Accijnzen
Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.28.1:2.28.1 Effecten op inkomensverdeling
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.28.1
2.28.1 Effecten op inkomensverdeling
Documentgegevens:
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS298051:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1874/75, p. 277 lk. Vrankrijker 1967, p. 113.
Handelingen II 1915/16, 20 juli 1916, p. 2553.
Handelingen II 1915/16, 20 juli 1916, p. 2542 lk.
Handelingen II 1980/81, 17 december 1980, p. 2234 mk.
Handelingen II 1981/82, 8 december 1981, p. 905 lk.
Kamerstukken II 1983/84, 18 137, nr. 5, p. 1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
‘De loonen kan men alleen treffen door accijnsen en daarom zijn de accijnsen gevaarlijk.’1
mr. J. Kappeyne van de Coppello,
Lid van de Tweede Kamer, 24 november 1874
Essentieel zijn de effecten van accijnzen op de inkomensverdeling, dat wil zeggen op degenen op wie de accijnslast uiteindelijk komt te drukken. Uiteindelijk zullen de lasten, afhankelijk van de marktomstandigheden, worden afgewenteld en gedragen door de eindverbruiker of door de producent en de eindverbruiker tezamen.2 In hoeverre dit het geval is, hangt af van een aantal, deels met elkaar samenhangende factoren.
Daarbij doet zich de omvang van een tariefsverhoging en de daaruit resulterende prijsverhoging gelden. Bij de mate waarin een tariefsverhoging wordt doorberekend, speelt de aanwezigheid van gelijkwaardige substituten die niet of minder zwaar belast zijn, een rol. De afwenteling kan ook worden beïnvloed door het assortiment van de leverancier. Een gevarieerd aanbod, waaronder ook niet selectief belaste goederen, vergroot de mogelijkheid de inkomstenderving die bij een volledige doorberekening het gevolg is van een vermindering van het verbruik van het desbetreffende goed, elders op te vangen. De consument kan besluiten zich met de hoeveelheid of de kwaliteit van een ander product te matigen.3 Onderzoek naar het effect van een prijsverhoging op de vraag naar een goed of dienst moet steeds worden gebaseerd op de relatieve wijziging van de prijs, die altijd veel geringer is dan de absolute prijsverandering.
Een verandering van de prijs van een bepaald product mag niet los van de algemene prijsbeweging wordt beschouwd.4
Wanneer een goed of dienst aan accijnsheffing wordt onderworpen en een substitueerbaar gelijkwaardig goed of dienst buiten de heffing blijft, zullen de producenten van het belaste goed of de dienstverleners de accijns niet volledig kunnen afwentelen, omdat alternatieve gelijkwaardige concurrerende goederen of diensten zonder accijns lager geprijsd zijn.5 De accijns leidt dan tot een daling van het ondernemersinkomen, afhankelijk van de prijsgevoeligheid van het product. Afnemers van het product dragen een navenant kleiner deel van de last. In het algemeen wordt rekening gehouden met substitutie en de meso-economische gevolgen voor concurrentieposities. In het algemeen wordt bij voorgenomen accijnsverhogingen in zekere mate rekening gehouden met die concurrentiepositie, hetgeen tot uitdrukking kan komen door te kiezen voor een samenstel van verhogingen. Zo is geregeld niet alleen de sigarettenaccijns verhoogd, maar ook die van het vervangende product, de kerftabak (shag).6
De producenten van de substituten waarvan de productie niet of in mindere mate aan de heffing wordt onderworpen, bevinden zich in de positie dat zij naar alle waarschijnlijkheid zowel vergroting van de verkochte hoeveelheden kunnen realiseren als wellicht een zekere prijsverhoging, zolang er maar een relatieve prijsdaling van hun product overblijft. De afnemers van deze substitutieproducten dragen in dit laatste geval bij aan een verbetering van het ondernemingsinkomen van deze producenten als indirect gevolg van de heffing die aan het productieproces van de concurrerende producten wordt opgelegd. Dit relatief hogere ondernemersinkomen van de laatste groep producenten zal ertoe leiden dat de producenten van de eerste groep zullen overgaan op andere productieprocessen dan wel op de productie van de substituties die niet belast zijn. Dit roomt het relatieve hogere ondernemersinkomen weer af, en tendeert naar herstel van het prijsniveau van vóór de introductie van de accijnsheffing.
Naarmate een langere tijdsperiode wordt overzien, is deze tendens van grotere kwantitatieve betekenis. Bij opeenvolgende accijnsverhogingen laat het herstel van de afzetvermindering vanzelfsprekend langer op zich wachten. Het tijdelijke karakter wordt ten principale niet aangetast. In dit verband is van belang in hoeverre de accijnsverhogingen boven het inflatietempo uitgaan. Verbruiksverminderingen worden veelal veroorzaakt door zowel een tijdelijke vraagvermindering als verschuivingen in de tijd.7
In het algemeen geldt dat de accijnslasten verdeeld zullen worden tussen producenten en consumenten, waarbij er zowel zullen zijn die een tijdelijke inkomensderving zullen ondergaan als die tijdelijk een inkomenstoename zullen kunnen realiseren door een toename van de verkochte hoeveelheden, al dan niet in combinatie met een prijsstijging. De mate waarin de lasten worden afgewenteld en over marktpartijen worden verdeeld is afhankelijk van de marktomstandigheden. Naarmate de verbruiker over alternatieven beschikt waardoor hij eventueel het dragen van de accijns kan vermijden, behoeft voor hem de accijnsheffing geen of althans minder inkomstenderving te betekenen.