Accijnzen
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/1.2.1:1.2.1 Opbouw van het onderzoek
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/1.2.1
1.2.1 Opbouw van het onderzoek
Documentgegevens:
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS301718:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1981/82, 8 december 1981, p. 875 lk.
HvJ EG 16 maart 1983, nrs. 267/81 t/m 269/81, Italiaanse administratie der staatsfinanciën vs. Societa Petrolifera Italiana Spa (SPI) en Spa Michelin Italiana (SAMI) (Gevolgen van de consolidatie van rechten in het kader van de GATT), Jur. 1983, p. 801-833, r.o. 17.
Zie bijvoorbeeld: HvJ EG 12 december 1972, nrs. 21/72 t/m 24/72, International Fruit Company NV en anderen vs. Productschap voor Groenten en Fruit (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het CBB), Jur. 1972, p. 1219.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
‘Ik ben op voorhand niet overtuigd van hetgeen zojuist is gezegd. Ik luister altijd gaarne naar het antwoord van de Regering, die in haar oneindige wijsheid ongetwijfeld zeer verstandige opmerkingen zal maken.’1
mr. H.E. Koning, lid van de Tweede Kamer,
8 december 1981
Het onderzoek richt zich op de subjecten en de objecten van accijnsheffing en op de dragers van de accijnsdruk in hun onderlinge relatie. De hoofdstukken 2 en 3 omvatten het onderzoek naar de ratio’s, dat wil zeggen de typerende eigenschappen en de rechtsgronden van de accijnzen. In hoofdstuk 2 worden de in het oog springende kenmerken en karaktereigenschappen van accijnzen benoemd. Hoofdstuk 2 zal dan ook een ideaaltypische definitie van accijnzen als uitkomst hebben. Aan de hand van deze definitie wordt ten slotte bepaald welke belastingen accijnzen zijn.
In hoofdstuk 3 wordt het onderzoek voortgezet naar de rechtsgronden van de accijnzen, naar algemene rechtsgronden die gelden voor de accijnzen in het algemeen en specifieke rechtsgronden die gelden voor de accijnzen afzonderlijk. Eerst worden daar op basis van de in hoofdstuk 2 beschreven kenmerken en eigenschappen van de accijnzen de rechtsgronden in het algemeen beschreven en vervolgens specifiek per accijns of cluster van accijnzen. Hoofdstuk 3 toont de politieke besluitvorming met betrekking tot de accijnzen, laat zien in hoeverre accijnzen volgens de wetgever sturend moeten zijn om water- en energiezuinigheid, minder roken en minder drinken te bevorderen, geeft daarvan analyses en beoogt ook een beeld te geven van de werking van de accijnzen, dat wil zeggen de gevolgen van de heffing van een accijns ten opzichte van de rechtsgronden ervan. De beschrijving van de rechtsgronden van de niet meer bestaande accijnzen zijn in deze handelseditie niet opgenomen.
Het onderzoek in de hoofdstukken 2 en 3 is afgebakend tot de accijnzen die vanaf 1805 deel uitmaken of deel hebben uitgemaakt van het vanaf dat jaar bestaande landelijke belastingstelsel. Het onderzoek omvat de periode van 1805 tot en met 2007 als onderdeel van 200 jaar accijnsheffing op landelijk niveau en is naast relevante andere bronnen uitgevoerd op basis van de parlementaire geschiedenis met de Handelingen der Staten-Generaal van 1813 tot en met december 2006 als belangrijkste gegevensbron. Met het oog op het onderzoek naar de rechtsgronden van de accijnzen, wordt aan het eind van dit hoofdstuk gedefinieerd wat onder het begrip rechtsgrond moet worden verstaan.
In hoofdstuk 4 wordt getoetst in hoeverre de rechtsgronden die in hoofdstuk 2 zijn afgeleid uit 200 jaar ontwikkelingsgang van de Nederlandse accijnzen, zijn terug te vinden in het Europese accijnsregime. Dit gebeurt aan de hand van vijf uit het onderzoek van hoofdstukken 2 en 3 afgeleide criteria. Voorts wordt aan de hand van die rechtsgronden getoetst in hoeverre het Europese accijnsregime beantwoordt aan het ideaalbeeld van de interne markt.
In hoofdstuk 5 wordt aan de hand van de uitkomsten van de toetsing van het Europese accijnsregime aan het ideaalbeeld van de interne markt de werking van het neutraliteitsbeginsel met betrekking tot de interne markt onderzocht. De interne markt behoort immers te werken als de binnenlandse markt van een willekeurige lidstaat. In dat kader komt ook het fiscale regime voor goederen van de WTO/GATTovereenkomsten aan de orde. De lidstaten van de EU en de EU zelve zijn elk als WTOverdragsluitende partij aan de WTO/GATT-overeenkomsten gebonden. De Gemeenschap heeft vanaf het tijdstip van haar oprichting van ieder van de lidstaten de uit de WTO/GATT-overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen overgenomen.2 De wil om de WTO/GATT-verplichtingen te eerbiedigen hebben de lidstaten neergelegd in het EEG-verdrag. Die wil is expliciet uitgesproken bij de aanbieding van het EEG-verdrag aan de WTO-verdragsluitende partijen.3 Voorts komen aan de orde het bestedingenbeïnvloedende en opbrengstgenererende vermogen van de Europese accijnzen. Met de uitkomsten daarvan wordt de toetsing van het Europese accijnsregime aan de vijf criteria voltooid en volgen enkele wenken om het Europese accijnsregime binnen afzienbare tijd in overeenstemming met de interne markt te brengen. Verder worden enkele praktische nieuwe toepassingen van accijnzen gepresenteerd. Vanuit het veroorzakersbeginsel worden met aanloop vanuit hoofdstuk 4 de houttax, de sojatax, de obesitax en pigouviaanse gedaanten voor de alcoholaccijns en de tabaksaccijns voorgesteld. Vanuit de beginselen van neutraliteit en doelmatigheid van belastingen wordt een blauwdruk gepresenteerd van de European Payments Tax (EPT), een vlaktax: accijnsheffing van financiële diensten in vier varianten, waarmee de a-neutrale werking van de btw-vrijstelling voor financiële diensten kan worden geneutraliseerd, eigen middelen voor de EU-begroting kunnen worden gegenereerd, de zware administratievelastendruk van de loon-, winst- en andere inkomensbelastingen en de aan het loon gerelateerde premieheffing voor de sociale zekerheid uit de Europese samenleving kan worden geëlimineerd door afschaffing van die belastingen waardoor de directe belasting- en premiedruk op arbeid en ondernemen uiteindelijk geheel verdwijnt ter bevordering van werkgelegenheid en ondernemerschap.
In hoofdstuk 6 wordt het onderzoek afgesloten met een samenvatting en conclusies.