Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.3.1
2.3.1 Zakelijke belastingen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS299294:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1853/54, 12 december 1853, p. 411 rk.
Aldus Hof ’s-Gravenhage 25 februari 1972, kenbaar uit: HR 7 februari 1973, nr. 16.885, BNB 1973/69. H.J.W. Klein Wassink, Gemeente-accijns niet langer taboe?, WFR 1973/353.
Handelingen II 1891/92, 27 november 1891, p. 243 rk.
Kamerstukken II 1879/80, 127, nr. 5, p. 22 rk.
Hulst 1932, p. 103.
Zie ook: Hofstra 1992, p. 33-34, 271, 280 en 287. Kamerstukken II 1854/55, XXIX, nr. 7, p. 324 rk.
Handelingen II 1850/51, 24 mei 1851, p. 8822 rk. onderaan.
Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 7, p. 48 rk.
Zie ook: Kamerstukken II 1965/66, 8304, nr. 3, p. 2 lk.
Vgl. Kamerstukken II 1980/81, 16 500, nr. 5, p. 10.
Kamerstukken II 1975/76, 13 633, nr. 5, p. 4. Diverse malen is met de tariefstelling rekening gehouden met ‘de moeilijke positie van de handel, in het bijzonder de detailhandel’. Kamerstukken II 1965/66, 8305, nr. 3, p. 1. ‘Wetstechnisch is het zeer wel mogelijk om voor bepaalde bedrijfstakken een uitzondering te maken’. Kamerstukken II 1965/66, 8302, nr. 5, p. 2 lk.
‘Daar komt bij, dat ook de vreemdeling, hij die het land slechts doortrekt, door deze middelen niet onaanzienlijk aan de inkomsten van de schatkist bijdraagt.’1
mr. E.C.U. van Doorn,
Minister van Financiën, 12 december 1853
Aan accijnzen zijn goederen en diensten onderworpen, niet personen.2 Daarmee zijn accijnzen zakelijke belastingen. De zakelijke belasting treft de eigenaar, de bezitter, de gebruiker, de genieter of de verkrijger van het belaste object, ongeacht wie, waar of wat hij is. Het onderscheid tussen persoonlijke en zakelijke belastingen is scherp en principieel. De persoonlijke belasting treft alleen de ingezetene, in sommige gevallen ook de elders wonende burger van een land. De persoonlijke belasting houdt, waar mogelijk, rekening met persoonlijke omstandigheden, zoals gegoedheid, draagkracht, inkomen, gezondheid, gezinsgrootte, studerende kinderen, bezittingen en schulden.
De zakelijke belasting doet dat niet: ‘Ieder kent het groote verschil tusschen persoonlijke en zakelijke belasting. Eene persoonlijke belasting moet rekening houden met de gegoedheid met ingezetenschap, met schulden; eene zakelijke doet dit niet’, aldus minister Pierson (1891).3 Zakelijke belastingen houden geen rekening met inkomen en gezinssamenstelling en zijn veelal degressief.4 Volgens de Wet van Engel is het deel van de uitgaven aan voeding en andere eerste levensbehoeften van een gezin groter naarmate het minder welstand geniet.5
Zoals aldus minister Van Doorn (1853) in het citaat waar deze paragraaf mee aanvangt zegt, zal ook de tijdelijk in den lande vertoevende vreemdeling door de heffing van zakelijke belastingen automatisch en niet onaanzienlijk aan ‘s lands belastingopbrengsten bijdragen.6 Bij zijn ontwerp voor de gemeentewet stelt Thorbecke (1851) voor de gemeentelijke accijnzen sterk te beperken. Aan de vooravond van die beperking betoogt het Tweede-Kamerlid Provó Kluit (1851), groot voorstander van gemeentelijke accijnzen: ‘Elk vreemdeling en tijdelijk verblijver brengt zijn penningske ten offer, en dit getal is in groote steden niet gering’. Provó Kluit acht de accijnzen zeker niet ondragelijk: ‘Ik geloof het niet met het oog op de toenemende bevolking. Vooral de hoofdstad is het toevlugtsoord. De vreemdeling en provinciaal laat zich niet afschrikken door dien vermeenden druk der belastingen, en hij weet daar zijn brood te verdienen. Hij geniet er meer welvaart dan elders, waar de accijnsen minder zijn of niet bestaan. Zoudt ge nog meerder verligting schenken, het getal der binnen- en buitenlandsche emigranten zou er nog grooter worden’.7
De specifieke of fysieke maatstaf van de zakelijke belasting impliceert dat de persoon van de belastingplichtige er voor de belastingschuld niet toe doet. Met de invoering van een zakelijke belasting is altijd voorzichtigheid geboden. Heeft zo’n belasting lang bestaan, dan heeft zich veel daarnaar geschikt; nieuw ingevoerd brengt zij altijd stoornis teweeg, aldus minister Pierson (1891).8
Uitzonderingsposities voor bepaalde bedrijfstakken sporen niet met het karakter van zakelijke belastingen en verbruiksbelastingen. Het karakter van een verbruiksbelasting is, dat uiteindelijk de eindverbruiker de belasting draagt.9 Een tegemoetkoming aan een bedrijfstak schept slechts precedenten voor andere bedrijfstakken.10 Het bedrijfsleven is betrokken bij de uitvoering van de accijnswetgeving; de omvang van het tarief is een zaak van de regering.11 Ondanks het bestaan van de interne markt bestaan vanwege de minimumharmonisatie tussen de lidstaten van de Gemeenschap nog altijd forse accijnstariefsverschillen.
Deze inbreuk op de interne neutraliteit van de interne markt kan wel degelijk concurrentieverstoringen teweeg brengen.