Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.23.1
2.23.1 Afwenteling
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS300503:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1915/16, 198, nr. 3, p. 8 lk., par. 4.
Kamerstukken II 1969/70, 10 301, nr. 3, p. 6. HR 14 januari 2005, nr. C03/167HR JMH/RM (Ahold), LJN AR0220. Hof ’s-Gravenhage: 27 februari 2003, nr. C00/499 (Ahold), FED 2003/311.
P.B. Boorsma, Afwenteling en oligopolie, (diss.), Freiburg: 1973, p. 68.
H.J. Tasman, Afwenteling van belastingen, (diss.), Amsterdam: 1889, p. 30.
P.W.A. Cort van der Linden, Leerboek der Financiën, ’s Gravenhage: 1887, p. 164. H.J. Tasman, Afwentelingvan belastingen, (diss.), Amsterdam: 1889, p. 72.
H.J. Tasman, Afwenteling van belastingen, (diss.), Amsterdam: 1889, p. 30.
Kamerstukken II 1968/69, 10 189, nr. 2, p. 8 rk.
Kamerstukken II 1932/33, 142, nr. 7, par. 11, p. 15 lk.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 116 lk.
Handelingen II 1817/18, 10 maart 1818, p. 306 lk.
Vgl. Cnossen 1977 , p. 39-40.
N.C.M.A. van den Dries, Praeadvies over de vraag: Hoe kan op basis van algemeene voor het geheelebelastingrecht geldende begrippen en beginselen meerdere eenvoud in dit recht worden bevorderd?, ’s-Gravenhage: 1921, p. 30. ‘Ware dit zoo niet, dan zouden belastingen als de invoerrechten, de accijnzen (en verschillende andere) in hun tegenwoordige heffingsvorm niet voor handhaving vatbaar zijn’.
Hulst 1932, p. 6.
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1965/66, 8304, nr. 3, p. 2 lk. Kamerstukken II 1831/32, IV I, nr. 4, p. 226-227.
Kamerstukken II 1908/09, 217, nr. 5, p. 5 lk. Om deze reden vallen aanpassingen van accijnstarieven buiten prijsbeschikkingen. Kamerstukken II 1968/69, 10 087, nr. 5, p. 2 lk.
Handelingen II 1968/69, 21 mei 1969, p. 2958 rk. Kamerstukken II 1975/76, 13 633, nr. 7, p. 1. Hof's-Gravenhage 27 februari 2003, nr. C00/499, FED 2003/311, r.o. 8 (a) en 12.
H.J. Tasman, Afwenteling van belastingen, (diss.), Amsterdam: 1889, p. 1.
Hulst 1932, p. 9 en 90
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1932/33, 142, nr. 7, par. 11, p. 15 lk.
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1966/67, 8836, nr. 5, p. 2-3 (accijnsverlaging openbaar vervoer), en Handelingen II 2001/02, 13 november 2001, p. 23-1665 (verfrissingsconvenant). NRC Handelsblad 16 november 2001. Kamerstukken II 1970/71, 10 902, nr. 5. Zie ook: Aanhangsel 1969-1970, p. 625.
P.B. Boorsma, Afwenteling en oligopolie, (diss.), Freiburg: 1973, p. 18.
F.H.M. Grapperhaus, Belasting op produktiefactoren, WFR 1995/1525. C.A. de Kam en V. Halberstadt, Belastingpolitiek en inkomensverdeling: veertig maanden later, WFR 1979/769. P.B. Boorsma, Afwenteling en oligopolie, (diss.), Freiburg: 1973, p. 124.
Handelingen II 1972/73, 27 juli 1973, p. 2230-2231.
H.J. Tasman, Afwenteling van belastingen, (diss.), Amsterdam: 1889, p. 1, 46-47, 68-70 en 73, 78-79.
P.B. Boorsma, Afwenteling en oligopolie, (diss.), Freiburg: 1973, p. 61.
Terra 1984, p. 34, noot 70.
Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 7, p. 16 rk. De afwenteling van de lasten van de per 1 juli 2008 in werking komende vliegbelasting is in art. 79 Wbm wel wettelijk verplicht gesteld.
Conclusie A-G De Wit 10 juni 2004 voor HR 7 januari 2005, nr. 39.536, LJN AQ0526, r.o. 4.11 slotzin. Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 9, p. 14.
