Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.32.1
2.32.1 Cumulatie accijns en omzetbelasting
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305285:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1968/69, 10 189, nr. 2, p. 8 rk.
Ook de voormalige BVP en BVM behoorden tot de maatstaf van heffing van de omzetbelasting.Wanneer btw verschuldigd was, werd deze berekend over de prijs, inclusief BVB.
Art. 8 Wet OB 1968. Cnossen 1977 , p. 23, noot 2. De BPM vormt hierop een uitzondering; de BPM maakt geen deel uit van de heffingsgrondslag van de omzetbelasting over het motorrijtuig.
Kamerstukken II 1968/69, 10 087, nr. 5, p. 9 rk. Kamerstukken II 1975/76, 13 633, nr. 5, p. 3.
De BPM behoort niet tot de vergoeding waarover ter zake van de levering van een (nieuw) voertuig omzetbelasting wordt geheven omdat de BPM voor de omzetbelasting het karakter heeft van een zogenoemde doorlopende post.
Zie bijvoorbeeld: Hof ’s-Hertogenbosch 5 augustus 2003, nr. 98/4098, V-N 2003/59.1.15 en V-N 1999/47.2.2.
Cnossen 2005 , p. 7.
Kamerstukken II 1975/76, 13 633, nr. 5, p. 3-4.
Kamerstukken II 1968/69, 10 087, nr. 5, p. 9 rk.
Kamerstukken II 1938/39, 186, nr. 3, p. 2 rk. ‘Aan art. 7, tweede lid, der Omzetbelastingwet 1933, Staatsblad, n°. 546, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 augustus 1938, Staatsblad n°. 407, wordt de volgende zin toegevoegd: In dit verband worden het volgens post 135 van het bij de tariefwet 1934 behoorende tarief verschuldigde invoerrecht op thee en het ingevolge de Benzinewet 1931 verschuldigde bijzonder invoerrecht op benzine niet als een invoerrecht maar als een accijns aangemerkt’, zie: Kamerstukken II 1939/40, 403, nr. 2, p. 17 lk.
‘Voor de bedrijfstakken waarin de goederen worden vervaardigd, zijn verbruiksbelastingen in het algemeen niet gericht op een lastenverzwaring. Zowel de algemene verbruiksbelasting – de omzetbelasting – als de bijzondere – de accijns – behoort te drukken op het verbruik door de consument van de goederen’1
dr. H.J. Witteveen en dr. F.H.M. Grapperhaus,
Bewindslieden van Financiën, april 1969
Zoals gezegd, zijn de accijnzen bijzondere verbruiksbelastingen die op gelijke wijze als andere prijsbepalende factoren een kostprijselement vormen van de prijs die de uiteindelijke verbruiker voor de goederen en diensten moet betalen. De accijns maakt deel uit van de prijs en daarmee tevens van de vergoeding, de maatstaf van heffing van de omzetbelasting. De omzetbelasting wordt geheven over het bedrag dat de consument besteedt, derhalve over de prijs van de goederen waarin de accijns is begrepen.2 Over de accijns als bestanddeel van de prijs moet dus ook omzetbelasting worden voldaan.3 Volgens de EG-richtlijnen inzake de geharmoniseerde btw moet de btw worden geheven over de door de consumenten bestede prijs met uitzondering van de btw zelf.4 Zowel de communautaire accijnzen als de niet-communautaire accijnzen zijn – behalve de BPM5 – bestanddeel van de kostprijs, de maatstaf van heffing van de omzetbelasting.6
Vanwege dit kostprijselement zou het methodisch niet juist zijn om de accijnzen buiten de heffing van omzetbelasting te houden. Bovendien wordt aldus de allocatiefunctie van de accijnzen prioriteit gegeven boven de inkomstengenererende functie van de omzetbelasting.7 Zou de accijns wel buiten de maatstaf van heffing van de omzetbelasting blijven, dan komt daarbij nog het praktische bezwaar, dat bij die methode voor iedere uitslag en iedere levering het accijnsbestanddeel van de consumentenprijs moet worden bepaald, hetgeen een uitzonderlijk zware administratievelastendruk op het bedrijfsleven en met name de detailhandel zou leggen.8 De bewindslieden zien in het feit dat omzetbelasting wordt geheven over de accijns geen reden te twijfelen aan de rechtvaardigheid van de heffing van omzetbelasting.9 Toch maakt de accijns onder het regime van de Wet OB 1933 géén deel uit van de maatstaf van heffing.
Het is de bedoeling van de toenmalige wetgever het begrip accijns zeer ruim op te vatten. Alle met accijns overeenkomende heffingen moeten op dezelfde voet worden behandeld als de accijns. Er wordt geen omzetbelasting geheven over crisisheffingen, zoals de benzinebelasting (de benzineaccijns), die op dat moment in de vorm van een bijzonder invoerrecht wordt geheven.10 In 1939 is wettelijk bevestigd, dat het bijzonder invoerrecht van benzine een accijns is.11 Eerder besliste de Tariefcommissie (1937) dat het bijzonder invoerrecht op benzine voor de toepassing van de Wet OB 1933 een accijns is en derhalve op grond van de toen bestaande redactie van artikel 7 Wet OB 1933 niet tot de maatstaf van heffing behoorde.12