Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.33.1
2.33.1 Wijze van heffing, uitvoering en handhaving
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS304040:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1990/91, 21 februari 1991, p. 53-3074 lk.
Hofstra 2002, p. 221. Hofstra 1992, p. 239.
Kamerstukken II 1991/92, 22 697, nr. 3, p. 30.
Hulst 1932, p. 83-84.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 10.
Art. 6 lid 2 Accijnsrichtlijn. HvJ EG 5 april 2001, nr. C-325/99, G. van de Water vs. staatssecretaris, Jur. 2001, p. I-2729, BNB 2001/204, r.o. 40.
HvJ EG 5 april 2001, nr. C-325/99, G. van de Water vs. staatssecretaris, Jur. 2001, p. I-2729, BNB 2001/204, r.o. 41.
Art. 6, 15, 15bis en 15ter Accijnsrichtlijn.
Art. 21 lid 1 Richtlijn energiebelastingen. Art. 47 lid 1 onderdeel f en lid 4, 49lid 2 en lid 3 en 63 Wbm. Art. 16 onderdelen a tot en met e Wet WOZ.
Art. 4 onderdeel b Accijnsrichtlijn. Voor een omschrijving van de verschillende typen belastingentrepots zij verwezen naar art. 504 UCDW.
Art. 1a lid 1 onderdeel c Wa.
Cnossen 1977 , p. 118.
Art. 8 Accijnsrichtlijn.
Op basis van art. 7, art. 9 of art. 10 Accijnsrichtlijn.
HvJ EG 2 april 1998, nr. C-296/95, The Queen and Commissioners of Customs and Excise vs. EMU Tabac SARL, The Man in Black Ltd., J. Cunningham, in tegenwoordigheid van Imperial Tobacco Ltd. (voorhanden hebben, lidstaat waar accijns verschuldigd is, aankoop via vertegenwoordiger), Jur. 1998, p. I-1605, r.o. 42. Zie ook: Conclusie A-G Jacobs van 1 december 2005 voor HvJ EG 23 november 2006, nr. C-5/05, staatssecretaris vs. B.F. Joustra, Jur. 2006, p. I-11075.
Als bedoeld in art. 7 en art. 9 Accijnsrichtlijn.
Als bedoeld in art. 10 Accijnsrichtlijn.
Art. 6, 15, 15bis en 15ter Accijnsrichtlijn. Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 29.
‘Behoudens het financiële belang van de overheid bij het voortbestaan van accijnzen, zie ik eigenlijk maar één argument om accijnzen in te stellen dan wel te handhaven, namelijk het reguleringsmotief’1
M. Leerling,
Lid van de Tweede Kamer, 21 februari 1991
Accijnzen worden in het algemeen volgens eigenaardige technieken geheven.2 Zij zijn niet altijd terstond verschuldigd op het ogenblik waarop de goederen fysiek op het grondgebied van de Gemeenschap aanwezig zijn. Geheven wordt ter zake van de uitslag tot verbruik, het moment waarop de goederen in het vrije verkeer worden gebracht. In het belang van industrie en handel3 is het heffingspunt zo ver als mogelijk en verantwoord is gelegd in de richting van de verbruiker. Het grondprincipe ‘enkelen voldoen de accijns voor zeer velen’ vormt een belangrijk perceptiekostenbesparingselement, dat te meer effect heeft naarmate de concentratie in het bedrijfsleven toeneemt en het aantal belastingplichtigen geringer.4
De materiële accijnsschuld ontstaat op het tijdstip waarop de accijnsgoederen de fabricage- en de groothandelsschakel verlaten richting verbruiker. Zolang uitslag tot verbruik niet heeft plaatsgevonden blijft de accijnsheffing geschorst.5 De keuze voor het daadwerkelijke heffingsmoment is afgewogen tegen een verantwoorde administratievelastendruk en perceptiekosten, maar noodzaakt tot toezicht en controle op de goederen zolang de accijns nog niet in rekening is gebracht en tot nauwkeurige aanduiding van het ogenblik waarop de accijns onder uiteenlopende omstandigheden verschuldigd wordt en van de persoon van wie de betaling hetzij als hoofdschuldenaar hetzij als medeschuldenaar kan worden gevorderd. Het vroegere op fysiek toezicht gebaseerde stelsel is bij de Accijnsrichtlijn vervangen door een waarin de administratieve controle centraal staat waarbij de fysieke controle alleen nog een aanvullend karakter heeft. De heffing en de invordering vindt plaats volgens eigen procedures van de lidstaten, met de restricties dat de lidstaten daarbij dezelfde heffings- en invorderingsprocedure toepassen op nationale producten en op producten uit andere lidstaten 6 en dat de accijns zodra deze verschuldigd wordt metterdaad wordt ingevorderd.7
