Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/5.3.1
5.3.1 Consumptieve en productieve bestedingen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305321:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 125 lk.
HvJ EG 7 december 2000, nr. C-482/98, Italië vs. EC (EC verleent Italië geen toestemming om vrijstelling van accijns te weigeren voor bepaalde producten die zijn vrijgesteld van accijns uit hoofde van richtlijn 92/83 – cosmetische producten), Jur. 2000, p. I-10861, r.o. 4.
Art. 27 Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken.
Art. 11 Structuurrichtlijn tabaksproducten.
Een energieproduct wordt duaal gebruikt wanneer het zowel als verwarmingsbrandstof als voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof wordt gebruikt. Het gebruik van energieproducten voor chemische reductie of elektrolytische en metallurgische procedés wordt als duaal gebruik beschouwd.
De productieprocessen als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 3037/90 van de Raad van 9 oktober 1990 betreffende de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap zijn ondergebracht onder code DI 26 'Vervaardiging van overige niet-metaalhoudende minerale producten' van de NACE-nomenclatuur, (PbEg 1990, L 293/1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 29/2002 van de Commissie, (PbEg 2002, L 6/3). Art. 2 lid 4 eerste volzin onderdeel b vijfde streepje Richtlijn energiebelastingen.
Onder het begrip productkosten wordt verstaan: de som van de totale aankoop van goederen en diensten, de personeelslasten en de afschrijving van kapitaalgoederen, berekend op basis van het gemiddelde per eenheid. Onder het begrip elektriciteitskosten wordt verstaan: de feitelijke aankoopwaarde van de elektriciteit of de voortbrengingskosten van de elektriciteit, ingeval de elektriciteit in het bedrijf wordt gegenereerd.
Art. 2 lid 4 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 14 lid 1 aanhef en onderdeel a Richtlijn energiebelastingen.
Art. 69a Wa.
Kamerstukken II 2003/04, 29 207, nr. 3, p. 24.
Als bedoeld in art. 10 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 23 Accijnsrichtlijn.
HvJ EG 10 juni 1999, nr. C-346/97, Braathens Sverige AB, voorheen Transwede Airways AB, vs. Riksskatteverket Zweden, Jur. 1999, p. I-3419, r.o. 24-26.
Idem, r.o. 29.
‘Zijne Majesteit heeft gewild, dat de meeste zorg bij het ontwerpen van het nieuwe stelsel van Indirecte Belastingen wierd aangewend’1
mr. Jean Henri Appelius,
Staatsraad en directeur-generaal der In- en Uitgaande Regten en Accijnsen, 7 juni 1816
Zoals gezegd, treffen de accijnzen in beginsel zowel consumptieve en productieve bestedingen van aangewezen goederen onder het uitgangspunt het verbruik van accijnsgoederen als hulp- of grondstof voor productieve doeleinden voor de heffing zo veel mogelijk te ontzien. Dit uitgangspunt is ook in het Europese accijnsregime terug te vinden. De uitvoeringsrichtlijnen treffen productieve bestedingen uitsluitend in het belang van duurzame ontwikkeling, volksgezondheid, doelmatigheid een rechtvaardige verdeling van de belastingdruk en maakt, zoals reeds is beschreven, onderscheid tussen persoonlijk verbruik en handelsdoeleinden.
Voor de accijnzen van alcohol-, energie- en tabaksproducten gelden ten behoeve van productieve bestedingen verplichte en facultatieve accijnsvrijstellingen.
De Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken bevat verplichte en facultatieve vrijstellingen. De ratio van deze vrijstellingen is de weerslag van de accijns van alcohol als tussenproduct in de samenstelling van commerciële of industriële producten te neutraliseren.2Verplichte accijnsvrijstellingen gelden voor alcohol die volledig gedenatureerd is, voor alcohol ten behoeve van de vervaardiging van niet voor menselijke consumptie bestemde producten, van azijn, van geneesmiddelen, van aroma’s voor de bereiding van levensmiddelen, van niet-alcoholhoudende dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 1,2%vol, en van levensmiddelen waarvan het alcoholgehalte niet meer bedraagt dan 8,5 liter absolute alcohol per 100 kilogram product voor chocola, en 5 liter absolute alcohol per 100 kilogram product voor andere producten.
