Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.10.1
2.10.1 Van specifieke goederen en diensten
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS304035:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
B. Schendstok, Elementair belastingrecht voor economisten, Alphen aan den Rijn: 1946, p. 29.J. Reugebrink, Over accijnzen, Smeetsbundel, Deventer: 1967, p. 281-282.
H. Ph. Adan, Loi Générale du 26 août 1822, Bruxelles: 1837, p. 8.
HvJ EG 9 maart 2000, nr. C-437/97, Evangelischer Krankenhausverein Wien vs. Abgabenberufungskommission Wien alsmede Wein & Co. HandelsgesmbH, voorheen Ikera Warenhandelsgesellschaft mbH vs. Oberösterreichische Landesregierung, Jur. 2000, p. I-1157, r.o. 24. HvJ EG 17 september 1997, nr. C-130/96, Fazenda Pública vs. Solisnor-Estaleiros Navais SA, Jur. 1997, p. I-5053, r.o. 19-20. HvJ EG 16 december 1992, nr. C-208/91, Raymond Beaulande vs. Directeur des services fiscaux de Nantes, Jur. 1992, p. I-6709, r.o.16.
Art. 401 BTW-richtlijn (tot 1 januari 2007: art. 33 Zesde BTW-richtlijn). HvJ EG 9 maart 2000, nr. C-437/97, Evangelischer Krankenhausverein Wien vs. Abgabenberufungskommission Wien alsmede Wein & Co. HandelsgesmbH, voorheen Ikera Warenhandelsgesellschaft mbH vs. Oberösterreichische Landesregierung, Jur. 2000, p. I-1157, r.o. 25.
Art. 401 BTW-richtlijn (tot 1 januari 2007: art. 33 Zesde BTW-richtlijn). De lidstaten zijn niet meer bevoegd belastingen te handhaven of in te voeren die het karakter van omzetbelasting bezitten. Zoals gezegd is de btw geen algemene verbruiksbelasting, omdat belangrijke sectoren zoals de financiële sector daarvan zijn vrijgesteld.
Art. 3 lid 2 en lid 3 Accijnsrichtlijn. Wél mogen de lidstaten binnen de kaders van de Accijnsrichtlijn nationale specifieke belastingen op specifieke goederen en diensten laten voortbestaan of nieuwe introduceren.
Hofstra 2002, p. 161. Hofstra 1992, p. 180.
Kamerstukken II 1949/50, 1703, nr. 3, p. 1.
B. Schendstok, Elementair belastingrecht voor economisten, Alphen aan den Rijn: 1946, p. 29. J. Reugebrink, Over accijnzen, Smeetsbundel, Deventer: 1967, p. 281-282.
Tot 1 januari 2007 art. 33 Zesde BTW-richtlijn.
Art. 3 lid 3 slotzin Accijnsrichtlijn. HvJ EG 19 maart 1991, nr. 109/90, Giant NV vs. Gemeente Overijse, Jur. 1991, p. I-1385, r.o. 15.
‘Bij wijze van vertrekpunt zou ik in navolging van Schendstok de accijnzen willen omschrijven als ‘bestedingsbelastingen op binnenlands verbruik van speciale produkten’’ 1
prof. mr. J. Reugebrink,
1967
Accijnzen worden geheven ter zake van het binnenlands verbruik van specifiek aangewezen goederen, diensten en handelingen. Adan (1837) geeft in zijn commentaar op de Algemene Wet Invoerrechten en Accijnzen 1822 de navolgende definitie van accijnzen: ‘Les droits d’accise constituent un impôt intérieur sur certaines denrées, qui se fait dans le pays. C’est-à-dire sur la consommation, du sucre, du sel, du vin, de la bière, du vinaigre et des eaux de vie’. In de definitie van Adan is het element ‘specifieke goederen’ (‘certaines denrées’) pregnant aanwezig.2 Accijnzen zijn bijzondere verbruiksbelastingen ter zake van specifiek aangewezen goederen en diensten, derhalve te onderscheiden van de algemene verbruiksbelasting, de omzetbelasting, ofwel: de btw. Doordat deze laatste het verbruik van in beginsel alle goederen en diensten beoogt te treffen, heeft de als accijns gepreciseerde bijzondere verbruiksbelasting het verbruik van een beperkt aantal gespecificeerd omschreven goederen tot heffingsobject.
Een verbruiksbelasting die niet tot doel heeft alle economische handelingen te treffen, is geen algemene verbruiksbelasting3, en al om deze reden heeft zo’n belasting niet het karakter van een omzetbelasting.4 Er is dan dus sprake van een bijzondere verbruiksbelasting. De btw wordt in EG-verband geduid als de én de enige algemene verbruiksbelasting.5 De btw is als algemeen bedoelde verbruiksbelasting een essentieel financieringsinstrument voor de lidstaten. Haar rechtsgrond is geen andere dan de budgettaire ratio. De tarieven zijn daarom niet geïndexeerd. De accijnzen zijn óók financieringsinstrument, maar hebben daarnaast een gedragsbeïnvloedende ratio.
Sommige hebben geïndexeerde tarieven, waarmee deze gedragsratio wordt geaccentueerd.6
Hofstra-Niessen (2002) definiëren de accijnzen aldus: ‘De accijnzen, zijnde bijzondere verbruiksbelastingen op bepaalde goederen’.7 Het Benelux-verdrag 1950 verstaat onder accijnzen: ‘alle belastingen op speciale goederen, welke belastingen door haar betrekkelijke hoogte voor de prijsvorming en aldus ook voor het verbruik van die goederen van veel betekenis zijn’.8 Schendstok (1946) en Reugebrink (1967) definiëren accijnzen als: ‘bestedingsbelastingen op binnenlands verbruik van speciale produkten’.9 Deze definitie is zo ruim dat, aldus Reugebrink, daaronder zonder bezwaar ook de verhoogde tarieven van de omzetbelasting kunnen worden begrepen. Dit zijn wij niet met Reugebrink eens. De omzetbelasting is als algemene verbruiksbelasting een afzonderlijk heffingssysteem, waarmee wordt beoogd alle, en geen specifieke goederen en diensten met een geheel eigen heffings- en tariefstructuur te treffen. De omzetbelasting is daarmee geen accijns, wat er ook zij van die tariefstructuur. Wel bestaan zekere verbanden tussen deze (thans niet meer bestaande) verhoogde tarieven en de bestedingsbelastingen die in de heffingswetten als accijnzen worden aangeduid.
De reeds aangehaalde BVB en BPM bijvoorbeeld, vormen een sequeel van het vroegere, thans in EG-verband niet meer toegestane verhoogde btw-tarief. De BVB en de BPM zijn beide accijnzen. In een van de debatten over de afschaffing van het nihiltarief voor kerosine onderstreept minister Netelenbos van V&W (1998): ‘Het gaat hier dus feitelijk om een accijns in de gebruikelijke betekenis, namelijk een verbruiksbelasting op speciale producten’.10
In EG-verband kunnen op basis van artikel 3 van de Accijnsrichtlijn en artikel 401 van de BTW-richtlijn11 naast de communautaire accijnzen, die alle geheven worden van specifieke goederen, ook niet-communautaire accijnzen worden geheven van zowel specifieke goederen als diensten.12