De heffing vindt plaats in de lidstaat waar de uitslag tot verbruik vanuit het besloten stelsel van onderling verbonden belastingentrepots plaatsvindt.8 De heffing van leidinggebonden accijnsgoederen (aardgas en elektriciteit) vindt plaats naar verbruikte hoeveelheden per aansluiting op een distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd.9 Een belastingentrepot10 is een plaats op het grondgebied van de Gemeenschap waar op grond van de wettelijke bepalingen van de lidstaat waar het entrepot zich bevindt, op basis van een vergunning accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden vervaardigd, opgeslagen, verwerkt, verpakt, ontvangen en verzonden.11 Alleen in een belastingentrepot mogen accijnsgoederen accijnsvrij voorhanden zijn, dat wil zeggen, welke nog niet zijn uitgeslagen. Vanuit een belastingentrepot mogen geen goederen worden uitgeleverd aan verbruikers.
Cnossen (1977) duidt de bedrijven binnen het stelsel van onderling verbonden belastingentrepots als extraterritoriaal, omdat geen enkel goed zonder aangifte en zonder toestemming van de douaneautoriteit in het vrije verkeer mag worden gebracht.12 Ter waarborging van de heffing worden eisen gesteld aan de administratie van de vergunninghouder.
De accijns van door particulieren voor eigen persoonlijke behoefte verworven en door hen zelf vervoerde accijnsgoederen wordt geheven in de lidstaat van verkrijging.13
De omstandigheid dat de accijns verschuldigd wordt in de lidstaat waar de uitslag tot verbruik plaatsvindt, sluit niet uit dat de accijns vanwege de commerciële bestemming van de goederen vervolgens in een andere lidstaat wordt geheven14, waar restitutie plaatsvindt van de eventueel in de lidstaat van herkomst voldane accijns.15
Met betrekking tot reeds tot verbruik accijnsgoederen wordt eerst aan heffing in de lidstaat van bestemming ofwel de lidstaat van aankomst van de goederen toegekomen indien sprake is van voorhanden hebben van deze goederen voor handelsdoeleinden16
of sprake is van verkoop op afstand17, waarbij het vervoer van de goederen voor rekening en risico van de verkoper plaatsvindt en welke ook als commerciële handeling wordt beschouwd. Het voorhanden hebben van accijnsgoederen en het verbod daarop hebben geen betrekking op overbrengingen binnen het stelsel van onderling verbonden belastingentrepots.18
De heffing geschiedt voor alle accijnzen overeenkomstig de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) door middel van voldoening op aangifte. Voldoening op aangifte is de gebruikelijke figuur voor het betalen van zakelijke belastingen die betrekking hebben op zich gedurig opnieuw voordoende belastbare feiten. Kenmerk van deze heffingstechniek is dat de belastingplichtige eigener beweging op wettelijk vastgelegde tijdstippen de door hem verschuldigd geachte belasting betaalt, overeenkomstig een tegelijkertijd door hem in te dienen aangifte. De nadruk ligt daarbij vooral op de verplichting daadwerkelijk en tijdig de verschuldigde belasting te voldoen.
Door de toepassing van heffingstechniek voldoening op aangifte zijn de accijnzen bij uitstek doe-het-zelfbelastingen, ofwel: Selbstbesteuerung. De belastingplichtige betaalt het verschuldigde bedrag, waarbij de aangifte de functie heeft van vrachtbrief met specificatie van hetgeen is voldaan. Indien later blijkt dat de belastingplichtige te veel of te weinig of in het geheel niet heeft betaald, geschiedt herstel door oplegging van een naheffingsaanslag of teruggaafbeschikking door de inspecteur.