Kamerstukken II 1963/64, 7185, nr. 5, p. 1.
Handelingen II 1963/64, 5 november 1963, p. 287 lk.
Kamerstukken II 1946/47, 433, nr. 7, p. 9-10.
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1969/70, 10 308, nr. 6, p. 2.
Kamerstukken II 1968/69, 10 189, nr. 2, p. 10 lk.
Kamerstukken II 1969/70, 10 308, nr. 6, p. 2.
Terra 1984, p. 32-36.
Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, p. 28 rk.
Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 7, p. 16 rk.
Kamerstukken II 1968/69, 10 087, nr. 5, p. 2. Vgl. Hulst 1932, p. 28-29.
Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 13 lk. Handelingen II 1972/73, 27 juli 1973, p. 2230-2231.
Kamerstukken II 1965/66, 8302, nr. 5, p. 2 lk. Kamerstukken II 1968/69, 10 189, nr. 2, p. 8.
Vgl. Hof 's-Gravenhage 27 februari 2003, nr. C00/499, FED 2003/311, r.o. 8 (a). HR 14 januari 2005, nr. C03/167HR JMH/RM, LJN AR0220.
Kamerstukken II 1904/05, Bijlage A, 2. Hoofdstuk I, nr. 5, p. 22 lk.
Kamerstukken II 1939/40, 403, nr. 3, p. 34 lk.
Kamerstukken II 1975/76, 13 633, nr. 7, p. 1.
Kamerstukken II 1962/63, 6735, nr. 5, p. 2 lk. Handelingen II 1962/63, 5 maart 1963, p. 838 lk.
HvJ EG 19 oktober 2000, nr. C-216/98, EC vs. Griekenland (minimumkleinhandelsverkoopprijzen), Jur. 2000, p. I-8921, r.o. 32.
Kamerstukken II 1960/61, 6101, nr. 3, p. 20 rk. Zijlstra maakt de verhoging van de omzetbelasting ongedaan, welke handeling de schatkist ƒ 15 miljoen kost.
Kamerstukken II 1965/66, 8302, nr. 5, p. 2 lk.
Handelingen II 1891/92, 30 juni 1892, p. 1132 rk. Kamerstukken II 1895/96, 121, nr. 9, p. 46-47. Handelingen II 1902/03, 2 juli 1903, p. 1399 rk.
Handelingen II 1880/81, 22 maart 1881, p. 1049 rk.
Hulst 1932, p. 2-3.
Handelingen II 1850/51, 17 oktober 1850, p. 42. Zie ook: Handelingen II 1850/51, 17 oktober 1850, p. 43. Handelingen II 1850/51, 24 december 1850, p. 506-508 en 523. Handelingen II 1850/51, 24 mei 1851, p. 874-882. Handelingen II 1851/52, 29 maart 1852, p. 996 lk. Handelingen II 1854/55, 7 juni 1855, p. 822-823. Handelingen II 1854/55, 9 juni 1855, p. 875-876. Charles Louis Gaston, Marquis d’Audiffret, Système financier de la France (2 vols., 1840; 3rd edn., 6 vols., 1863-70).
Zie bijvoorbeeld: Handelingen II 1978/79, 10 mei 1979, p. 4894 lk. Handelingen II 1972, 1 november 1972, p. 786 rk.
Kamerstukken II 1996/97, 25 000, nr. 1, p. 27-28.
‘Het is intussen bekend genoeg, dat het vraagstuk der belasting afwenteling behoort tot de moeilijkste onderdeelen van de leer der belastingen en dat het bij de meeste der belastingen, die gewoonlijk onder de directe worden gerangschikt, van allerlei omstandigheden afhangt of en in hoever zij op anderen kunnen worden afgewenteld‘1
mr. M.W.F. Treub,
Minister van Financiën, 1915
Afwenteling is een onlosmakelijk kenmerk van de accijnzen.2 Volgens Boorsma (1973) is afwenteling het proces waarbij de belastingplichtige de daling van zijn reëel beschikbare inkomen tegengaat door prijsverhoging, gepaard gaande met productieinkrimping.
