicovolle plaatsen zoals wrakken en ondiepten aan te geven. Het stelsel wordt periodiek beoordeeld. De functionaliteit van de vaarwegmarkering staat daarbij voorop.
Informatievoorziening voor de scheepvaart
Als kuststaat is Nederland verplicht (nautische) informatie te verstrekken ter ondersteuning van de navigatie aan boord van schepen. Deze informatie is deels relatief statisch (zeekaarten en nautische publicaties die alleen periodiek worden bijgewerkt) en deels dynamisch (weerberichten, waterstanden en gevaarlijke verkeerssituaties). De Dienst der Hydrografie verzorgt vooral statische informatie. Bij de verstrekking van dynamische, actuele informatie speelt het Kustwachtcentrum een centrale rol.
Loodsen
In de aanloopgebieden van en naar de Nederlandse zeehavens tot in de zeehavenbekkens zelf, zijn de verplichte diensten van registerloodsen voor een groot deel van de scheepvaart noodzakelijk voor de veilige en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer. De rijkshavenmeesters zijn bevoegd schepen die aan bepaalde eisen voldoen, te ontheffen van de loodsplicht, al dan niet nadat de kapitein een examen heeft afgelegd. Vanwege het verplichte karakter is deze loodsdienst strak gereguleerd. De overheid ziet er met behulp van de rijkshavenmeesters op toe dat de Nederlandse Loodsencorporatie de dienstverlening kwalitatief en kwantitatief voldoende verzorgt.
Op de Noordzee zelf kan de scheepvaart ook worden geloodst door zogenoemde Certificaatloodsen (Noordzeeloodsen). Een particuliere onderneming voert deze vrijwillige loodsdienst uit. De overheid houdt marginaal toezicht op deze dienstverlening.
Verkeersbegeleiding
Bijna al het scheepvaartverkeer naar en van de grotere Nederlandse zeehavens maakt vanaf de aanloopgebieden tot in de havens zelf gebruik van verkeersbegeleiding (Vessel Traffic Services; VTS). Deze systemen bestaan uit bemande verkeersposten die het scheepvaartverkeer continu begeleiden door actuele verkeersinformatie te verstrekken. Daarnaast spelen de systemen een grote rol bij het organiseren (plannen) en ordenen van het scheepvaartverkeer. Er is geen structurele verkeersbegeleiding van de scheepvaart op doorgaande routes. Als bijvoorbeeld mijnbouwactiviteiten of de afwikkeling van incidenten daartoe aanleiding geven, wordt de scheepvaart op de Noordzee wel incidenteel begeleid.
Meld- en volgsysteem
Het beheer van de veiligheid op de Noordzee is gediend met informatie, in het bijzonder over het vervoer van gevaarlijke of milieuverontreinigende goederen voor de Nederlandse kust. Het Europese meld- en volgsysteem SafeSeaNet levert deze informatie. Het systeem maakt onder meer gebruik van de in Europese wateren verplichte meldingen van schepen die gevaarlijke en verontreinigende stoffen vervoeren. De Europese kustwachtcentra en zeehavens kunnen bij calamiteiten onderling snel ladinggegevens uitwisselen, waardoor relevante data onmiddellijk beschikbaar zijn.
Het meld- en volgsysteem maakt sinds enkele jaren ook gebruik van het automatisch identificatiesysteem (AIS) dat de meeste zeeschepen verplicht aan boord hebben. De Kustwacht kan daardoor van elk schip over de gegevens beschikken omtrent identiteit, positie, IMO-klasse van de lading en bestemming met de verwachte aankomsttijd.
Vanaf 1 juni 2015 zijn visserschepen langer dan 15 meter verplicht voorzien van een AIS.
Water(bodem)beheer
Het water(bodem) beheer van het Nederlands deel van de Noordzee berust bij Rijkswaterstaat Noordzee.
Om de toegangsgeulen van en naar de Rotterdamse en Amsterdamse havengebieden op diepte te houden, zijn onderhoudsbaggerwerkzaamheden nodig. Rijkswaterstaat beheert de grote onderhoudscontracten voor het op diepte houden van de Euro-Maasgeul, de IJ-geul en de buitenhaven van IJmuiden. Rijkswaterstaat houdt zich ook bezig met het beoordelen van ontgrondingenplannen, het gebiedsspecifieke beleid voor verspreidingsvakken voor baggerspecie en het surveyen en opruimen van ankergebieden.
Vrijkomend zand uit de geulen wordt, als het afkomstig is uit het kustfundament, teruggestort in het kustfundament en/of gesuppleerd in de nabijheid; vrijkomend zand uit de geulen buiten het kustfundament wordt gebruikt als ophoogzand. Het baggeren van de geulen is een onderhoudsmaatregel waarop het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) van toepassing is. Vrijkomende bagger wordt — als deze aan de verspreidingseisen voldoet — teruggestort in zee, in de loswallen. Om de vaargeuldiepte te monitoren en zo het noodzakelijke onderhoud te kunnen bepalen, worden regelmatig lodingen uitgevoerd.
Tijpoortadvisering
Het Hydro Meteo Centrum Noordzee (HMCN) van Rijkswaterstaat geeft adviezen voor de vaart van de diepstliggende (tijgebonden) schepen door de Euro-Maasgeul en de IJgeul. Met behulp van een rekenmodel zet het HMCN de actuele gegevens over te verwachten waterhoogte, deining én lodingen om in een zogenaamde ‘tijpoort’. Dat zijn de begin- en eindtijd van de periode waarbinnen tijgebonden schepen met voldoende water onder de kiel veilig door de geul kunnen varen. Het tijpoortadvies is een bindend advies. HMCN geeft het zes uur vóór de verwachte aankomst van een schip door aan de kapitein, met een afschrift aan de Loodsdienst en de nautisch vaarwegbeheerder. De laatste hanteert het advies als een voorwaarde bij het opstellen van het plan van binnenkomst en het vaarplan.
Capaciteitsvergroting Euro-Maasgeul
Rijkswaterstaat heeft de mogelijkheid verkend om de capaciteit van de Euro-Maasgeul te vergroten. Het zou de vlotte en veilige vaart bevorderen wanneer grotere containerschepen van de geul gebruikmaken. Dit doel kan volgens de verkenning worden bereikt door aan de noordzijde van de geul de bodem te verdiepen, maar niet zo diep als de geul, zodat een berm ontstaat. Ook wanneer een containerschip van het grootste type de Euro-Maasgeul gebruikt, is dan tweerichtingsverkeer mogelijk.
Na een besluit tot vergroting van de geulcapaciteit en een planstudie in 2011, kan de berm in 2012–2013 worden aangelegd.
Minder baggeren
Rijkswaterstaat streeft naar het efficiënter controleren en onderhouden van de gehele diepwaterroute van het Kanaal naar Rotterdam. De bodemligging is hier in het belang van de scheepvaart gegarandeerd. Door de vorm van het aanloopgebied Noord-Hinder aan te passen kunnen de lodingsinspanning en de hoeveelheid baggeractiviteiten worden verminderd.
Aanpassing Eemsgeul
De Eemshaven wordt in gereedheid gebracht voor het aanlanden van grotere schepen. Daarvoor moet onder meer de Eemsgeul dieper en breder worden. Rijkswaterstaat Noord-Nederland werkt aan de voorbereiding van deze operatie. Het Tracebesluit is door de Raad van State in augustus 2011 vernietigd. Er zal een nieuw tracebesluit komen. De werkzaamheden zullen niet voor 2013 gestart kunnen worden.
Omwille van de veiligheid van de scheepvaart is het mogelijk gewenst dat een ankergebied beschikbaar komt voor schepen die op weg zijn naar de Eemshaven. Onderzoek en overleg met de scheepvaartsector heeft uitgewezen dat een locatie op het Duitse continentale plat het meest voor de hand ligt. Rijkswaterstaat voert hierover overleg met zijn Duitse counterpart. Voor Nederland brengt deze ankerplaats geen beheertaken met zich mee.
Scheepsongevallen en wrakopruiming
Voor calamiteiten met schepen is de Wet bestrijding ongevallen Noordzee van toepassing. Op basis van deze wet wordt de organisatie en coördinatie van de bestrijding van schadelijke gevolgen van ongevallen, waaronder milieuschade, geregeld in het Incidentenbestrijdingsplan Noordzee.
Het opruimen van wrakken binnen de Nederlandse territoriale wateren is geregeld in de Wrakkenwet zolang het Verdrag van Nairobi nog niet in werking is getreden. Het Verdrag van Nairobi reguleert het opruimen van wrakken (gezonken of gestrande zeeschepen en daarvan afkomstige zaken). Volgens dit verdrag heeft de kuststaat het recht om in zijn exclusieve economische zone wrakken op te (laten) ruimen en de kosten te verhalen op de (hiervoor verplicht verzekerde) scheepseigenaar, waarbij het verhaal rechtstreeks kan geschieden jegens de verzekeraar.
De wettelijke goedkeuring en implementatie van dit verdrag zijn in voorbereiding, waarbij voorgesteld zal worden dat het verdrag van Nairobi mede van toepassing zal zijn op (de vaarwegen op) Nederlands grondgebied, met inbegrip van de territoriale wateren. Het Verdrag van Nairobi treedt in werking nadat tien staten het hebben goedgekeurd.
Nautisch beheer
Nautisch beheerders zijn:
|
Het nautisch beheer omvat de dagelijkse zorg voor een vlotte en veilige afwikkeling van het scheepvaartverkeer. Dit is met name geregeld in de Scheepvaartverkeerswet, die de basis vormt voor diverse gedelegeerde regelingen. De belangrijkste daarvan is het Scheepvaartreglement Territoriale Zee.
Routering en clearways
Internationaal vastgestelde verkeersscheidingsstelsels voor de scheepvaart zijn van vitaal belang voor de ordening van het scheepvaartverkeer op de Noordzee en voor de afstemming van de scheepvaart op andere gebruiksfuncties.
Inmiddels is het geheel van verkeersscheidingsstelsels op de Noordzee en de aanlooproutes naar de Nederlandse zeehavens onderling verbonden in een systeem van clearways. Het is niet toegestaan in een clearway kunstmatige eilanden, installaties, constructies en dergelijke te bouwen, te plaatsen of op te richten.
De aanwijzing van een windgebied voor de Hollandse kust — als aanvulling op de windgebieden in het Nationaal Waterplan — kan gevolgen hebben voor de situering van scheepvaartroutes. Aanpassing van de scheepvaartroutes vindt plaats in samenspraak met relevante stakeholders. Voor de aanpassing van een verkeersscheidingsstelsel zal een goedkeuringsprocedure bij de IMO moeten worden doorlopen. Aanpassing van een clearway gebeurt op grond van de Mijnbouwwet. De procedure voor de aanpassing van ankergebieden, clearways en verkeersscheidingsstelsels (VSS) is vastgelegd in bijlage 6.
5.3.4. Aspect rendabele zee
De economische betekenis van de scheepvaart is vooral gekoppeld aan de sleutelfuncties van de Nederlandse zeehavens: knooppunten voor internationale goederenstromen en een vestigingsplaats voor industrie en dienstverlening. Het beleid hiervoor is vastgelegd in de beleidsbrief Zeehavens. Voor het IBN is vooral de capaciteitsdoelstelling van belang: het in stand houden en verbeteren van de bereikbaarheid van de zeehavens en het realiseren van fysieke ruimte voor groei.
5.3.5. LNG-aanlanding
LNG |
LNG is geen duurzame brandstof (want fossiel), maar wel schoon. LNG vult de inzet van Nederlands aardgas aan. De meest kenmerkende eigenschap van LNG is dat het als vloeistof met een temperatuur van -162 graden Celsius slechts éénzeshonderdste van het volume inneemt van het oorspronkelijke gas. Dat maakt transport van LNG over zee in speciaal daarvoor gebouwde schepen een aantrekkelijke optie. |
Aanlanding van liquefied natural gas (LNG) is een schakel in de Nederlandse energievoorziening die aan belang wint. Sinds 2011 is op de Maasvlakte de Gate terminal, aanlandingslocatie voor LNG, operationeel. De komst van deze terminal vraagt geen actie van de beheerder van de Noordzee. Provincies en gemeenten gaan over de ruimtelijke, inrichtings- en veiligheidsaspecten van LNG-terminals. De rijkshavenmeester van Rotterdam gaat over de begeleiding en afhandeling in de toegangsgeulen en havens. Het ministerie van IenM heeft alleen een verantwoordelijkheid waar het gaat om reglementering en toezicht op de vaart met LNG-tankers.
5.4. Olie- en gaswinning
Op het Nederlands deel van de Noordzee zijn ongeveer honderdzestig productielocaties in bedrijf. Tien daarvan leveren olie, sommige olie en gas, maar het overgrote overige deel uitsluitend gas. Enkele platforms liggen in de kustzee, de overige in het centrale deel van het NCP, met een sterke concentratie in de zuidwestelijke hoek van het Friese Front. Rond platforms is een veiligheidszone van 500 meter van kracht, waarbinnen geen scheepvaart of ander gebruik is toegestaan. Gas en olie komen per schip of via buisleidingen aan wal.
Figuur 9. Gebieden olie- en gaswinning met indicatie interacties

5.4.1. Interactie met ander gebruik
Rondom mijnbouwplatforms is een veiligheidszone van kracht van 500 meter waarbinnen geen ander gebruik is toegestaan. Ook het slepen van visnetten over de bodem en in de waterkolom binnen deze veiligheidszone is niet toegestaan. Dit levert een lokale beperking op voor de visserij, de scheepvaart en de recreatie(vaart). Bij de locatiekeuze voor een mijnbouwplatform moet rekening worden gehouden met de scheepvaart en ander gebruik. In clearways voor de scheepvaart zijn mijnbouwactiviteiten in principe niet toegestaan.
Mijnbouwprospects in windenergiegebied
Prospects |
Prospects zijn mogelijk winbare olie- en gasvelden |
De transitie naar gebruik van niet-fossiele, meer duurzame energiebronnen, is in het kabinetsbeleid onder meer gekoppeld aan de inzet van windturbineparken op zee. Bij de planvorming en de aanwijzing van windenergiegebieden blijkt met name bij het windenergiegebied IJmuiden een duidelijke interactie met olie- en gaswinactiviteiten. De aanwezigheid van een windturbinepark kan eventuele winningsactiviteiten in het gebied bemoeilijken, maar maakt de winning niet onmogelijk.
In de windenergiegebieden die in het NWP zijn aangewezen (thans Borssele en IJmuiden) wordt gestreefd naar (vroegtijdige) afstemming tussen het (toekomstig) gebruik van het gebied ten behoeve van windenergie en olie- en gaswinning. Dit gebruik gaat voor ander gebruik. Afstemming tussen windenergie en olie- en gaswinning is maatwerk. In reeds verleende vergunningen voor windturbineparken is een afstemmingsbepaling voor medegebruik ten behoeve van olie- en gaswinning opgenomen. Op grond van artikel 55 van het Mijnbouwbesluit kunnen aan een mijnbouwinstallatie (platform) en de plaatsing daarvan voorwaarden worden gesteld ten behoeve van de afstemming met windenergie.
5.4.2. Aspect gezonde zee
Voor het winnen van olie en gas geldt een m.e.r.-plicht. In het milieueffectrapport (MER) wordt het meest milieuvriendelijke alternatief bepaald. De m.e.r.-plicht is gekoppeld aan vergunningverlening onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (binnen de 12 mijlszone), de Wet milieubeheer en/of de Mijnbouwwet; hierbij worden ook alle aspecten van de Waterwet meegenomen. Als uit het MER blijkt dat er significante effecten zijn, moet voor elk winningsplatform het integrale afwegingskader worden doorlopen. Exploratieboringen zijn per 1 april 2011 (wijziging Besluit MER) m.e.r.-beoordelingsplichtig. Als er significante effecten worden verwacht, kan de activiteit in principe doorgaan na een afweging van het openbare belang en het natuurbelang, en met inachtneming van mitigatie (schadebeperkende maatregelen) en compensatie. In Natura 2000-gebieden en gebieden met bijzondere ecologische waarden moet worden onderzocht of er reële alternatieven zijn. In de VHR-gebieden binnen de 12-mijlszone zijn vanaf de kust zichtbare permanente werken niet toegestaan, tenzij er geen reële alternatieven zijn en de dwingende redenen van groot openbaar belang aannemelijk zijn gemaakt. Olie- en gaswinning vallen onder deze bepaling. In de rest van de kustzee wordt voor zichtbare permanente werken alleen vergunning verleend als er geen reële alternatieven zijn en er redenen van groot openbaar belang zijn. Alternatieven zijn doorgaans zeer kostbaar. De winning is immers gebonden aan de aanwezigheid van olie en gas in de ondergrond.
5.4.3. Aspect rendabele zee
Opsporing en winning van aardolie en aardgas op de Noordzee zijn van groot belang voor de Nederlandse economie. Ze dienen de stabiliteit van de energievoorziening en zijn deels nodig om de transitie naar een duurzame energiehuishouding mogelijk te maken. In het Nationaal Waterplan hebben olie- en gaswinning de status van ‘groot nationaal belang’. Het kabinetsbeleid is erop gericht zo veel mogelijk olie en aardgas uit de kleine velden te winnen, om zo het volle potentieel van de voorraden te benutten.
Vergunningverlening
De Waterwet hoekt de Mijnbouwwet uit. Met andere woorden: als er een mijnbouwvergunning wordt afgegeven, is een watervergunning niet meer nodig. |
Het wettelijk kader van de vergunningverlening voor olie- en gaswinning is de Mijnbouwwet (inclusief Mijnbouwbesluit en Mijnbouwregeling). Ook de benodigde leidingen vallen onder de Mijnbouwwet. De ministeries van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Infrastructuur en Milieu stemmen bij vergunningverlening de verschillende wettelijke kaders op elkaar af.
Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) speelt een belangrijke rol in de advisering ten behoeve van de vergunningverlening onder de Mijnbouwwet. SodM is verantwoordelijk voor de inspectie en de handhaving van de vergunningsvoorwaarden. Deze hebben behalve op veiligheids-, gezondheids- en doelmatige winningsaspecten betrekking op milieu en arbeidsvoorwaarden, en — na beëindiging van de activiteit — op de verwijdering van de platforms en eventueel de leidingen.
CO2-opslag
Het afvangen en opslaan van CO2 is een belangrijke pijler onder het Nederlands klimaatbeleid. Het Nationaal Waterplan geeft locaties aan voor de uitvoering van twee pilots met de opslag van CO2 in uitgeproduceerde gasvelden. Daarnaast is in het NWP de gehele Exclusieve Economische Zone aangewezen als zoekgebied voor CO2-opslaglocaties.
CO2-opslag in relatie tot het afwegingskader
Voor het opslaan van CO2 vanaf een uit productie genomen mijnbouwplatform in een uitgenut olie- of gasveld, is het NWP-afwegingskader niet van toepassing. Het platform is immers al vergund voor het verrichten van mijnbouwactiviteiten, en daaronder vallen zowel olie- en gaswinning als CO2-opslag. Nadat de mijnbouwactiviteiten zijn afgerond, geldt — op basis van de Mijnbouwwet — een opruimplicht voor het mijnbouwplatform.
Zou een initiatiefnemer CO2 willen opslaan door middel van een nog te plaatsen mijnbouwplatform (bijv. boven een aquifer), dan is het NWP-afwegingskader wel van toepassing.
5.5. Visserij
De Nederlandse Noordzeevisserijvloot van zo'n 500–600 schepen is onder te verdelen in kustvisserij (garnalen- en eurokotters), zeevisserij (boomkor, demersale trawls als twinrig en flyshoot en overige tuigen), grote zeevisserij (pelagische vriestrawlers), schelpdiervisserij en staandwantvisserij. Economisch belangrijke doelsoorten zijn: tong, schol, koolvis, schelvis, tarbot en griet, haring en garnalen. Het visserijbeleid wordt met name op Europees niveau bepaald en is vastgelegd in de Verordening 9361/02 van de Raad inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visserijhulpbronnen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB).
Zonering
De visserij-intensiteit op de Noordzee verschilt per gebied en per seizoen, maar de Nederlandse visserijvloot is vooral actief in het zuidelijke en oostelijke deel van de Noordzee. Buiten de 12-mijlszone is de zee vrij toegankelijk; binnen de 12-mijlszone en in de zogenaamde ‘Scholbox’ ten noorden van de Waddeneilanden en in de Duitse Bocht is vissen alleen toegestaan voor schepen met een motorvermogen van minder dan 300 pk. Schelpdiervissers zijn vooral actief in de ondiepe kustwateren. Het GVB legt de toegang voor buitenlandse vissers tot de Nederlandse territoriale zee voor bepaalde visbestanden als volgt vast:
- •
de zone tussen 3 en 12 mijl is open voor vissersschepen uit België, Denemarken en Duitsland
- •
de zone tussen 6 en 12 mijl is open voor vissersschepen uit Frankrijk
- •
het gebied van de zuidpunt van Texel tot de grens met Duitsland is open voor vissersschepen uit het Verenigd Koninkrijk.
In de gebouwde en vergunde windparken is varen en dus ook vissen verboden. In het NWP is echter de intentie opgenomen om te onderzoeken of het mogelijk is om recreatie en duurzame visserij (niet-bodemberoerend) in windparken toe te laten. Paragraaf 5.8.1 gaat hier nader op in.
Figuur 10. Zonering visserij met indicatie interacties

Het nationaal visserijbeleid is vastgelegd in vier nota's:
- —
Ruimte voor een zilte oogst: naar een omslag in de Nederlandse schelpdiercultuur, Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005–2020
- —
Beleidslijn Verplaatsing Schelpdieren (1997)
- —
de kabinetsvoornemens met betrekking tot vernieuwing en verduurzaming van de Nederlandse visserij (2007). Deze voornemens zijn gebaseerd op het Nederlandse Operationele Programma van het Europese Visserijfonds
- —
Nota Vast en zeker!: Beleidsbesluit vaste vistuigen (2002).
De zeevisserij op de Noordzee wordt geregeld via het Gemeenschappelijk Visserijbeleid van de EU (2002) en in overleg met niet-EU-landen (Noorwegen en de Faeröer). De basisverordening uit 2002 wordt in 2012 herzien en in 2013 wordt het nieuwe GVB van kracht. De Nederlandse visie op het Europees Visserijbeleid is vastgelegd in de nota Vis als duurzaam kapitaal (2009).
Ook is een aantal beleidslijnen nog in ontwikkeling, waaronder de beleidslijn voor het verplaatsen van schelpdieren en een richtlijn voor innovatieve schelpdierprojecten.
Voor het reguleren en verduurzamen van de zeevisserij worden verschillende beperkende instrumenten ingezet. Deze kunnen betrekking hebben op vangstmogelijkheden (TACs en quota), zeedagen, motorvermogen, technische maatregelen zoals maaswijdte, en toegang tot gebieden. Daarnaast stimuleert het Europese visserijfonds de ontwikkeling van innovatieve methoden en technieken. De nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (nVWA) is belast met het toezicht op en de handhaving van de visserijregelgeving. Bij controles op zee doet zij dit in het samenwerkingsverband Kustwacht.
5.5.1. Interactie met ander gebruik
Visserij is vrijwel op de gehele Noordzee toegestaan. Alleen in bepaalde delen van Natura2000-gebieden, gebieden waar veel munitie op de bodem ligt, en gebieden waar een algeheel vaarverbod geldt (in windturbineparken en rond mijnbouwplatforms) is visserij niet toegestaan. Dit betreft slechts een zeer beperkt oppervlak van de Noordzee. Bij de planvorming van scheepvaartroutes, beheerplannen voor natuurgebieden en windenergie wordt altijd rekening gehouden met de visserijbelangen in het betreffende gebied.
In het belang van de visserij moeten kabels en leidingen zoveel mogelijk op voldoende diepte in de zeebodem worden gelegd. Dit wordt geregeld via de vergunningverlening.
5.5.2. Aspect gezonde zee
Het zeevisserijbeleid is voornamelijk internationaal (Europees) ontwikkeld en wordt door deze kaders gestuurd. Het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (2002) van de EU heeft een meervoudige doelstelling. Op de eerste plaats is dat het beschermen en in stand houden van de beschikbare en toegankelijke levende mariene aquatische bestanden. In nauwe samenhang daarmee zorgt het visserijbeleid voor rationele, verantwoorde en duurzame exploitatie van de bestanden. Dit onder voorwaarden die voor de visserijsector economisch en sociaal acceptabel zijn. Meerjarenplannen en verlaging van de vlootcapaciteit hebben bijgedragen aan het herstel van sommige bestanden in de Noordzee. Nederland streeft in de zeevisserij naar de Maximale Duurzame Opbrengst (MSY) in 2015. Daarnaast moet het nieuwe GVB bijdragen aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Natura 2000.
Visserijwet en vergunningen voor visserij
De Visserijwet 1963 vormt de basis van de Nederlandse visserijwetgeving. De wet bevat zowel rechtstreeks toepasselijke bepalingen als bevoegdheden voor het opstellen van nadere regelgeving. Voor de Noordzee is met name het onderdeel zeevisserij relevant. Daaronder wordt verstaan ‘het vissen in zee, met inbegrip van het vissen in de visserijzone en in daaraan grenzende als zee aangewezen wateren’. De visserijzone is de zone ingesteld krachtens de Machtigingswet instelling visserijzone, waarvan de buitengrens overeenkomt met de grens van het Nederlands continentaal plat en de Nederlandse EEZ. De minister van EL&I is verantwoordelijk voor uitvoering van de Visserijwet. De wet dient mede als wettelijke basis voor de uitvoering van de verplichtingen van Nederland die voortvloeien uit het gemeenschappelijk visserijbeleid van de EU en uit internationale visserijverdragen.
