Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.4.1
2.4.1 Indirecte belastingen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305282:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1920/21, 10 maart 1921, p. 1777 rk.
Art. 92, art. 93 en art. 132 lid 2 EG. Art. 1 Accijnsrichtlijn.
Handelingen II 1888/89, 5 december 1888, p. 799 rk.
N.C.M.A. van den Dries, Praeadvies over de vraag: Hoe kan op basis van algemeene voor het geheele's-Gravenhage :1921, p. 30.
Hulst 1932, p. 2.
Zie ook: Hulst 1932, p. 13 en 21.
Zie: P.W.A. Cort van der Linden, Leerboek der Financiën, ’s Gravenhage: 1887, p. 169.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 116 lk. De directe belastingen komen ten laste van de belastingplichtige zelf en worden volgens Appelius niet afgewenteld: ‘deze laatsten worden of door den eigenaar of den inwoner, voor zijne bijzondere rekening betaald, zonder dat hij dezelve op eenen anderen kunne overbrengen’.
Kamerstukken II 1961/62, 6501, nr. 3, p. 3 lk. Kamerstukken II 1961/62, 6501, nr. 11, p. 3 lk.
Handelingen II 1817/18, 10 maart 1818, p. 306 lk.
Vgl. Kamerstukken II 1980/81, 17 047, nr. 2 p. 7-8.
‘Bij de belastingschuldigen, die hun belastingbiljet ontvingen, en daaruit konden zien wat zij te betalen hadden, heb ik echter nooit kunnen ontdekken, dat zij zoo verheugd waren wanneer zij dat nu precies wisten.’1
mr. S. de Vries Czn,
minister van Financiën,
10 maart 1921
Het EG-verdrag (‘de accijnzen en de overige indirecte belastingen’) en de Accijnsrichtlijn (‘accijnzen en andere indirecte belastingen’) rangschikken de accijnzen onder de indirecte belastingen.2 Accijnzen zijn dus indirecte belastingen; ‘accijnzen zijn wetenschappelijk gesproken niets anders dan indirecte belastingen’, aldus het Tweede-Kamerlid Domela Nieuwenhuis (1888) in een financieel debat.3 Indirecte belastingen worden door de belastingplichtige verschuldigd en op aangifte voldaan, maar de lasten ervan idealiter afgewenteld op degene die de belaste objecten verbruikt, zodat de uiteindelijke verbruiker de accijns draagt. ‘Sommige belastingvormen zijn er’ volgens Van den Dries (1921) ‘op gericht de belasting te innen van geheel andere personen dan van degenen, die men verwacht, dat de belasting zullen dragen’.4
Het dragen van de accijns houdt in het ondervinden van zijn druk. Bij indirecte belastingen schakelt de wetgever steeds een derde in om de belastingopbrengst binnen te halen, treffend door Hulst (1932) aldus verwoord: ‘Wil de wetgever personen treffen, die bepaalde goederen of diensten koopen, dan zal de betaling der belasting bijvoorbeeld van den verkooper kunnen worden geëischt, in de verwachting, dat hij die belasting in den verkoopprijs zal berekenen’.5 Volgens Hulst heeft de wetgever, die in het verbruik van bepaalde goederen en diensten een heffingsobject ziet, bemerkt dat het veelal onmogelijk is het verbruik rechtstreeks binnen de afzonderlijke huishoudingen te treffen, zodat hij zich – behoudens in de gevallen van verbruik van zelf voortgebrachte goederen en diensten – om het gestelde doel van belastingheffing te bereiken, moet richten op de aan het belaste verbruik voorafgaande schakels in de bedrijfskolom. De betaling aan de fiscus van de verschuldigde accijns, te vorderen in een eerder stadium dan in dat waarin het uiteindelijke verbruik geschiedt, vergt de minste inspanning.6 Degene die de accijns verschuldigd is en betaalt, loopt de kans dat hij deze ook zal dragen7, wanneer de door de wetgever beoogde afwenteling niet volledig lukt. Een deel van de druk blijft dan voor rekening van de belastingschuldige (excessive burden) en is de accijns in zoverre gedeformeerd in een directe zakelijke bedrijfsbelasting.
Door de mogelijkheden van brede spreiding van belastingdruk ziet Appelius (1816) grote opbrengstvoordelen in de heffing van indirecte belastingen boven die van directe belastingen: ‘Het is deze consideratie, Edel Mogende Heeren, welke het meest voor de invoering der Indirecte Belastingen pleit, en tevens het karakteristiek onderscheid tusschen dezelve en de directe contributien daarstelt’.8 Deze eigenschap doet de regering bij drie achtereenvolgende algemene belastingherzieningen (1815-1821) besluiten de belastingdruk breed te spreiden via accijnzen van eerste levensbehoeften. In 1961 wordt de dekking van het begrotingstekort, dat het aflopen van de Marshallhulp heeft doen ontstaan, breed gespreid over de verbruikers van minerale oliën via de nieuwe algemene oliebelasting (1962), later aangeduid als: de accijnzen van minerale oliën (1963), een grondslagverbreding van de uit 1931 daterende benzineaccijns met andere minerale oliën. 9Het grote voordeel van indirecte belastingen is ‘altijd geoordeeld daarin te bestaan, dat het op positieve voorwerpen, niet op berekeningen gevestigd is, en daardoor willekeur vermeden wordt’.10 Vooropgesteld dat de afwenteling op de consument wordt bevorderd en slaagt, is het karakter van een indirecte verbruiksbelasting niet anders dan dat van een directe belasting op het verbruik. De heffing vindt echter niet achteraf op aangifte plaats, maar in beginsel op het tijdstip waarop het goed in kwestie overgaat van de productie- of distributiesfeer naar de verbruikssfeer.
Dit doet aan het karakter van de verbruiksbelasting niet af. Het is immers de bedoeling om het verbruik door middel van de besteding te treffen. De wijze waarop verbruikt wordt, is voor de heffing van de accijns niet relevant. Binnen de indirecte belastingen kan ook een onderscheid worden gemaakt naar de werkingssfeer. De omzetbelasting drukt op de uiteindelijke particuliere consumptie vanwege het systeem van aftrek van voorbelasting. De accijnzen daarentegen zijn in deze zin niet selectief te noemen; zij zien op het verbruik door in beginsel zowel particulieren als bedrijven door zowel consumptieve als productieve bestedingen te treffen.11