Totstandkoming Overbruggingswet box 3 (36204)

Totstandkoming Overbruggingswet box 3 (36204)

Bijgewerkt t/m: 12-05-2026

Redactie

id-1ff78355-2851-4df6-a4d5-653c79428a83

Op Prinsjesdag is de Overbruggingswet box 3 bij de Tweede Kamer ingediend. Het wetsvoorstel maakt onderdeel uit van het Pakket Belastingplan 2023. Hieronder behandelen wij de Overbruggingswet box 3.

Met dit wetsvoorstel (kamernummer 36204) beoogt de wetgever de belastingheffing over vermogen te baseren op de werkelijke samenstelling van het vermogen. Deze wet treedt naar verwachting in werking op 1 januari 2023.

Op 24 december 2021 wees de Hoge Raad het zogenoemde Kerstarrest, in welk arrest hij oordeelde dat het huidige box 3-stelsel in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De huidige systematiek van box 3 gaat uit van een forfaitaire samenstelling van het vermogen, waarbij belastingplichtigen geacht worden zowel spaar- als beleggingsvermogen te hebben.

Bij de berekening van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen wordt volgens het onderhavige wetsvoorstel uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het vermogen, waarbij het vermogen wordt onderverdeeld in drie categorieën: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Iedere categorie kent een eigen forfaitair rendementspercentage.

Het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen wordt als volgt vastgesteld. Allereerst wordt het rendement per categorie bepaald. Vervolgens wordt de totale omvang van het behaalde rendement berekend door het totale rendement over de bezittingen te verminderen met het rendement van de schulden. Deze totale omvang wordt dan gedeeld door de rendementsgrondslag. Voor de berekening van de rendementsgrondslag geldt de huidige wettelijke definitie. Deze definitie gaat uit van de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Uit deze berekening volgt het effectieve rendementspercentage. Daarna wordt het effectieve rendementspercentage vermenigvuldigd met de grondslag sparen en beleggen. Dit is de rendementsgrondslag verminderd met het heffingsvrije vermogen. Het resultaat is het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen.

Peildatumarbitrage

Het wetsvoorstel bevat een regeling ter voorkoming van peildatumarbitrage. Peildatumarbitrage doet zich voor door voor de peildatum van 1 januari overige bezittingen tijdelijk om te zetten in banktegoeden, dan wel tijdelijk meer schulden aan te gaan. De voorgestelde bepaling voorkomt dat deze tijdelijke omzettingen tot een lagere belastingheffing leiden.

De arbitrageperiode bedraagt drie maanden die aanvangt voor en eindigt na de peildatum. Dit betekent allereerst dat transacties die voor 1 oktober en na 31 maart zijn gedaan buiten de regeling vallen. Ten tweede leidt dit ertoe dat op transacties waartussen meer dan drie maanden zijn verstreken de regeling eveneens geen toepassing vindt. De regeling bevat een tegenbewijsregeling op grond waarvan de belastingplichtige aannemelijk kan maken dat aan het tijdelijk omzetten van vermogen of het tijdelijk aangaan van schulden zakelijke overwegingen ten grondslag lagen.

Het wetsvoorstel wijzigt verder enkele reeds bestaande bepalingen zodat het forfaitaire rendementspercentage bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.

Nota van wijziging

In de nota van wijziging is voor de toepassing van de gebruiksvergoeding van art. 3.17 lid 1 onderdeel c Wet IB 2001 geregeld dat de gebruiksvergoeding niet negatief kan worden. Hiermee wordt een bijtelling bij de winst voorkomen. Voor de berekening van het forfaitaire voordeel uit vrijgestelde en buitenlandse beleggingsinstelling is ook geregeld dat het rendement niet negatief kan worden. De overige wijzigingen volgens de nota van wijziging zijn vooral redactioneel van aard.

Tweede nota van wijziging

Het kabinet stelt voor om een massaal bezwaar plus-procedure in te richten voor de niet-bezwaarmakers box 3. Alle niet-bezwaarmakers met box 3-inkomen over de jaren 2017-2020 kunnen aanspraak maken op een nadere uitspraak van de Hoge Raad in deze procedure. De niet-bezwaarmakers hoeven dus geen verzoeken om ambtshalve vermindering meer in te dienen.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022 (V-N 2022/23.3) volgt dat er geen juridische verplichting is om aan de niet-bezwaarmakers rechtsherstel te bieden. Het kabinet heeft tijdens de integrale besluitvorming over de begroting besloten om geen op rechtsherstel gerichte compensatie te bieden aan de niet-bezwaarmakers vanwege budgettaire – en uitvoeringsgevolgen.

