Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.21.1
2.21.1 Gewenning en onmerkbaarheid
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS304038:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1880/81, 22 maart 1881, p. 1048-1049 lk.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 117 rk.
Minister Van Doorn in: Handelingen II 1853/54, 12 december 1853, p. 411 rk.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 116 lk.
Handelingen II 1854/55, 7 juni 1855, p. 823. Handelingen II 1880/81, 23 december 1880, p. 1044 lk. Handelingen II 1891/92, 28 juni 1892, p. 1104. Handelingen II 1920/21, 10 maart 1921, p. 1760 rk. en 1777 rk.
Handelingen II 1880/81, 23 december 1880, p. 1044.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 116 lk.
Handelingen II 1920/21, 10 maart 1921, p. 1777 rk.
Zoals bij de jaarlijkse aanslagen in de OZB.
Cnossen 1977 , p. 111.
Handelingen II 1850/51, 31 mei 1851, p. 996 rk.
Handelingen II 1950/51, 18 oktober 1950, p. 216 lk.
W.C. Mees, Opmerkingen omtrent gelijke verdeeling van belasting, in: Verslagen en Mededeelingender Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde, 2e Reeks, deel V, Amsterdam: 1874.
N.F. Canard, Principes d’économie politique, Parijs: 1801, p. 197.
Hulst 1932, p. 4.
E. van Voorthuijsen, Over het invoeren en afschaffen van accijnsen, Utrecht: 1851, p. 41.
Minister Van Doorn in: Handelingen II 1853/54, 12 december 1853, p. 411 rk., aangehaald door het Tweede-Kamerlid De Man in: Handelingen II 1853/54, 21 december 1853, p. 537 rk.
H.W.C. Bordewijk, De theorie der belastingen en het Nederlandsche belastingwezen, Zwolle: 1930, p. 379.
Handelingen II 1850/51, 24 mei 1851, p. 874 lk.
H.J.W. Klein Wassink, De ideologie van het belastingrecht, Cyns en Dyns, Deventer: 1975, p. 98.
Dit uitgangspunt is opgenomen in art. 7 Wet OB 1933. TC17 oktober 1938, nr. 1895 O, BIB 6822. Kamerstukken II 1938/39, 186, nr. 3, p. 2 rk. Kamerstukken II 1939/40, 403, nr. 2, p. 17 lk.
Kamerstukken II 1851/52, XI, nr. 2, p. 547 rk. Handelingen II 1853/54, 20 december 1853, p. 518.Vissering 1865, par. 785. Kamerstukken II 1898/99, 65, nr. 1, p. 3 lk. Handelingen II 1874/75, 24 november 1874, p. 275-277. Bok 1888. Handelingen II 1889/90, 21 maart 1890, p. 1032 rk. Cnossen 1977 , p. 111.
Hofstra 2002, p. 160-161.
Kamerstukken II 2004/05, 29 800, nr. 1, bijlage 3, tabel 3.1.1.
Kamerstukken II 1989/90, 21 407, nr. 5, p. 23.
Handelingen II 1857/58, 15 februari 1858, p. 318-319. Handelingen II 1920/21, 10 maart 1921, p. 1777 rk.
Cnossen 1977 , p. 112.
‘Het is dat men ze zoo onmerkbaar betaalt.’1
mr. S. Vissering,
Minister van Financiën, 22 maart 1881
De gangbare objecten van accijnsheffing zijn voor een belangrijk deel historisch bepaald.
Tastbare en in het oog springende waren met handelswaarde zijn van oudsher gangbare voorwerpen van accijnsheffing, die eeuwenlang bij gebrek aan inkomsten-, winst- en vermogensbelastingen voor de noodzakelijke opbrengsten hebben gezorgd.
Gewenning aan belaste objecten, ‘langdurige gewoonte en eene wezenlijke stijving voor ‘s Lands schatkist’2 is een belangrijke bestaansreden, welke is gepaard aan de inelasticiteit en dus de opbrengsten van belastingen. Eenmaal genomen, dan handhaven zij zich lange tijd. De ouderdom van een belastingregeling is een bestaansoorzaak die niet over het hoofd gezien mag worden, omdat gewoonte de bezwaren tegen een oude belastingregeling in belangrijke mate kan hebben weggenomen.3
Appelius (1816), de ontwerper van het tweede belastingstelsel (1816-1819), schrijft de accijnzen cruciale voordelen toe, waaronder de relatieve onmerkbaarheid van de heffing.4 De onmerkbaarheid van heffing via de prijzen wordt algemeen als een voordeel gezien van indirecte belastingheffing, meer in het bijzonder van accijnsheffing.