Maatstaf voor de vraag of afwenteling optreedt is hierbij dan niet de mate van prijsstijging, maar de mate waarin de vermindering van het reëel beschikbare inkomen, welke vermindering als gevolg van de accijnsheffing (of -verhoging) zou optreden bij constante prijs en hoeveelheid, teniet gedaan wordt door de doorberekening in de prijs.3 Bij afwenteling gaat het om het overdragen van de last op de volgende of voorgaande schakel(s) in de bedrijfskolom via een prijsmutatie. Volgens Tasman (1889) is afwenteling de overdracht van belastingen in het ruilverkeer.4
Geschiedt afwenteling door de belastingplichtige op anderen dan is sprake van overwenteling.
Wordt de overgewentelde last op derden afgewenteld, dan is sprake van voortwenteling. Openbaart zich een reactie, die tot bewegingen in tegenovergestelde richting aanleiding geeft, zoals de opwaartse druk op de lonen in de 19e eeuw als gevolg van de accijnzen van eerste levensbehoeften, dan is er terugwenteling.5
Algemeen wordt een verandering in de prijs gezien als het instrument om belastingdruk af te wentelen. Er zijn twee manieren van afwenteling van belastingdruk: 1. afwenteling op de afnemers door middel van prijsverhoging, welk proces dan aangeduid wordt als voortwenteling, en 2. afwenteling van de last op de leveranciers van productiefactoren door verlaging van de factorbeloningen, welk proces wordt aangeduid als terugwenteling. Daarnaast wordt soms kruiselingse afwenteling toegepast: een producent van meerdere producten wentelt de last van de accijns van product A af op de afnemers van product B. Volgens Tasman kunnen zowel voort- als terugwenteling meer dan eens voorkomen.6
Accijnzen worden in de literatuur en de parlementaire geschiedenis verondersteld via de prijzen van accijnsgoederen en -diensten op de uiteindelijke verbruiker te worden afgewenteld7; ‘de normale werking van de accijnzen is, dat zij door den verbruiker van het belaste artikel worden betaald’8, aldus minister De Geer (1932), en ‘ bovendien brengt de aard der in te voeren middelen, als welke altijd op den consummateur nederkomen, mede, dat men zich zeer vergissen zoude, bijaldien men als principe wilde aannemen, dat de last drukt daar, waar dezelve wordt geheven, vermits het niet moeijelijk zoude zijn met voorbeelden te bewijzen, dat veeltijds slechts het geringste gedeelte van het bezwaar in die provincien zal worden gevoeld, in welke de belasting bijna voor het geheel wordt gepercipieerd’, aldus Appelius (1816).9 Volgens het Tweede-Kamerlid Van Alphen (1818) heeft iedere verbruiker zich verbonden de accijns bij de aankoop van goederen te betalen: ‘dat elk consommateur, als het ware, zich verbonden had, om den bepaalden impost op de bepaalde artikelen te betalen’.10
Voorts wordt algemeen verondersteld dat de afwenteling van accijnzen volledig plaatsvindt. Hoe elastischer het aanbod en inelastischer de vraag, hoe groter de accijnslast die de uiteindelijke verbruiker draagt ten opzichte van de producent. Verder wordt aanbod op de langere termijn verondersteld elastischer te zijn, zodat afwenteling op de verbruikers beschouwd kan worden als de meest aannemelijke uitkomst.11
Volgens Van den Dries (1921) zijn in het afwentelingsproces allerlei niet te beheersen invloeden werkzaam, doch desondanks geldt dat ‘met een groote mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld, hoe het verloop der afwenteling in het algemeen zijn zal’.12 ‘De direct geldelijke last eener belasting, geheven ten opzichte van een bepaald object, zal worden verdeeld tusschen koopers en verkoopers in verhouding van de elasticiteit van het aanbod van dat object tot de elasticiteit van de vraag daarnaar’, zo stelt Hulst (1932).13
De accijnzen zijn niet bedoeld te drukken op degenen die accijnsgoederen voortbrengen.
Het rechtskarakter van een indirecte verbruiksbelasting zegt immers, dat de verbruiker uiteindelijk de last draagt.14 Zou afwenteling niet kunnen of mogen plaatsvinden, dan zijn de accijnzen gedeformeerd tot directe productiebelasting.15 Daarom worden, volgens minister Witteveen (1969), ondernemers in de eerste plaats geacht de accijns via hun prijzen aan de verbruiker in rekening te brengen.16 Volgens Hulst (1932) drukt de accijns, geheven bij de producent of importeur, door prijsverhoging op de verbruiker of door beperking van het verbruik op die producent of importeur.
Volgens Tasman (1889) ‘zijn directe belastingen die, waarbij de wetgever verwacht dat de betaler (aangeslagene) zelf den druk der belasting gevoelen en er niet in slagen zal dien op anderen over te brengen; indirecte daarentegen diegene, waarbij hij om verschillende redenen niet de personen belast, die hij eigenlijk wenscht te treffen, in de hoop dat het hier den betalers (meestal kooplieden of fabrikanten) der belasting wel gelukken zal hun voorschot (als zoodanig is het betalen der belasting dan te beschouwen) op dezen te verhalen’.17
Geheel op de verbruiker drukken gewoonlijk alleen accijnzen van goederen die geheel prijsinelastisch zijn, zoals die van noodzakelijke levensmiddelen. Wordt de vraag elastischer, dan leidt de accijns tot beperking en heeft hij minder afwentelingsmogelijkheden.
De mate waarin de afwenteling zich voltrekt, is groter naargelang belanghebbenden van de causale samenhang tussen accijnsheffing en prijsverhoging beter op de hoogte zijn. Wanneer een accijns de prijzen met zijn volle bedrag vermag te verhogen en desondanks de afzet daaronder niet zou lijden en derhalve sprake is van volledige afwenteling, hebben volgens Hulst (1932) de marginale voortbrengers en aanbieders geen nadeel van de accijnsheffing, behalve wanneer de totale hoeveelheid koopkracht begrensd is, waardoor de vraag naar noodzakelijke goederen en diensten afneemt. Waar overigens accijnsheffing overheveling van koopkracht inhoudt of substitutie bewerkstelligt, zal nieuwe vraag ontstaan.18 Het autonome afwentelingsproces wordt van overheidszijde niet belemmerd of onmogelijk gemaakt19, maar zo nodig bevorderd.20 De afwenteling is niet afhankelijk van tijd of plaats of van het weer.21
Afwenteling wordt ook niet opgevat als een proces dat door de ondernemer zelf wordt uitgeoefend, maar door de markt.22 De mate waarin op microniveau belastingafwenteling plaatsvindt is volgens Grapperhaus (1995) een van de geheimen die econometristen nog steeds niet hebben weten te ontsluieren.23
Conform de bedoeling van de wetgever wordt de accijns als indirecte verbruiksbelasting door de producent of importeur aan de fiscale autoriteit voldaan en doorberekend (afgewenteld) in de prijzen van goederen en diensten en overgedragen aan de uiteindelijke verbruikers van deze goederen en diensten.24 Om dit proces mogelijk te maken moet de wetgever de afwenteling van accijnzen dan ook in de wetgeving mogelijk maken, althans niet belemmeren. De uiteindelijke drukverdeling welke resulteert na de al of niet geslaagde afwenteling in diverse richtingen wordt in de Angelsaksische, Duitse en Franse literatuur aangeduid als directe en de indirecte incidence of Inzidenz. Hieronder wordt verstaan: het uiteindelijke rustpunt van de belastingdruk in geld gemeten en de verdeling daarvan welke resulteren nadat de primaire reacties van belastingplichtigen hebben plaatsgevonden. Het gaat dan zowel om de omvang van de druk als om de plaats waar de druk neerslaat. Onder directe incidence wordt verstaan: de volledige belastingdruk die de belastingplichtige draagt zonder pogingen in het werk te stellen de last te verminderen. Onder indirecte incidence wordt verstaan: de drukverdeling welke resulteert na de verschillende afwentelingsprocessen.
Indien het een producent van goederen of diensten is gelukt de accijnslast op een ander over te dragen, zodat die ander een vermindering van zijn beschikbaar inkomen ondergaat, zijn weer verdere reacties van die ander mogelijk.
Een meer algemene regel voor de afwenteling van belastingen dan dat steeds de zwakste partij bij een transactie, dat wil zeggen de partij die het meeste belang heeft bij de totstandkoming van de verkeershandeling de belasting draagt, bestaat naar de opvatting van Tasman (1889) niet: ‘Den leveranciers, die om de eene of andere reden zeer gewild zijn, zal de afwenteling gemakkelijk vallen. Zij die minder gelukkig zijn, voor wie het verlies van één klant reeds een gevoelige slag is, zullen òf niet licht hierin slagen òf de afwenteling zelfs niet eens beproeven. De zooeven gegeven regel geldt ook hier: »de zwakste draagt de belasting”. De omstandigheden kunnen maken dat dit telkens andere personen zijn. Al of niet afwenteling in een bepaalde richting is hier niet aan te geven. De incidence is onzeker’.