Naar aanleiding van de vele verzoeken tot ambtshalve vermindering door niet-bezwaarmakers heeft de staatssecretaris overleg gevoerd met betrokken partijen. Hieruit is het voorstel tot een massaal bezwaar plus-procedure gekomen. Het wordt daarmee mogelijk om een procedure massaal bezwaar aan te wijzen wanneer dezelfde rechtsvraag van belang is voor de beslissing op een groot aantal verzoeken tot ambtshalve vermindering.

Om de procedure ‘massaal bezwaar plus’ mogelijk te maken is een wetswijziging nodig. Hiertoe wordt door de staatssecretaris een nota van wijziging ingediend op het Belastingplanpakket. Voor het formuleren van de rechtsvraag treedt de staatssecretaris de komende periode in overleg met betrokken partijen.

Het kabinet staat nog achter haar eerdere beslissing en verwacht niet dat nieuwe procedures voor niet-bezwaarmakers een grote kans op rechtsherstel opleveren.

Zie ook het thema over het wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3.

Stand van zaken:

Het wetsvoorstel is ingediend bij de Tweede Kamer. Op 10 november 2022 heeft de Tweede Kamer het voorstel aangenomen. Ook is amendement nr. 9 aangenomen. Dit betekent dat de anti-peildatumarbitragebepaling uit de Overbruggingswet box 3 in 2024 wordt geëvalueerd. De Eerste Kamer heeft op 20 december 2022 het voorstel aangenomen.

id-1ffb4d96-a56b-4513-b69e-b1645c412e58

Documenten bij dit thema

Wetgeving in wording

Kies voorgestelde versie in de tijdsbalk bij het wetsartikel. Hier is vergelijken van versies ook mogelijk.

Art. 2.17 Wet IB 2001

Art. 3.17 Wet IB 2001

Art. 4.14 Wet IB 2001

Art. 5.2 Wet IB 2001

Art. 5.13 Wet IB 2001

Art. 5.24 Wet IB 2001

Art. 9.7 Wet IB 2001

Art. 10.6ter Wet IB 2001

Begrijpelijk ongeduld Hoge Raad leidt tot kostbare en gammele hersteloperatie, WFR 2023/17

Over 6,17%, Louis van Gaal en reclamefolders, WFR 2023/10

Heden en toekomst van box 2 en box 3, WFR 2023/13

Oud en nieuwnummer V-N, V-N 2023/1.2

Overbruggingswet box 3. Nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer, V-N 2022/57.6

Overbruggingswet box 3. Memorie van antwoord Eerste Kamer, V-N 2022/57.5

Overbruggingswet box 3. Tweede nota van wijziging, V-N 2022/52.6

Massaalbezwaarplus-procedure voor niet-bezwaarmakers box 3, V-N 2022/50.5

Wetsvoorstel Overbruggingswet box 3. Nota van wijziging, V-N 2022/47.10

Wetsvoorstel Overbruggingswet box 3. Nota naar aanleiding van het verslag, V-N 2022/47.9

Box 3 in het belastingplan 2023 hink-stap-sprong door de tijd, WFR 2022/183

Wetsvoorstel Overbruggingswet box 3. Nader rapport, V-N 2022/43.12

Wetsvoorstel Overbruggingswet box 3. Wettekst en artikelsgewijze toelichting, V-N 2022/43.11

Wetsvoorstel Overbruggingswet box 3. Memorie van toelichting. Algemeen, V-N 2022/43.10

Pas in 2026 invoering box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement, V-N 2022/39.6

Staatssecretaris geeft inzicht in rechtsherstel box 3 en overbruggingswetgeving 2023-2024, V-N 2022/20.3

De forfaitaire rendementsheffing: stoot het Ministerie van Financiën zich voor de tweede maal aan dezelfde steen? WFR 2022/147

Box 3 in 2017 en 2018 in strijd met recht van eigendom en gelijkheidsbeginsel (Kerstarrest), V-N 2022/2.3

Parlementaire geschiedenis

Documenten: