Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.8.1
2.8.1 Selectieve belastingheffing
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS301721:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1990/91, 21 februari 1991, p. 53-3073 rk.
Zie onder meer: Kamerstukken II 1978/79, 15 658, nr. 1-2, p. 25.
Vgl. Hofstra 2002, p. 19. Hofstra 1992, p. 22. H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, Deventer: 1986, p. 25.
Hulst 1932, p. 29. Hofstra 2002, p. 19.
Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 7, p. 48.
Hulst 1932, p. 29.
Handelingen II 1981/82, 8 december 1981, p. 905 lk. Reugebrink 1978, p. 83. Cnossen 1977, p. 7.Cnossen 2005, p. 2
Handelingen II 1981/82, 8 december 1981, p. 905 lk. Hofstra 2002, p. 86.
Handelingen II 1950/51, 19 oktober 1950, p. 222 lk.
Kamerstukken II 1851/52, XI, nr. 2, p. 547 rk. Handelingen II 1853/54, 20 december 1853, p. 518.S. Vissering, Handboek der practische staathuishoudkunde, Amsterdam: 1865, par. 785. KamerstukkenII 1898/99, 65, nr. 1, p. 3 lk. Handelingen II 1874/75, 24 november 1874, p. 275-277. W.P.J. Bok, Debelastingen in het Nederlandsche Parlement van 1848-1888, (diss.), Haarlem: 1888. Handelingen II 1889/90, 21 maart 1890, p. 1032 rk.
Kamerstukken II 1851/52, XI., nr. 26, p. 593 rk.
Zie over belastingoproeren onder meer: R.M. Dekker, Protesten tegen belastingen in het verleden, in: Fiscaliteit in Nederland: 50 jaar Belastingmuseum ‘Prof. dr. Van der Poel’, Zutphen: 1987, p. 33-44.Vrankrijker 1967. C.J. van Straaten, Belasting, pauperisme, landverhuizing, Tiel: 1846.
Ook aangeduid als ‘nevendoelen’. Deze aanduiding is in die zin niet gelukkig, omdat zij suggereert, dat slechts sprake is van een subsidiaire functie naast de budgettaire hoofdfunctie, terwijl uit de parlementaire geschiedenis (zoals in het volgende hoofdstuk wordt beschreven) in een aantal gevallen duidelijk blijkt van een gelijkwaardigheid van de budgettaire functie en niet-fiscale beleidsdoelen.
Cnossen 1977, p. 8. Reugebrink 1978, p. 22.
Terra 1984, p. 25.
‘Accijnzen lijken zo abstract, maar voor degenen die ermee te maken hebben, is het toch een levende materie.’1
A.W. Paulis,
Lid van de Tweede Kamer, 21 februari 1991
Accijnzen zijn algemene belastingen.2 Een algemene belasting is een betaling aan de overheid als zodanig – niet zijnde de justitiële autoriteit – op grond van algemene wettelijke regels, waar geen rechtstreekse individualiseerbare tegenprestatie van de overheid tegenover staat en waarvan de opbrengsten rechtstreeks in de schatkist vloeien.3 Karakteristiek van belastingheffing is dat zij representeert een gedwongen bijdrage aan de gemeenschap, volgens Hulst (1932) een ‘zwangsweise Inanspruchnahme’.4 Bij de accijnzen is volgens minister Pierson (1891) de betaling niet steeds gedwongen, omdat accijnsheffing kan worden ontweken door geen of met mate accijnsgoederen aan te schaffen en omdat het in het algemeen ook de bedoeling is hen te vermijden.5 Vanuit deze optiek lijkt de inkomstenbelasting ook niet gedwongen, omdat iemand ervoor kan kiezen minder te werken of vrijwilligerswerk te verrichten en dus geen inkomen te hebben. Accijnzen kunnen evenwel gemakkelijker worden vermeden door specifieke goederen en diensten links te laten liggen. Zo berust volgens Hulst (1932) bij het individu de zelfstandige beslissing zich goederen en diensten aan te schaffen evenals de keuze om arbeid te verrichten ter verkrijging van inkomen en moet het dwangmatige karakter in deze zin worden opgevat, dat, ‘wanneer men tot een bepaalde vertering overgaat, de staat de verplichting kan opleggen om belasting te betalen’.6
Accijnzen worden geheven van specifiek aangewezen goederen en diensten en hebben daardoor het vermogen selectief te zijn, dat wil zeggen onderscheid te maken ofwel te discrimineren doordat ermee het gebruik van bepaalde goederen en diensten kan worden ontmoedigd, waardoor het gebruik van andere goederen en diensten worden aangemoedigd.7 Zo kunnen accijnzen dienen tot ondersteuning van niet-fiscale doeleinden met fiscale middelen die elk beleidsterrein kunnen betreffen.8
Ingeluid door de vastberaden minister Lieftinck (1950) met de opvatting, dat: ‘de belastingpolitiek ook gebruikt mag, ja moet worden om het sociaal-economische leven in positieve zin te beïnvloeden, d.w.z. in meer doelmatige en rechtvaardige richting te leiden’9, wordt het fiscale instrument vanaf 1946 op tal van uiteenlopende terreinen als beleidsinstrument ingezet, met als voornaamste stroming het sociaaleconomisch en sinds 1990 daarnaast nog het ecologisch instrumentalisme. In de 19e eeuw hadden de accijnzen vanuit het belastingbeginsel dat iedere burger gehouden is zijn bijdrage aan de gemeenschap te leveren, geen andere doelstelling dan het vergaren van middelen voor de schatkist en iedere burger in staat te stellen zijn bijdrage aan de staatsmiddelen te brengen. In de eerste helft van de 19e eeuw levert iedere burger zijn bijdrage aan de samenleving doordat de accijnzen met name van eerste levensbehoeften worden geheven.10 Het behoort ‘tot de vereischten van een goed belastingstelsel (…) dat naast de belastingen, die meer uitsluitend op de vermogenden in den lande en op den middenstand drukken, ook enkele zoodanige gevonden worden, waartoe ieder ingezeten zonder onderscheid eene geringe bijdrage levert’.11
De accijnzen van eerste levensbehoeften hebben in de 19e eeuw aanleiding gegeven tot veelvuldig verzet.12
Sedert het bestaan van de omzetbelasting zijn vrijwel alle accijnzen er niet alleen meer voor het vergaren van inkomsten voor de schatkist, maar op de achtergrond ook voor het realiseren van specifieke, politiek bepaalde beleidsdoelen13, zulks in tegenstelling tot de omzetbelasting, welke uitsluitend dient om inkomsten voor de schatkist te vergaren zonder andere doelen te dienen.14 Aan het rechtskarakter van een accijns zijn specifieke gevolgen verbonden. De aanduiding ‘accijns’ voor een belasting is niet alleen een kwestie van benaming, maar bepaalt ook het rechtskarakter en het daaraan verbonden rechtsgevolg van toepassing van het bestemmingslandbeginsel.15 Ook zijn de tarieven met het oog op politiek bepaalde niet-fiscale doeleinden selectief vastgesteld voor ieder specifiek accijnsgoed afzonderlijk, zulks in tegenstelling tot algemene verbruiksbelastingen, waarvoor algemene tarieven van toepassing zijn voor goederen en diensten.