Wat de voortwenteling van lasten betreft zal naarmate de opvolgende dragers van de lasten tegenover volgende schakels in de keten meer in gelijke positie staan als de belastingplichtige tegenover de eerste op wie de last wordt afgewenteld, naar die mate de beweging gemakkelijker in dezelfde richting voortgaan. Waar zich in de keten een grote wijziging voordoet, zoals een afnemer die minder behoefte heeft aan het product van zijn voorganger dan deze op zijn beurt had, kan de voortwenteling worden gestuit en de belasting haar rustpunt vinden.
Tussen aanbod en afwenteling bestaat volgens Tasman een duidelijk verband: ‘Hoe kleiner van omvang de belaste productie is, des te meer kans op afwenteling is er’.
Alleen bij kleiner aanbod kan tot hogere prijzen een rustpunt gevonden worden. Is tegelijkertijd sprake van welvaartsgroei, dan kan evenwel dezelfde vraag blijven bestaan: ‘Dan zal de belasting afgewenteld kunnen worden door allen. Alle bestaande ondernemers kunnen blijven produceeren hun vroegeren afzet. Beperking van het aanbod is niet noodig’. Het is ‘duidelijk dat ter beoordeeling van een belastingstelsel, uit het oogpunt van eene juiste verdeeling van den last, de nadruk valt op de feitelijke verdeeling’. De wetgever en de overheid hebben grote invloed op afwenteling van belastingen. Zij kunnen de positie van belastingplichtigen die hun lasten willen afwentelen versterken of verzwakken.
Besteedt de overheid de opbrengsten van een belastingregeling aan de aflossing van staatsschulden, dan belemmert zij de afwenteling door renteverhoging. Legt de overheid daarentegen voor die opbrengst productieve werken aan, dan versterkt zij de kapitaalvraag en vergemakkelijkt daarmee de afwenteling. Tasman: ‘De staat vraagt producten, vraagt arbeid; in den regel is dit een vraag van groote intensiteit. Overal heeft dit invloed. In het algemeen echter is hierover weinig te zeggen. Bij de invoering van een nieuwe belasting met het oog op een bepaald doel is hier met eenige zekerheid eene voorspelling te wagen. Niet alleen door zijne uitgaven (de besteding van de opbrengst der belastingen) heeft de staat invloed op de afwenteling. Ook door zijne economische rechtsorde, door de bepalingen over vrijheid van trek, van beroep, van invoer e. d. bevordert of belemmert hij de afwenteling. Vrijheid van beweging bevordert voor den arbeider de afwenteling der direct of indirect op hem drukkende belastingen.
Gebondenheid aan een bepaalde woonplaats maakt ze vrijwel onmogelijk, anders dan op den langen duur. Vrijheid van invoer tegenover een accyns in het binnenland maakt afwenteling in de prijzen illusoir. Een hoog invoerrecht vergemakkelijkt haar ongemeen’.25
Naast verschillende andere incidence-begrippen, zoals gewenste en feitelijke, is dit tweetal van primaire betekenis in de afwentelingstheorie. Zijn immers de mogelijkheden tot afwenteling bekend, dan worden volgens Boorsma (1973) tevens uitspraken mogelijk over de gewenste drukverdeling.26 De Kam en Halberstadt (1979) en Terra (1984) wijzen op het onderscheid tussen het heffingspunt van de belasting, de statutory of impact incidence (het drukpunt ofwel interventiepunt volgens de betreffende heffingswet) en het uiteindelijke rustpunt van de belastingdruk, de economic incidence (het feitelijke drukpunt ofwel het economisch neerslagpunt van een belasting in werkelijkheid).