Tijdpad FIMPAS

Voor het beroepsmatig uitoefenen van zeevisserij, moet het vissersvaartuig worden ingeschreven in het visserijregister en moet een Europese visvergunning worden aangevraagd.
De vergunningaanvraag alsmede de inschrijving in het visserijregister kan worden gedaan bij het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I).
Regulering visserij in N2000-gebieden
In 2010 is begonnen met het ontwerp van beheerplannen voor de Noordzeekustzone en de Vlakte van de Raan. Visserijmaatregelen die hieruit voortvloeien, moeten worden gemeld aan de Europese Commissie om ze ook te kunnen opleggen aan buitenlandse vissers (het non-discriminatiebeginsel). Ter voorbereiding van de voorstellen voor de gebieden buiten de territoriale zee is in 2009 het FIMPAS-project gestart (Fisheries Measures in Protected Areas). Dit is een omvangrijk proces onder leiding van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES), waarbij zowel de visserijsector als maatschappelijke organisaties zijn betrokken.
Verduurzaming visserij
Er wordt meer en meer aandacht besteed aan innovatieve ontwikkelingen die bijdragen aan duurzame visserij. Verduurzaming van de visserij impliceert een bedrijfsvoering die minder negatieve effecten heeft op het ecosysteem. Het gaat vooral om het terugdringen van de bodemberoering en de bijvangsten van niet-doelsoorten en ondermaatse vis. Een ander duurzaamheidsaspect is de besparing op brandstof en dus vermindering van de uitstoot van CO2 en andere stoffen. Als alternatieven voor de boomkor worden onder andere de sumwing, hydro-rig, pulskor en/of pulswing onderzocht. Een belangrijk criterium in het onderzoek is de geschiktheid van die alternatieven om tong te vangen.
Voor het vissen op mosselbroed kunnen mosselzaad-invanginstallaties (mzi's) een alternatief zijn. Dit zijn netwerken waaraan vrijzwemmende mossellarven zich vasthechten.
Knelpunten in wetgeving
Visserijtechnieken die zijn gebaseerd op elektrische prikkels zijn volgens Europese wetgeving verboden, met name omdat ze niet selectief zouden zijn. Nederland doet onderzoek om de pulstechniek (onder voorwaarden) toe te staan onder EU-regelgeving. Een ander punt dat soms wringt met Europese wetgeving, is dat er met alternatieve vistuigen soms meer kabeljauw wordt gevangen dan met de boomkor met wekkerkettingen. Hierdoor krijgen vissers die willen overstappen op duurzame alternatieven, te maken met de extreem strenge beperkingen in zeedagen die voor kabeljauw gelden. Ook dit probleem is voor Nederland een kwestie die met voorrang in Europees kader moet worden opgelost. Het Nederlandse standpunt is dat overschakeling op duurzame visserijmethoden niet zou mogen worden belemmerd.
5.5.3. Aspect rendabele zee
De Nederlandse visserijvloot telde in 2009 ongeveer 590 schepen en zo'n 2000 opvarenden. Ook de visverwerkende industrie (die ook geïmporteerde vis verwerkt) is aanzienlijk. De winst die de sector behaalde liep in 2009 terug en bedraagt nu 386 miljoen euro. Hoewel de bestanden zijn hersteld of zich aan het herstellen zijn, blijven de prijzen voor schol laag. Tegelijkertijd stijgen de brandstofprijzen. Aan de andere kant biedt het ecolabel MSC kansen om zich te onderscheiden van andere, minder duurzame visserijen. De overheid zet in samenspel met de markt in op een transitie naar duurzame visserijmethoden, ook na 2015.
Maricultuur
Voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van mariculturen is experimenteerruimte nodig. Diverse vormen van maricultuur zijn in potentie duurzaam, of kunnen een duurzaam alternatief zijn voor minder gewenste vormen van visserij of kweek van zeeproducten.
Al ver gevorderd is de ontwikkeling van mosselzaadinvanginstallaties (mzi's). Dit zijn netwerken die vanaf het wateroppervlak in de waterkolom hangen en waaraan vrij zwemmende mossellarven zich hechten. Deze techniek is een goed alternatief voor de winning van mosselzaad met de ‘mosselkor’ — een sleepnet dat het zaad van de bodem opvist. De bezwaren tegen die traditionele mosselzaadvisserij zijn niet van de laatste tijd. Er wordt dan ook al langer geëxperimenteerd met mzi's. Pas sinds de mosselzaadsleepnetvisserij beleidsmatig wordt uitgefaseerd, komt de (duurdere) toepassing van mzi's in beeld bij de visserijsector. In de kustwateren, waaronder de Voordelta, gebeurt dat al op commerciële schaal. Het voornemen is om op de Noordzee ruimte te bieden voor experimenten.
Een snelle verdere ontwikkeling is echter niet te verwachten. Om mzi's te mogen gebruiken — tot nu toe alleen in de Waddenzee en de Zeeuwse delta — zijn vergunningen nodig van de waterbeheerder (meestal Rijkswaterstaat) of de gemeentelijke overheid (bestemmingsplannen). In gebieden met beschermde natuurwaarden is een Nb-wetvergunning nodig. Daarnaast is een vergunning op grond van de Visserijwet vereist. Aan de laatste is een toets verbonden van de effecten op het bestand en een toets op de beschikbare ruimte. Een andere remmende factor is dat voor de mosselzaadvisserij een beperkt aantal vergunningen beschikbaar is, die inmiddels allemaal zijn uitgegeven. Nieuwe gegadigden moeten dus vergunningen kopen van de huidige houders.
In de Voordelta zijn voor mosselzaadwinning met mzi's drie kavels van in totaal 12 hectare uitgegeven. Voor de toetsing van de mogelijke effecten bestaat nog geen standaardprocedure. In dit geval is een op een m.e.r. gelijkende procedure doorlopen.
Gezien de gunstige ervaringen met mzi's lijkt het een kansrijke optie om deze cultures toe te passen binnen windmolenparken of als begrenzing van gesloten gebied. Dat is dan ook de enige mogelijkheid voor meervoudig ruimtegebruik, want maricultures zijn met geen ander gebruik op zee te combineren. Ingeval van combinatie met windmolenparken kunnen voor het verankeren van de netconstructies de turbinepalen worden benut. Dat spaart een uitgebreide verankering aan de zeebodem uit.
Andere vormen van maricultures waarvoor experimenteerruimte nodig is, zijn de teelt van wieren, de kweek van algen en seafarming. Voor grootschalige experimenten en toepassingen op de Noordzee is een vergunning nodig op grond van de Visserijwet.
Dit kan betrekking hebben op het inschrijven van vaartuigen in het vlootregister, het bestandsbeheer, en het transport naar de opgroei-locaties (in verband met de mogelijke ‘insleep’ van ziekten). Voor viskweek geldt de randvoorwaarde dat deze nutriëntenneutraal moet zijn.
5.6. Oppervlaktedelfstoffenwinning
Het kustfundament |
Dat zand op de Noordzee alleen mag worden gewonnen buiten de doorgaande NAP −20 m dieptelijn heeft te maken met het behoud van een stabiel kustfundament en de ecologische waarde van de kustzone. Met het oog op behoud van het kustfundament is diepe zandwinning alleen mogelijk vanaf een lijn 2 kilometer zeewaarts van de doorgaande NAP −20 m dieptelijn. Winning van een hoeveelheid van meer dan 10 miljoen m3 en /of een oppervlakte van meer dan 500 ha is m.e.r.-plichtig. |
Tussen de doorgaande NAP −20 m dieptelijn en de buitengrens van de 12-mijlszone ligt het strategisch voorraadgebied waar zandwinning voorrang heeft op ander gebruik. Buiten de 12-mijlsgrens hebben andere functies dan zandwinning voorrang. |
Zandmotor |
De zandmotor is de benaming van een experiment met natuurlijke aanwas van de kust. Voor de kust van Ter Heijde wordt een forse berg zand op de zeebodem gedeponeerd. Natuurlijke stromingen en golfslag transporteren het zand in de loop van meerdere jaren naar de kust. Over een lengte van vele kilometers ontstaat zo een breder strand, dat door de provincie Zuid-Holland vooral uit ruimtelijk oogpunt wordt gewaardeerd. |
Op de Noordzee mogen zand, grind en schelpen worden gewonnen.
Landwaarts van de doorgaande NAP −20 meter dieptelijn mag in beginsel geen winning plaatsvinden. Bij wijze van uitzondering is wel winning mogelijk uit vaargeulen, voor het aanleggen van overslagputten, of wanneer het verwijderen van oppervlaktedelfstoffen uit de winlocatie bijdraagt aan de kustverdediging en het in oorspronkelijke staat brengen van de zeebodem van voormalige stortgebieden. Zand dat landwaarts van de doorgaande NAP −20 meter dieptelijn wordt gewonnen, moet in het kustfundament worden teruggestort.
Grootschalige zandwinning is toegestaan vanaf 2 km zeewaarts van de doorgaande NAP −20 m lijn. Voor zandwinning tussen deze lijn en de 12-mijlsgrens (winning zo dicht mogelijk bij de kust heeft uit kostenoverwegingen de voorkeur) is een oppervlakte van 5.134 km2 beschikbaar; ruim voldoende voor de planperiode tot 2015. Zandwinning in deze zone heeft prioriteit boven ander gebruik. Dit sluit gebruik van deze zone voor andere doelen dan winning van oppervlaktedelfstoffen niet uit. Schelpenwinning is toegestaan dieper dan de NAP −5 meter dieptelijn.
Rondom kabels en leidingen mag binnen minimaal 500 meter aan weerszijden geen zand worden gewonnen. Indien zandwinprojecten voor kustsuppleties hierdoor niet of moeilijk realiseerbaar zijn, zal verkend worden of het actief bundelen van bestaande kabels en leidingen mogelijk en realiseerbaar is.
Zeezand wordt gebruikt voor kustsuppletie (ongeveer 12 miljoen m3/j) en als ophoogzand op land (circa 13 miljoen m3/j). Het Nationaal Waterplan noemt winning van oppervlaktedelfstoffen in de Noordzee een activiteit van nationaal belang. Zandwinning hoort daarom tot de gebruiksfuncties waarmee ruimtelijk strategisch moet worden omgegaan. Zeezand wordt ook gebruikt voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte (zo'n 300 miljoen m3) en voor het versterken van de zogenoemde zwakke schakels langs de kust. Voor de ‘zandmotor’ is circa 22 miljoen m3 zand gebruikt.
Het zand dat nodig is voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte komt uit diepe zandwinputten (maximaal 20 meter diep) op een afstand van ruwweg 10 km uit de kust voor Hoek van Holland.
Schelpenwinning vindt vooral plaats op de Noordzee en in de buitendelta's en zeegaten van de Waddenzee (vanaf NAP −5 m lijn). Voor schelpenwinning is een kleine verschuiving te verwachten van de Waddenzee en de Voordelta naar de Noordzee.
Figuur 11. Zonering oppervlaktedelfstoffenwinning met indicatie interacties

5.6.1. Interactie met ander gebruik
Oppervlaktedelfstofwinning in de buurt van rustgebieden voor zeezoogdieren en vogels tot ongewenste verstoringen leiden. Bij de totstandkoming van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden worden ook de belanghebbenden van deze activiteiten zoveel mogelijk betrokken.
Verder is het winnen van zand en andere oppervlaktedelfstoffen niet of nauwelijks mogelijk daar waar kabels en leidingen liggen. Bij de planvorming en vergunningverlening voor kabels- en leidingen moet dan ook rekening gehouden worden met oppervlaktedelfstofwinning.
5.6.2. Aspect veilige zee
Zandwinning is een vitale functie voor het kunnen uitvoeren van de kustlijnzorg. Sinds 1990 is het streven de kustlijn te handhaven op de plek waar deze toen ongeveer lag, de zogenaamde Basiskustlijn (BKL). Bij het handhaven van de kustlijn is ruimte voor dynamische processen. In 2000 (Derde kustnota) is hieraan het streven toegevoegd dat het kustsysteem als geheel niet structureel zand verliest. Sindsdien (2001) is naast de BKL ook de zandbalans van het kustsysteem een belangrijke graadmeter voor het beleid om op grote schaal ‘dynamisch te handhaven’.
Het Ministerie van IenM is verantwoordelijk voor het kustbeleid. De regionale diensten van Rijkswaterstaat die de Nederlandse kust beheren, zijn verantwoordelijk voor de kusthandhaving (in hun beheergebied). Zij zorgen voor de vergunningen voor zandsuppletie. Rijkswaterstaat stelt de suppletieplannen op en organiseert de monitoring en de uitvoering van kustsuppleties. Rijkswaterstaat Noordzee heeft de regie gekregen over de gehele kustlijnzorg. De dienst zal als trekker toewerken naar stroomlijning van de verantwoordelijkheden en versterking van het samenspel van overheden die bij het kustonderhoud zijn betrokken. Daarbij zijn nadrukkelijk ook de waterschappen in beeld die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van de waterkering.
Rijkswaterstaat Noordzee werkt ook aan een kustlijnzorgaanpak voor de langere termijn. Dit conform de nieuwe aanpak om operationele kortetermijnmaatregelen in lijn te brengen met de opgaven in een verdere toekomst. Als regiehouder kustlijnzorg participeert Rijkswaterstaat Noordzee in de visievorming en in programma's met een grotere tijdshorizon, zoals het Deltaprogramma.
Sinds 2001 zijn de jaarlijkse suppletiehoeveelheden bijna verdubbeld, vooral door meer en vaker onder water te suppleren. Behalve om de structurele erosie van de kustlijn tegen te gaan, gebeurt dit ook om tekorten in de zandbalans te compenseren. Er wordt vaker onder water, in plaats van op het strand gesuppleerd; dit veroorzaakt minder hinder voor recreanten. De verwachting is dat op termijn zal blijken dat deze vorm van suppleren kosteneffectiever is. Het winnen van zand voor kustsuppleties (buiten de vaargeulen) is vergunningplichtig. De kustsuppleties zelf worden uitgevoerd in het kader van de Waterwet en zijn niet vergunningplichtig.
5.6.3. Aspect rendabele zee
Naar een zandwinstrategie
De verwachting is dat de vraag naar zeezand zal toenemen als gevolg van versnelde zeespiegelstijging. De zeespiegelstijging kan ertoe leiden dat de huidige behoefte van 12 miljoen m3 suppletiezand in de komende decennia zal toenemen tot misschien wel 85 miljoen m3. Maar of en in welk tempo de vraag werkelijk zal groeien, is onzeker. Tevens zal er meer vraag naar zeezand zijn voor gebruik op land.
Zowel voor de kustveiligheid als voor gebruik op land (ophoogzand) is het van belang te kunnen beschikken over een strategische zeezandvoorraad van voldoende omvang. Op grond van ruimtelijke overwegingen en om conflicten met ander gebruik te voorkomen, is het noodzakelijk gebleken het beheer en gebruik van het zeezand anders te regelen. De huidige vrijheid voor initiatieven en de toetsing achteraf resulteren op lange termijn in een versnipperde voorraad en inefficiënte winning en inefficiënt ruimtegebruik. De nieuwe visie is uitgewerkt in de zandwinstrategie.
Kernpunten zandwinstrategie
Uitgangspunten voor de zandwinstrategie zijn: ecologisch verantwoord, economisch voordelig, voorraadtechnisch slim, duurzaam en ruimtelijk goed afgestemd. De strategie levert dan ook een optimale bijdrage aan de pijlers van het Noordzeebeleid: gezond, veilig en renderend. Deze uitgangspunten vertegenwoordigen verschillende belangen die bij het beheer en gebruik van de zandvoorraad een rol spelen. De zandwinstrategie gaat daarom uit van beheer en gebruik van de zeezandvoorraad op basis van een evenwichtige afweging van de verschillende relevante belangen. De kustveiligheid moet echter altijd gewaarborgd blijven.
Sommige beheermaatregelen hebben op alle belangen een overwegend positieve of minstens neutrale invloed. Dit betekent dat deze zogenoemde no regret-maatregelen, ongeacht de belangenafweging, altijd worden toegepast in het beheer en gebruik van de zeezandvoorraad. Het gaat om:
- •
de regel dat de gemiddelde diepte van de zandwinputten meer dan 2 meter moet bedragen
- •
planning van wingebieden (meer ruimtelijke sturing op zeezandwinning in ruimte en tijd)
- •
efficiëntere vergunningprocedures (efficiëntere regulering zeezandwinning).
Nieuw in de strategie is dat het rijk ook voor kleinschalige zandwinning inzet op een grotere windiepte dan de 2 meter die eertijds in de Nota Ruimte is vastgelegd en waaraan het NWP in beginsel een uitbreiding wilde toestaan. Dit vergroot de strategische voorraad aanzienlijk. Daardoor biedt de zone tussen de doorgaande NAP −20 meter dieptelijn en de 12-mijlsgrens in principe voldoende voorraad voor de 21e eeuw.
De zandwinning krijgt dankzij de strategie ook een planmatiger karakter (sturing op efficiënt gebruik van de voorraad). De vrijheid om overal een ontgrondingsvergunning aan te vragen zal plaatsmaken voor een praktijk waarin sterker wordt gestuurd op gebieden waar zand kan worden gewonnen. Wingebieden zullen in principe ‘volledig’ moeten worden gebruikt voordat nieuwe gebieden zullen worden aangewezen. Dit werkt betere benutting van de voorraad en efficiënter gebruik van de ruimte in de hand. Bovendien zullen de kosten lager uitvallen omdat de dichtbijgelegen en daardoor goedkopere voorraad optimaal wordt benut.