Voorts zijn verplicht vrijgesteld alcoholhoudende goederen die worden gebruikt als monster voor analyses, noodzakelijke productietests of wetenschappelijke doeleinden, ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, in ziekenhuizen en apotheken voor medische doeleinden, bij productieprocessen, mits het eindproduct geen alcohol bevat, of bij de vervaardiging van goederen waarvoor volgens de Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken geen accijnzen verschuldigd zijn. De toepassing van de vrijstellingen voor gedenatureerde alcohol mag door een lidstaat worden geweigerd bij gevaar van fraude, ontduiking of ander misbruik. De vrijstellingen mogen worden verleend met behulp van teruggaafregelingen.3
Facultatieve accijnsvrijstellingen gelden voor gedenatureerde tabaksproducten die voor industriële of tuinbouwkundige doeleinden worden gebruikt, voor tabaksproducten die onder overheidstoezicht worden vernietigd, die uitsluitend zijn bestemd voor wetenschappelijke proefnemingen en voor tests in verband met de kwaliteit van de tabaksproducten en voor tabaksproducten die door de producent opnieuw worden beof verwerkt.4
Energieproducten die niet als brandstof worden gebruikt, zijn expliciet van de werkingssfeer van de Richtlijn energiebelastingen uitgesloten. De Richtlijn energiebelastingen is niet van toepassing op warmte, brandhout en houtskool, op energieproducten gebruikt voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof, op duaal gebruik van energieproducten5, op elektriciteitsverbruik ten behoeve van chemische reductie en van elektrolytische en metallurgische procedés6, en op elektriciteit die meer dan 50% van de kosten van een product veroorzaakt.7 De lidstaten kunnen daarom zelf beslissen hoe zij omgaan met dit verbruik.8 Verplicht vrijgesteld van EB zijn ook energieproducten en elektriciteit ten behoeve van de elektriciteitsproductie en elektriciteit ten behoeve van de instandhouding van het elektriciteitsproductievermogen.9 Deze verplichte inputvrijstelling omvat naast aardgas ook andere energieproducten (zoals minerale oliën: halfzware olie, gasolie en zware stookolie) ten behoeve van de elektriciteitsproductie, en moet worden verleend voor energieproducten die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit.10 De ratio van deze vrijstelling is dat het uiteindelijke energieproduct, de elektriciteit, wordt belast (outputbelasting) en dat de energieproducten die worden gebruikt voor de vervaardiging dan wel opwekking daarvan (de input) moeten worden vrijgesteld. In dat kader past ook het beginsel dat geen vrijstelling wordt verleend voor de input ingeval de elektriciteit niet wordt belast.11 De lidstaten kunnen ervoor kiezen deze inputenergieproducten uit milieubeleidsoverwegingen toch te belasten zonder de minimumtarieven in acht te nemen. De belastingdruk die dat oplevert wordt niet meegeteld bij de berekening van de minimale belastingdruk op elektriciteit.12
Ten slotte mogen de nationale regels voor de bevoorrading van schepen en luchtvaartuigen met andere accijnsgoederen dan energieproducten vooralsnog worden gehandhaafd.13
Mits voldoende bepaald zijn deze vrijstellingen ook op nationaal niveau gewaarborgd, door de Braathens-regel. Het HvJ EG heeft in het de Braathens-arrest (1999) beslist dat een communautaire vrijstelling rechtstreeks doorwerkt op nationaal niveau waar geen nationale accijnzen mogen worden geheven op grondslagen die in communautair verband zijn vrijgesteld. Zou dit wel zo zijn, dan zou de communautaire vrijstelling door nationale belastingheffing ieder nuttig effect verliezen.14 De Braathensregel heeft directe werking15, nu de betreffende vrijstellingsbepaling de lidstaten een onvoorwaardelijke vrijstellingverplichting oplegt.16 Naar vaste rechtspraak van het HvJ EG kan in alle gevallen waarin bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig lijken te zijn, wanneer niet tijdig uitvoeringsmaatregelen zijn vastgesteld, op deze bepalingen een beroep worden gedaan tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is of wanneer die bepalingen rechten vastleggen die de burger tegenover de overheid van de lidstaat kunnen doen gelden.17