Het drukpunt volgens de heffingswet houdt eenvoudig in wie degene is van wie de belasting wordt geheven: de belastingplichtige. Belangrijker is dan uiteraard wie de last ervaart, weer te geven met de economic ofwel effective incidence, welke omvat de gedragsreacties van de belastingplichtigen en het afwentelingseffect daarvan resulterend in wie uiteindelijk de last van die belasting dragen. In het licht van het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid is daarbij de drukverdeling na afwenteling van belang. Indien afwenteling naar de intentie van de wetgever plaats moet vinden, behoort hij belastingregels te maken welke leiden naar het beoogde afwentelingsresultaat, niet uitgedrukt in statutory incidence, maar in termen van economic incidence.27 Een verplichting tot afwenteling bestaat volgens de bewindslieden niet en kan niet bestaan, omdat zo’n verplichting nooit met zekerheid kan bewerkstelligen dat het beoogde effect ook wordt bereikt.28 Ook bestaat er geen verplichting de accijns zichtbaar te factureren aan de afnemer van goederen en diensten.29 Voorts mag afwenteling niet afhangen van tijd of plaats.30 Het leggen van verbanden tussen winstcijfers van een bedrijf of bedrijfstak enerzijds en anderzijds de verhoging van een accijns heeft geen betekenis.31
Hoewel een accijns waarvan de lasten in het geheel niet worden of niet kunnen worden afgewenteld moeilijk voorstelbaar is32, wijst de praktijk echter uit dat accijnzen om uiteenlopende redenen niet steeds volledig afwentelbaar zijn, met name niet als het goederen of diensten aangaat met een meer prijselastische vraag.33 Bij concurrentie van soortgelijke en andere substitueerbare producten is volgens de bewindslieden in de Nota inzake belastingheffing van energie (1968) geen sprake van volledige afwenteling en werkt de accijns verstorend: ‘Zouden de aardolieproducten nergens concurrentie ondervinden van het aardgas of van geïmporteerde steenkolen, dan zouden onder normale omstandigheden de verbruiksbelastingen volledig in de marktprijzen tot uitdrukking komen. De accijns is namelijk voor alle aanbieders van hetzelfde produkt gelijk. Slechts indien de onderlinge concurrentie extreem fel is of indien de marktprijs door b.v. een verhoging van de accijns zo hoog wordt dat, ondanks de inelasticiteit van de vraag, daardoor de afzet vermindert, bestaat de kans dat de verbruiksbelastingen niet of niet geheel hun weerslag vinden in de prijzen’.34
In 1967 blijft het geregeld openbaar vervoer buiten de verhoging van de benzineaccijns en de dieselaccijns. Deze uitzondering is blijkens de toelichting op het wetsontwerp opgenomen in het kader van het algemene streven het openbaar vervoer te bevorderen. Het gaat volgens de bewindslieden niet om het scheppen van fiscale voorrechten voor bepaalde ondernemingen – waarin de overheids- of semi-overheidsondernemingen dan een overwegende plaats innemen – doch veeleer om de kosten van het openbaar vervoer voor de gebruikers binnen redelijke perken te houden. De accijnzen van benzine en van diesel zijn immers verbruiksbelastingen, die bestemd zijn om door de uiteindelijke consument van de prestaties te worden gedragen en deze is dan ook degene, die uiteindelijk van de maatregel voordeel heeft.35
Afwenteling vindt voor verschillende maatschappelijke en economische sectoren niet in evenredige mate plaats. Daarom beantwoordt afwenteling van belastingen niet aan enig verdelingsbeginsel. Buiten twijfel staat dat afwenteling invloed heeft op de feitelijke belastingdrukverdeling36 en dat het welslagen van het proces van afwenteling dat in verschillende verhandelingsstadia onderweg van producent naar uiteindelijke consument plaatsvindt, concurrentieneutraliteit niet alleen een economische aangelegenheid is, maar ook, vanwege de vormgeving van belastingen om afwenteling ongestoord mogelijk te maken, een juridische.37
Afwenteling leidt ertoe dat reserves in acht moeten worden genomen tegenover belastingheffing als geschikt instrument voor herverdeling van inkomen.38 Of de afwenteling van de belasting via de prijs van het product slaagt, is immers steeds een kwestie van vraag en aanbod op de vrije markt waar vrije prijsvorming plaatsvindt, de uitkomst van een zuiver economisch proces.39 Vraag en aanbod bepalen de mate van afwenteling en dus ook de mate van sturing en de opbrengst. Lukt, zoals gezegd, de door de wetgever beoogde afwenteling niet of niet volledig, dan deformeert de accijns in zoverre tot een directe zakelijke bedrijfsbelasting.40