Ook is per locatie een afweging mogelijk met andere belangen en is vast te stellen of de Natuurbeschermingswet beperkingen aan die locatie stelt. Samenvattend: er komt meer ruimtelijke sturing op de zeezandwinning. Het beheerkader en bijbehorende instrumentarium worden in 2011 samen met de stakeholders uitgewerkt.
Ook wordt in 2011 bekeken of de regulering van de zeezandwinning efficiënter kan. Verschillende opties doen opgeld, zoals meerjarige vergunningen of één vergunning voor meerdere winningen door dezelfde initiatiefnemer.
De belangen die een rol spelen bij zandwinning op de Noordzee hebben niet overal langs de kust hetzelfde gewicht. Zoals in figuur 12 is te zien is het zandwingebied voor de kust van IJmuiden erg smal doordat de NAP −20 meter dieptelijn en de 12-mijlsgrens in dat gebied dicht bij elkaar liggen. De vraag naar zand in deze regio met veel economische bedrijvigheid is daarentegen groot. In figuur 12 is ook te zien dat het gebied tussen de NAP −20 meter dieptelijn en de 12-mijlsgrens voor de zuidwestkust voor een groot deel samen valt met het Natura-2000 gebied Voordelta en het mogelijk ecologisch waardevolle gebied De Zeeuwse Banken. In deze gebieden heeft het natuurbelang een ander gewicht dan voor de Hollandse kust. Figuur 12 geeft de indeling per regio aan. De belangen worden per regio gewogen en er wordt regionaal maatwerk toegepast.
Figuur 12. Uitdagingen zandwinstrategie

Schelpenwinning
Behalve zand worden in kleinere hoeveelheden schelpen gewonnen. Het beleid is dat schelpenwinning is toegestaan in gebieden tot 50 km uit de kust waar het dieper is dan de NAP −5 m dieptelijn en in hoeveelheden die in overeenstemming zijn met de natuurlijke aanwas. In bepaalde gebieden gelden maxima voor de jaarlijks te winnen hoeveelheden. Het beleid voor schelpenwinning is vastgelegd in de Beleidsregels Ontgrondingen rijkswateren.
Schelpen worden onder meer gewonnen in en ten westen van de Voordelta, de Waddenzee en de kustzee ten noorden van de Wadden, en dus gedeeltelijk in gebieden die zijn aangewezen dan wel aangemeld als Natura 2000-gebied. Voor de schelpenwinning geldt dat bij uitbreiding of verlenging van de vergunning behalve het algemene afwegingskader voor de gehele Noordzee ook het afwegingskader van de Natuurbeschermingswet 1998 of de specifieke bepalingen voor gebieden met bijzondere ecologische waarden van toepassing kunnen zijn.
Grindwinning
Grind wordt in het Nederlands deel van de Noordzee nauwelijks gewonnen.
5.7. Baggerspecie
Met de invoering van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) is het beleid ten aanzien van het verspreiden van baggerspecie veranderd. Het baggeren van de geulen is een onderhoudsmaatregel waarop het Bbk van toepassing is. Vrijkomend zand uit de geulen wordt, indien afkomstig uit het kustfundament, teruggestort in het kustfundament en/of gesuppleerd in de nabijheid; zand uit de geulen buiten het kustfundament wordt gebruikt als ophoogzand. Vrijkomende baggerspecie wordt — als deze aan de verspreidingseisen voldoet — tot nu toe verspreid in de loswallen. Het Bbk kent eigen randvoorwaarden bij het aanwijzen van verspreidingsvakken. Momenteel wordt nagedacht over het aanwijzen van verspreidingsvakken in het kader van het Bbk om nadere invulling te geven en mogelijk regels te verbinden aan het terugstorten van zand uit de geulen in het kustfundament. Met deze verspreidingsvakken en regels komt duurzaam gebruik van de ecologische en morfologische functies van het sediment dichterbij.
Om de vaargeuldiepte te monitoren en zo het noodzakelijke onderhoud te kunnen bepalen, worden regelmatig lodingen uitgevoerd.
Figuur 13. Verspreidingslocaties voor baggerspecie met indicatie interacties

5.7.1. Interactie met ander gebruik
Bij het aanwijzen van verspreidingslocaties en het verspreiden van baggerspecie zelf wordt rekening gehouden met de effecten voor de natuur. Zo wordt zoveel mogelijk baggerspecie afkomstig uit nabijgelegen gebieden verspreid. In de Natura 2000-beheerplannen wordt ook ingegaan op de specifieke mogelijkheden voor het verspreiden van baggerspecie binnen het Natura 2000-gebied.
5.8. Windenergie
De eerste windturbineparken op de Noordzee zijn gebouwd in het Offshore Windpark Egmond aan Zee Windpark (8 mijl uit de kust bij Egmond) en het Prinses Amalia Windpark buiten de 12-mijlszone. Ze hebben een vermogen van respectievelijk 100 en 120 MW en een oppervlakte van respectievelijk 26,8 en 16,6 km2, inclusief een veiligheidszone van 500 meter rondom. Deze parken worden ook wel de ‘ronde 1-parken’ genoemd. Daarnaast zijn vergunningen verstrekt voor de bouw van nieuwe windparken, de zogenaamde ‘ronde 2-parken’. Drie parken zullen subsidie krijgen en de komende jaren worden gebouwd.
Het kabinet heeft in het Nationaal Waterplan de opwekking van windenergie op de Noordzee de status van nationaal belang gegeven. Het NWP heeft specifieke gebieden aangewezen waar windturbineparken —de ‘ronde 3-parken’ —op geclusterde wijze kunnen worden gebouwd. Deze locaties maken de gewenste groei van de opwekking van windenergie op zee mogelijk en bieden tegelijk speelruimte om de precieze ligging van de windturbineparken af te stemmen met andere gebruiksfuncties. Het kabinet heeft in het NWP twee gebieden aangewezen voor windenergie: Borssele (344 km2) en IJmuiden (1170 km2). Voor de Hollandse kust en het gebied ten noorden van de Wadden geldt een zoekopdracht die nog niet is afgerond. Daarbinnen zal volgens de spelregels van het integraal beheer afstemming plaatsvinden met de doelen van Natura 2000 en de belangen van andere gebruiksfuncties.
Nadrukkelijk houdt het kabinet ook in de gereserveerde gebieden de mogelijkheid open van meervoudig ruimtegebruik.
Figuur 14. Windenergiegebieden met indicatie interacties

5.8.1. Interactie met ander gebruik
Bij de planvorming en aanwijzing van windenergiegebieden speelt afstemming met de alle andere gebruiksfuncties op zee een grote rol. Ook bij de inrichting van de windenergiegebieden spelen nog vragen hoe en waar binnen de windgebieden rekening moet worden gehouden met mijnbouwprospects, natuur, kabels en leidingen en (tijdelijke) corridors voor de kleine scheepvaart.
Meervoudig ruimtegebruik in windturbineparken
Mijnbouwvergunningen en windenergievergunningen kunnen overlappen. Houders van een opsporings- of exploitatievergunning, dan wel een windenergievergunning stemmen hun activiteiten met elkaar af. Door een vroegtijdige afstemming tussen mijnbouw en windenergie op zee wordt voorkomen dat daadwerkelijke winning van olie- en/of gas, respectievelijk van windenergie in ruimte en/of tijd conflicteren.
In windturbineparken is alle scheepvaart verboden. Maar omdat het Nationaal Waterplan 2010–2015 (NWP) meer ruimte voor windturbineparken reserveert, is het uit het oogpunt van meervoudig ruimtegebruik wenselijk om te bezien of deze parken voor recreatievaart en duurzame vormen van visserij op termijn kunnen worden opgesteld. Een grote dichtheid aan parken kan immers een obstakel voor de niet-routegebonden scheepvaart vormen. Bovendien kan het veiliger zijn als kleine schepen de doorgaande routes van de grote scheepvaart vermijden en gebruik maken van de ruimte tussen de turbines. Ook het internationale karakter van de Noordzee en de ontwikkelingen van offshorewindenergie in het buitenland onderschrijven het belang van een verkenning. In Denemarken en het Verenigd Koninkrijk wordt medegebruik van windparken bijvoorbeeld onder voorwaarden toegestaan. Mogelijk vindt op de lange termijn internationale synchronisatie van het regime voor medegebruik plaats.