De relatieve ongemerktheid van indirecte belastingheffing is een kenmerk dat bij landsbestuurders en volksvertegenwoordigers zowel sympathie als reserves oproept.5 Onmerkbaarheid lijkt synoniem aan een lage belastingdruk, een druk die althans via indirecte heffing en gewenning vrijwel niet wordt gevoeld en ogenschijnlijk slechts in schijn bestaat6 ‘en ook hierin is deze aanprijzing voor de Indirecte Belastingen gelegen, in ieder Land waar de behoeften van den Staat niet toelaten zich tot weinige en geringe impositien te bepalen, dat de betaling ongevoelig, ja dikwijls bijna onwetend geschiedt’.7
Accijnzen zijn onzichtbaar versluierd in de prijzen van goederen en diensten. Wanneer goederen en diensten verkocht worden tegen inclusiefprijzen, is de betaling van de accijns minder pijnlijk dan wanneer afzonderlijk op de factuur in rekening gebracht.
Kopers zijn zich minder bewust van het belastingbedrag dat zij via de prijs betalen en soms zelfs in het geheel niet bewust van het bestaan ervan. Belastingheffing naar het beginsel van de minste pijn, welk beginsel de heffing van accijnzen doet samenvallen met inkomensbesteding, en de onmerkbaarheid van accijnsheffing hebben belangrijke voordelen.8 Het afgenomen besef van het betalen van belasting vermindert irritaties over accijnsdruk9 en bevordert de overdrachten naar de publieke sector.10 Naarmate een natie zich in een toestand van welvaart gaat bevinden, verspreidt zich de accijnsdruk ongemerkt over de bevolking11: ‘Al kopende, betaal je belasting’, aldus het Tweede-Kamerlid Hoogcarspel (1950).12
Volgens Mees (1874) zijn oude belastingen altijd beter dan nieuwe, omdat naar de oude zich alles in de maatschappij heeft geschikt, terwijl naar de nieuwe de maatschappij zich nog moet schikken13: ‘tout vieil impôt est bon, et tout nouvel impôt est mauvais’.14 Ieder belastingstelsel is te zien als een keurslijf, naar hetwelk zich het lichaam der maatschappij vergroeit15: ‘Door lengte van tijd heeft alles zich geregeld, en wat vooral zeer veel waard is, men is er aan gewoon’, aldus Van Voorthuijsen (1851).16
Volgens minister Van Doorn (1853) is Nederland nogal gehecht aan zijn accijnzen.17 Met betrekking tot het oude belastingtype als door de accijnzen wordt vertegenwoordigd, is aan de historie ervan duurzaam een niet geringe waarde toegekend.
Bordewijk (1930) acht het ‘duidelijk, dat de groote productiviteit van de accijnzen een radicale verbetering van ons belastingwezen in den weg staat’.18
Gewenning en gewoonte kunnen volgens het Tweede-Kamerlid Lotsij (1851) echter geen argument zijn om alles maar bij het oude te laten.19 Accijnzen verbergen zich in de prijzen van goederen en diensten. Daarom verloopt de heffing vrijwel ongemerkt en zonder directe dwang. Deze factoren, tezamen met de individualistische volksaard en belastingmentaliteit, leiden aldus Klein Wassink (1975) tot resistentie tegen iedere aan mode onderhevige ideologie die met deze factoren minder rekening houdt.20
Bij de invoering van de omzetbelasting (1933), zijn de accijnzen zonder enig parlementair debat naast de omzetbelasting blijven voortbestaan, hetgeen bevestigt hoe gewend en vertrouwd de burger met zijn accijnzen is en hoe vanzelfsprekend en geaccepteerd zij hun taak in de samenleving vervullen. Een reden dat het debat hierover is uitgebleven is gelegen in de omstandigheid, dat de accijns toentertijd nog niet, zoals nu, deel uitmaakte van de maatstaf van heffing van de omzetbelasting.21 Destijds is de omzetbelasting als een tijdelijke crisismaatregel geïntroduceerd, terwijl de accijnzen in het dagelijks leven geen ingrijpende, maar een vertrouwde, gangbare en algemeen geldende werking hebben, een diepgefundeerde bestaansgrond.
Zelfs wanneer kopers zich wel bewust zijn van hun belastingplicht, is het heffen van belasting met toepassing van het beginsel van de minste pijn tevens een perfecte toepassing van het beginsel dat een ieder gehouden is telkens zijn bijdrage aan de samenleving te leveren.22 Thans ligt dit beginsel geheel en al ten grondslag aan de omzetbelasting, die een bodem legt in wat een ieder behoort bij te dragen.23 Slechts weinigen zijn zich ervan bewust dat ruim 80% van alle belastinginkomsten wordt geheven in het licht van het beginsel van de minste pijn.24 Een nadeel is, dat de burger geen goed inzicht heeft in wat hij via de prijzen van goederen en diensten aan belasting betaalt en welke prestaties de overheid daar tegenover zet.25 De omstandigheid dat de belasting verstopt zit in de prijs werkt bevorderlijk voor de belastingmoraal. De burger betaalt zijn belastingen liever indirect en ongemerkt in de prijs van goederen en diensten dan dat hij die direct en zichtbaar bij de ontvanger afdraagt.26 Volgens Cnossen (1977) is zelfs nog belangrijker voor het draagvlak van accijnzen het vertrouwen dat zij de publieke en individuele welvaart dienen, zoals in ieder geval met de alcoholaccijns en de tabaksaccijns het geval is.27