Het welslagen van afwenteling is afhankelijk van uiteenlopende marktfactoren, zoals concurrentiepositie, prijselasticiteit, substitutie, eindigheid van de vraag41, wereldmarktprijzen.42 De uiteindelijke verbruikers, consumenten en producenten, burgers en bedrijven, worden verondersteld de accijns uiteindelijk te dragen.43 De prijsvorming wordt overgelaten aan de markt.44 Gedurende de ‘30-er jaren van de 20e eeuw nemen bierbrouwers en jeneverbranders om commercieel strategische redenen een deel van de bieraccijns respectievelijk gedistilleerdaccijns voor eigen rekening45 en ziet ook de slijtersbranche zich herhaaldelijk voor het probleem gesteld de accijns niet geheel in de gedistilleerdprijs kwijt te kunnen.46 Toch wordt er van regeringszijde in volhard dat de bieraccijns een verbruiksbelasting en geen productiebelasting: ‘Zoals algemeen wordt aanvaard, zijn de accijnzen te beschouwen als verbruiksbelastingen; dit geldt ook voor de bieraccijns. (…) De ondergetekende is dan ook gaarne bereid hier uitdrukkelijk te verklaren dat de gekozen omschrijving geen aanleiding zal zijn om deze accijns te gaan beschouwen als een produktieheffing’.47 Maar ook in de ‘80-er en ‘ 90-er jaren van de 20e eeuw berekenen de bierbrouwers de bieraccijns om commerciele redenen niet geheel in hun productprijzen door. De armslag daarvoor is beperkt door de omvang van de winstmarges van de producent, zodat deze vroeg of laat toch in de kleinhandelsverkoopprijzen zullen zijn doorberekend.48
Minister Zijlstra (1960) kenschetst de druk van de sigarettenaccijns en de omzetbelasting als zware last die drukt op de bedrijfstak, niet op het product. Vrees voor repercussies op de omzet had de sector ervan weerhouden de lasten in de prijzen door te berekenen. Als gevolg daarvan was een gedeelte van de verhoging door de sector voor eigen rekening genomen. De bewindsman achtte het ‘niet gewettigd deze extra last te bestendigen’.49 De afwenteling van de accijns op de consument is een bedrijfseconomische keuze en verschilt in wezen niet van andere bedrijfskosten die de ondernemer bij de consument in rekening brengt en moet brengen, wil de ondernemer enige winst behalen of niet failliet gaan. Een eventuele afwenteling van de accijns op de consument kan er onder omstandigheden toe leiden of zal ertoe leiden dat de ondernemer minder omzet en minder winst maakt als gevolg van de prijselasticiteit van de betrokken accijnsgoederen. In een markt met min of meer volledige concurrentie worden ondernemers die door het bedingen van een lagere prijs trachten hun marktaandeel te vergroten geconfronteerd met het marktgedrag van of een reactie daarop van concurrerende aanbieders. Deze zullen dit marktgedrag moeten volgen en hun prijs eveneens moeten aanpassen teneinde hun marktaandeel te kunnen behouden. Onder deze marktomstandigheden kan worden aangenomen, dat accijnsgoederen voor een lagere prijs worden verhandeld dan de heffing van de betrokken accijns, die in wezen als een kostprijsverhogende factor geldt en die ook is bestemd om door de consument te worden gedragen, achterwege zou blijven. Een nieuw evenwicht in de betrokken markt zal worden bereikt zodra het kostenvoordeel volledig in de prijs is verwerkt, dat wil zeggen, zodra de prijs met een bedrag is verlaagd dat met de betrokken accijns overeenkomt. Bij dit evenwicht zullen in een markt met min of meer volledige concurrentie, de marktaandelen van de betrokken aanbieders uiteindelijk weer op eenzelfde of vergelijkbaar niveau komen te liggen als voorheen. Extra bedrijfslasten die ontstaan doordat de accijnsdruk niet of niet geheel kan worden afgewenteld, vormen geen reden om accijnsheffing achterwege te laten. Een voorgenomen accijnstariefverhoging kan daar niet op afstuiten. Deze omstandigheden zijn vanzelfsprekend wel reden om zorgvuldigheid te betrachten door ‘bij het vaststellen van het voorgestelde tarief van de accijns met omzichtigheid te werk te gaan’.50