In het NWP is aangekondigd dat de voorwaarden worden onderzocht waaronder eventueel medegebruik van windturbineparken door bijvoorbeeld recreatie, duurzame niet-bodemberoerende visserij, mariene aquacultuur (in het bijzonder mosselzaadinvanginstallaties) en andere vormen van duurzame energieproductie zou kunnen plaatsvinden.
Uit de eerste verkenningsfase in 2009 en 2010 is gebleken dat kleine schepen veilig tussen de windturbines kunnen navigeren. Gecontroleerde experimenten met meervoudig ruimtegebruik in windenergiegebieden kunnen vervolgens leiden tot innovaties die niet alleen toekomstige knelpunten voor de scheepvaart voorkómen, maar ook kansen voor andere sectoren creëren. Het rijk zal daarom initiatieven voor meervoudig ruimtegebruik op experimentele basis in overweging nemen en mogelijk faciliteren. Locatiespecifieke aspecten, de randvoorwaarden uit het NWP, het generen van de juiste informatie en een ontwikkelingsgerichte opzet zullen daarbij zorgvuldig in acht worden genomen. Om het uitvaren van kleine schepen uit de windparken richting scheepvaartroute veilig te laten verlopen, is een zekere afstand tussen het park en de route nodig. Een afstand van 2 zeemijl is daarbij als vertrekpunt te hanteren. In overleg met belanghebbenden kan worden bekeken of in specifieke situaties maatwerk mogelijk is.
5.8.2. Aspect rendabele zee
Uit de ruimtelijke analyse die ten grondslag ligt aan de aanwijzing van windenergiegebieden in het NWP, vloeien ook (tijdelijke) ruimtelijke beperkingen voort. Zo zullen gebieden die vrijkomen door het mogelijk verleggen van een scheepvaartroute, pas feitelijk voor uitgifte beschikbaar zijn als de betreffende verlegging is afgerond.
Nieuw regime windturbineparken
De komende jaren geeft het rijk prioriteit aan goedkope vormen van duurzame energie. De kans dat er voor 2015 nieuwe windparken kunnen worden gebouwd onder de huidige subsidieregeling duurzame energie (SDE+-regeling) is dan ook beperkt.
Sinds 1 april 2008 is —in afwachting van nieuwe (wet- en) regelgeving —een moratorium van kracht op het aanvragen van vergunningen voor de bouw van nieuwe windturbineparken. Uitgangspunt is de koppeling van effficiënt ruimtegebruik binnen de windgebieden aan daadwerkelijke realisatie. Dit om ervoor te zorgen dat er geen onnodige claims op de ruimte worden gelegd. Daarnaast speelt nog de vraag hoe en waar binnen de windgebieden rekening moet worden gehouden met mijnbouwprospects, natuur, kabels en leidingen en (tijdelijke) corridors voor kleine scheepvaart. Efficient ruimtegebruik wordt bereikt door windparken zoveel mogelijk aansluitend op elkaar te realiseren en gebieden vanaf de randen geleidelijk aan vol te bouwen.
5.9. Kabels en leidingen
Op het NCP ligt ongeveer 3.600 kilometer pijpleiding en 4.000 kilometer kabel, voornamelijk in het zuidelijke gedeelte. Daarvan is ongeveer 2.100 km kabel niet meer in gebruik. Aan weerszijden van de in gebruik zijnde kabels wordt een onderhoudszone van 500 tot 1000 meter aangehouden. Dit extra ruimtebeslag geeft aanleiding te onderzoeken of kabels kunnen worden gebundeld. De kosten daarvan zouden moeten opwegen tegen het economisch voordeel van de extra beschikbare ruimte voor andere functies.
Gezien het kleineveldenbeleid zullen er de komende jaren nog leidingen bij komen. Er moet rekening worden gehouden met de aanleg van nieuwe internationale gasleidingen én met uitbreiding van het aantal hoogspanningskabels voor elektriciteitstransport.
Nieuwe kabels voor elektriciteitstransport van windturbineparken naar de kust kunnen worden gebundeld en/of zoveel mogelijk bestaande kabeltrajecten volgen. Voor de aansluitingen van elektriciteitskabels vanuit zee op het hoogspanningsnet wordt verwezen naar het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III).
Figuur 15. Overzicht kabels- en leidingen met indicatie interacties

5.9.1. Interactie met ander gebruik
Bij de planvorming en vergunningverlening voor kabels en leidingen moet rekening worden gehouden met ander gebruik. Op basis van het principe van efficiënt ruimtegebruik mogen kabels en leidingen andere gebruiksfuncties zo min mogelijk hinderen.
Kabels en leidingen moeten op een dusdanige wijze worden aangebracht dat zij geen gevaar of belemmering opleveren voor de scheepvaart en visserij. Dit betekent dan ook dat kabels en leidingen voldoende diep moeten worden ingegraven zodat er in principe veilig gevist en gevaren moeten kunnen worden. Waar kabels en leidingen liggen, is geen zandwinning mogelijk en kunnen schepen niet ankeren. Alle kabels en leidingen bij elkaar geven daardoor een behoorlijke beperking van de beschikbare ruimte voor windenergie, zandwinning en ankerplaatsen. Meer ruimte voor zandwinning, windenergie en ankergebieden zou ontstaan door kabels en leidingen te bundelen. De interactie met scheepvaart speelt alleen ten aanzien van het ankeren. Het ankeren op kabels en leidingen moet zoveel mogelijk worden voorkomen. In de planvorming gebeurt dit door kabels en leidingen niet toe te staan in ankergebieden. Verder moeten vaarwegen door kabels en leidingen zo kort mogelijk en loodrecht worden doorkruist. Daarnaast worden nieuwe kabels zo snel mogelijk opgenomen in scheepvaartkaarten zodat de scheepvaart weet waar de kabels en leidingen liggen.
Voor de winning van oppervlaktedelfstoffen en windenergie kunnen kabels en leidingen grote beperkingen opleveren en noodzaken tot afstemming. In het kader van de zandwinstrategie (zie paragraaf 5.6.3) ook gedacht aan mogelijkheden om de kosten voor het verder varen voor zandwinning af te wegen tegen de kosten voor het omleggen van de kabel. Zo zou het goedkoper kunnen zijn voor een kabel- of leidingexploitant om een compensatiebedrag te betalen voor het verder varen voor zandwinners, dan om de kabel of leiding om een bepaald gebied heen te leggen.
5.9.2. Aspect rendabele zee
De eigenaar van een leiding heeft in het kader van de Waterwet en de Mijnbouwwet de verplichting om jaarlijks de ligging te onderzoeken en te rapporteren aan de toezichthouders Rijkswaterstaat Noordzee en het Staatstoezicht op de Mijnen. De toezichthouders controleren op basis van deze rapportage, eventueel aangevuld met veldonderzoek, of de leiding voldoende bedekt en ondersteund is. De ligging van kabels wordt tijdens de aanleg ervan vastgelegd. Daarna bestaat er geen verplichting tot onderzoek. Alleen bij kruisingen met leidingen wordt de ligging van kabels meegenomen in het jaarlijkse leidingonderzoek.
Bundeling van kabels en leidingen
Nieuwe kabels en leidingen moeten zoveel mogelijk gebundeld worden met bestaande kabels en leidingen om daarmee het ruimtebeslag zoveel mogelijk te beperken
Telecomkabels komen op vijf plaatsen aan land, hoogspanningskabels op drie locaties en olie- en gasleidingen op vier.
Om deze infrastructuur voor beschadiging te behoeden, zijn sommige activiteiten binnen een zone van 500 meter aan weerszijden van een leiding of kabel niet toegestaan.
Opruimen van loze kabels en leidingen
Telecomkabels die niet meer in gebruik zijn, moeten in principe worden opgeruimd. Binnen de 12-mijlszone bestaat al een opruimplicht in het kader van de Telecomwet.
Buiten de 12-mijlszone en voor elektriciteitskabels wordt deze plicht via de vergunningen geregeld. Door de beweeglijkheid op de telecommarkt is de eigendom van kabels niet altijd duidelijk, met als gevolg dat niet altijd bekend is wie op de opruimplicht aanspreekbaar is. Onderzocht wordt of dit probleem met financiële prikkels is op te lossen.
Ook verlaten pijpleidingen moeten volgens de Waterwet in principe worden opgeruimd. Onder de Mijnbouwwet is voor opruiming een opdracht van de minister nodig. Het doorlopen van het afwegingskader voor het opruimen van kabels en leidingen is al praktijk. Het opruimbeleid benadert daarmee kabels en leidingen op dezelfde wijze.
5.10. Recreatie
Elke vorm van recreatie op en aan de Noordzee heeft voorkeur voor een specifieke ruimte of zone. Badgasten maken gebruik van de zone rondom de laagwaterlijn. Vormen van watersport, zoals surfen, kitesurfen en deltavliegen gebruiken de zone vlak onder de kust. Sportvissers zoeken het strand, de pier of de zeedijk op of vissen vanaf boten.