Soms treedt onderafwenteling of overafwenteling op. Onderafwenteling is het verschijnsel dat een verlaging van het accijnstarief slechts beperkt in de prijzen van goederen en diensten wordt doorgegeven. Dit kan zich voordoen gedurende korte tijd na een tariefsverlaging. De vrije markt zal aanbieders nadien tot volledig doorgeven van het voordeel hebben gedwongen.51 Overafwenteling is het verschijnsel dat meer in de prijs wordt afgewenteld dan de omvang van een accijnstariefverhoging: ‘de tusschenpersoon die voor den verbruiker de belasting betaalt, neemt er ook nog het zijne van’ door bijvoorbeeld zijn prijzen naar boven af te ronden.52 Hulst (1932) sluit niet uit, dat ondernemers in het afwentelingsproces van de accijns als kostenbestanddeel in de prijs voor zichzelf een graantje meepikken: ‘De mogelijkheid zal daarbij niet uitgesloten behoeven te zijn, dat het algemeen opslagpercentage voor winst ook dit kostenbestanddeel treft, dus de prijs hierdoor extra hooger wordt gesteld’.53 Overafwenteling is in beginsel een aangelegenheid van de vrije markt. Wordt dit effect voorzien, dan mogen overheidsmaatregelen daarop niet afstuiten. Het uitgangspunt is dat prijzen stijgen in dezelfde mate als accijnsverhogingen. Het is de norm dat de accijnsverhogingen door de verbruiker worden gedragen. Er wordt voor gewaakt dat overafwenteling uitblijft.54
Ten slotte kan sprake zijn van afwenteling in de loonkosten en de prijzen van diensten.
In de 19e eeuw is op vele momenten het afwentelingsvraagstuk actueel in discussies over de invoering van de nog niet bestaande inkomstenbelasting. Vele politici propageren de afschaffing van de accijnzen van eerste levensbehoeften onder invoering van een inkomstenbelasting voor een rechtvaardiger verdeling van lasten. Degenen die de inkomstenbelasting overbodig achten, betrekken de stelling dat de werkgevers accijnzen en andere lasten al via de lonen voor hun rekening nemen. Illustratief is het standpunt van het Tweede-Kamerlid en oud-minister Baron van Hall (1850): ‘In het loon dat de arbeider voor zijn arbeid ontvangt, wordt hem vergoed en moet hem vergoed worden de belasting door hem betaald, zoodat de belasting ten laatste altijd neêrkomt op hem die verteert of laat werken’.55
Voorkoming van afwenteling in de lonen staat in de belangstelling vanaf de ‘70-er jaren van de 20e eeuw, wanneer keuzen moeten worden gemaakt uit verhoging van de directe belastingen of verhoging van indirecte belastingen, beleid wordt ingezet om lasten te verschuiven van directe naar indirecte belastingen ter verzwaring van milieuschadelijk, rook- en drinkgedrag onder verlichting van de lasten op arbeid en ondernemen, en wigverkleining: minimalisering van het verschil tussen werkgeverslasten en nettolonen (ook door verschuiving van belastingdruk van directe naar indirecte belastingen), die als bevorderlijk voor de werkgelegenheid wordt gezien.56 Verzwaringen van lasten brengt voor de werkgelegenheid het risico van afwenteling door looneisen in hogere arbeidskosten met zich mee. De samenstelling van de collectieve inkomsten en lasten worden beïnvloed door internationale verhoudingen. Internationale concurrentie oefent druk uit op belasting van mobiele grondslagen, met name kapitaal, en op belastingen die hun neerslag vinden in de loonkosten en dus in de (prijs)concurrentiepositie en de werkgelegenheidsontwikkeling. Niet alleen betreft dit de directe lasten op arbeid, maar ook indirecte lasten kunnen concurrentieposities beïnvloeden, als deze leiden tot afwenteling in arbeidskosten. De miljoenennota 1997 laat zien, dat ook indirecte lasten concurrentieposities kunnen beïnvloeden, voorzover deze leiden tot afwenteling in arbeidskosten, en dat de aanwending van de opbrengsten van de EB voor lagere tarieven op arbeid voor de werkgelegenheid het risico van afwenteling in hogere arbeidskosten met zich meebrengt. Het verlagen van de lasten op arbeid en ondernemen is er dan ook in de eerste plaats op gericht om de inkomensgevolgen te verlichten en om afwenteling tegen te gaan. Naar de mate waarin dit beleid een breed draagvlak kent en afwenteling in te hoge loonkosten wordt voorkomen, kan een dergelijke verschuiving van directe lasten op arbeid naar indirecte belastingen een positief werkgelegenheidseffect creëren.57