Zeil- en motorbootschippers volgen tot zo'n 12 mijl uit de kust voornamelijk de kustlijn of maken een oversteek tussen Nederland en Engeland.
Figuur 16. Zwemwaterlocaties en indicatieve recreatiezones met indicatie interacties

5.10.1. Aspect veilige zee
De minister van Infrastructuur en Milieu is als waterbeheerder verantwoordelijk voor de zwemwaterkwaliteit op de in het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (BPRW) aangewezen zwemwaterlocaties in rijkswateren. Provincies houden toezicht, zijn verantwoordelijk voor de zwemveiligheid en de voorlichting daarover aan het publiek. Rijkswaterstaat verzorgt de monitoring van de Noordzee en is verantwoordelijk voor het opstellen van het zwemwaterprofiel. Bij onvoldoende zwemwaterkwaliteit initieert Rijkswaterstaat maatregelen. Maar Rijkswaterstaat kan problemen met zwemwaterkwaliteit over het algemeen alleen in samenwerking met anderen oplossen.
Bewaking zwemwaterkwaliteit
In het BPRW zijn in de kustzee van de Noordzee enkele plekken aangewezen als rijkswater met een zwemwaterfunctie. Het water moet op de aangewezen zwemwaterlocaties (meetpunten) aan wettelijke normen voldoen. Deze zijn vastgelegd in de EU Zwemwaterrichtlijn. Daarom wordt de kwaliteit gemonitord. Rijkswaterstaat voert jaarlijks gedurende het badseizoen (mei–september) een bemonsteringsprogramma uit en verstrekt de gegevens aan provincies, gemeenten en belangenorganisaties. Bij slechte resultaten kan de provincie een negatief zwemadvies geven, of zelfs een zwemwater sluiten voor het publiek. Incidentele problemen kunnen zich voordoen als gevolg van veel neerslag en onvoldoende riool- en zuiveringscapaciteit. Overstorten kunnen dan zorgen voor tijdelijke verslechtering van de waterkwaliteit.
5.10.2. Aspect rendabele zee
Dankzij het lange strand én de variatie in badplaatsen en omliggende duingebieden, is de Nederlandse kust een toeristische trekpleister van de eerste orde. Niettemin neemt de internationale concurrentiepositie af. De watersportsector groeit wel en heeft behoefte aan nieuwe jachthavens en marina's.
De Noordzee en de kustzone zijn ook van belang voor de sportvisserij. Volgens de Nederlandse Vereniging van Sportvissersfederaties telt Nederland ruim een half miljoen zeesportvissers. Sportvisserij op zee is noch aan nationale noch aan Europese regels of beperkingen onderhevig. Enige uitzondering is dat vis die door sportvissers is gevangen, niet mag worden verhandeld. Wel gelden per 1 januari 2011 ook voor sportvisserij controlebepalingen.
De regering heeft in de Vernieuwde Toeristische Agenda de ontwikkeling van het kusttoerisme nadruk gegeven: vooral in de vorm van een verhoging van de kwaliteit van de badplaatsen. Het recreatiebeleid en de uitvoering daarvan zijn grotendeels in handen van provincies en gemeenten.
De toeristische sector is deels een ruimte-intensieve sector en vaak gerelateerd aan (de nabijheid van) natuur. Dit betekent dat bij economische ontwikkelingen een goed evenwicht moet worden gevonden tussen de economische belangen en de belangen van natuur en milieu, maar ook van kustveiligheid.
Recreatief gebruik wordt vooral door regionale en lokale overheden gereguleerd. Voor evenementen te water (bijvoorbeeld zeilwedstrijden) geeft de directeur Kustwacht een vergunning af. Evenementen die plaatsvinden binnen een gemeentegrens (circa 1 kilometer uit de kust), worden ook aangemeld bij de desbetreffende gemeente. Zeesportvissers hebben geen vergunning nodig om te kunnen vissen.
5.10.3. Aspect gezonde zee
Recreatie kan op bepaalde locaties een relatief groot negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen in Natura 2000-kustgebieden. Zonering, al of niet in combinatie met gerichte voorlichting, is dan een optie die in het desbetreffende beheerplan Natura 2000 kan worden uitgewerkt.
5.10.4. Interactie met ander gebruik
Pleziervaartuigen mijden liever de grote scheepvaartroutes, maar in principe mag de recreatievaart ook van deze routes gebruik maken.
Vanuit de recreatievaart is er de behoefte om de huidige en toekomstige windturbineparken op de Noordzee vrij te geven voor doorvaart voor de recreatievaart. In principe mijden recreatievaarders liever windturbineparken, maar bij calamiteiten zoals plotselinge weersverslechtering, of drukte op een scheepvaartroute, willen zij het liefst zo snel mogelijk veilig water of een haven bereiken en zo nodig ook door een windturbinepark kunnen varen.
Binnen aangewezen windenergiegebieden kunnen (tijdelijke) corridors worden vrijgehouden voor de kleine niet routegebonden scheepvaart. Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij kabel- en leidingtracés. Er kunnen speciale procedures worden vastgesteld voor verkeersbegeleiding tijdens onderhoudswerkzaamheden aan deze kabels en leidingen.
In het Nationaal Waterplan is vastgelegd dat de 12 mijls zone in principe vrij blijft van permanente bebouwing. Daarmee is onder meer rekening gehouden met de recreatie vanaf het strand en de recreatievaart langs de gehele kust. Recreatievaarders moeten voor het doorkruisen van militaire oefengebieden wel de scheepvaartberichten in de gaten houden in verband met mogelijke militaire oefeningen in betreffende gebieden.
5.11. Militair gebruik
De Noordzee is van belang voor de krijgsmacht. Ruim 7 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee is beschikbaar voor militaire doeleinden, zoals schietoefeningen, vliegoefeningen en oefeningen in het ruimen van mijnen. De ruimtebehoefte voor militaire doeleinden op de Noordzee is vastgelegd in een aparte planologische kernbeslissing: het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT-2) en in het Nationaal Waterplan 2009–2015. Daarin is aangegeven welke schiet- en oefengebieden zijn ingesteld op en boven de Noordzee en de Waddenzee. Deze gebieden zijn — wanneer er geen oefeningen plaatsvinden — ook beschikbaar voor ander gebruik. In de periode 1945–1948 is op twee plaatsen in de Noordzee overtollige (voornamelijk Engelse en Duitse) munitie gestort. Op de kaart zijn die locaties aangegeven als munitiestortplaatsen. Uit onderzoek is gebleken dat dit niet tot een nadelige beïnvloeding van het milieu heeft geleid. Bij schietoefeningen vanaf de wal komt munitie in zee terecht. Defensie beschikt hiervoor over de benodigde vergunningen.
Figuur 17. Militaire gebieden met indicatie interacties

5.11.1. Interactie met ander gebruik
Militair gebruik en andere functies worden met elkaar afgestemd. De oefengebieden zijn in een aantal gevallen tijdens de oefeningen verboden gebied voor alle andere activiteiten.
Het gebruik van militaire terreinen binnen de Nederlandse EEZ verandert in de komende jaren naar verwachting nauwelijks. Vanwege de toenemende ruimtedruk op de Noordzee krijgt gecombineerd gebruik van oefengebieden mogelijk wel steeds meer aandacht, bijvoorbeeld door militair gebied tijdelijk open te stellen voor zandwinning. Bij de afweging voor de vergunningverlening voor de winning van oppervlaktedelfstoffen in militaire oefengebieden stemt Rijkswaterstaat af het Ministerie van Defensie.
Bij de planvorming en ruimtelijke ontwikkeling voor de scheepvaart of voor activiteiten met vaste installaties, zoals windmolenparken, platforms voor olie- en gaswinning, en kabels- en leidingen, is afstemming met militair gebruik van de Noordzee noodzakelijk. Binnen militaire oefengebieden wordt zoveel mogelijk gestreefd naar meervoudig ruimtegebruik. Olie- en gaswinning met mobiele installaties binnen een bepaalde periode is in principe mogelijk. Bij de vergunningverlening in het kader van de mijnbouwwet stemt het bevoegd gezag de wijze, de locatie en de periode van winning af met het ministerie van Defensie.
Militaire activiteiten kunnen leiden tot verstoring van mariene fauna ten gevolge van geluid en trillingen. Bovendien komen bij schietoefeningen munitieresten in de Noordzee terecht. Ecologisch onderzoek heeft niet aangetoond dat hieruit milieuschade voortvloeit. In de afgelopen tien jaar zijn de schietoefeningen met ruim 25 procent afgenomen. In de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden op zee en in de kustzone wordt ook het militair gebruik in relatie bezien met de natuurdoelen van het betreffende gebied.