Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.2.5
4.2.5 Accijnsheffing verplicht
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS298054:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook: HvJ EG 11 november 1997, nr. C-408/95, Eurotunnel SA e.a. vs. SeaFrance, voorheen Société nouvelle d'armement transmanche SA (SNAT), Jur. 1997, p. I-6315, r.o. 7. HvJ EG 24 februari 2000, nr. C-434/97, EC vs. Frankrijk (socialezekerheidsbijdrage), Jur. 2000, p. I-1129, r.o. 7. Het HvJ EG verklaart dat het doel van de Accijnsrichtlijn is per 31 december 1992 de voorwaarden te scheppen voor het verkeer van accijnsproducten binnen een interne markt zonder fiscale grenzen.
Overwegingen 9, 13 en 14 considerans Accijnsrichtlijn. HvJ EG 2 april 1998, nr. C-296/95, The Queen and Commissioners of Customs and Excise vs. EMU Tabac SARL, The Man in Black Ltd., J. Cunningham, in tegenwoordigheid van Imperial Tobacco Ltd. (voorhanden hebben, lidstaat waar accijns verschuldigd is, aankoop via vertegenwoordiger), Jur. 1998, p. I-1605, r.o. 22. HvJ EG 5 april
Art. 1, 7, 11, 16 en 19 Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken. Art. 1 Richtlijn energiebelastingen. Art. 1 Structuurrichtlijn tabaksproducten. Art. 1 Tariefrichtlijn tabaksproducten. Art. 1 Tariefrichtlijn sigaretten.
GvEA EG 5 april 2006, nr. T-351/02, Deutsche Bahn AG vs. EC, r.o. 106.
Art. 90 tweede volzin EG. HvJ EG 17 juni 1999, nr. C-166/98, Société critouridienne de distribution (Socridis) vs. Receveur principal des douanes, Jur. 1999, p. I-3791, r.o. 20-21.
Art. 2 lid 2 Structuurrichtlijn minerale oliën. De Structuurrichtlijn minerale oliën is per 1 januari 2004 vervallen en vervangen door de Richtlijn energiebelastingen.
HvJ EG 29 april 2004, nr. C-240/01, EC vs. Duitsland (productie van thermische energie), Jur. 2004, p. I-4733, r.o. 17.
Conclusie A-G Geelhoed van 8 mei 2003 voor HvJ EG 29 april 2004, nr. C-240/01, EC vs. Duitsland (productie van thermische energie), Jur. 2004, p. I-4733, r.o. 64-67.
Art. 8 lid 1 Structuurrichtlijn minerale oliën.
HvJ EG 29 april 2004, nr. C-240/01, EC vs. Duitsland (productie van thermische energie), Jur. 2004, p. I-4733, r.o. 52-54.
Art. 2 Richtlijn energiebelastingen.
HvJ EG 19 april 2007, nr. C-63/06, UAB Profisa vs. Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos (alcohol verwerkt in chocoladeproducten – vrijstelling accijns), www.curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl, r.o. 19. HvJ EG 7 december 2000, nr. C-482/98, Italië vs. EC (Italië mag accijnsvrijstelling niet weigeren voor bepaalde producten die zijn vrijgesteld van accijns uit hoofde van richtlijn 92/83 – cosmetische producten), Jur. 2000, p. I-10861, r.o. 50-51.
Het doel van de Accijnsrichtlijn is het bevorderen van de goede werking van de interne markt voor het vrije verkeer van accijnsgoederen binnen de interne markt1, met name om te verzekeren dat de accijns in alle lidstaten onder gelijke voorwaarden verschuldigd is.2 De lidstaten zijn, aldus het HvJ EG in zijn arrest-Van de Water (2001), verplicht van alle goederen die in het accijnsregime zijn gedefinieerd accijns te heffen; het staat de lidstaten niet vrij een communautair accijnsgoed buiten de heffing te laten.3 Vrijstellingen of andere differentiaties mogen niet worden verruimd.4 De lidstaten hebben daarmee een voldoende armslag om te waarborgen, dat de accijnsheffing van accijnsgoederen zich zodanig tot elkaar verhouden dat elke bescherming van de binnenlandse productie conform het fiscaal discriminatieverbod is uitgesloten.5
Een voorbeeld waarin de lidstaten worden gehouden aan de verplichting van alle door het communautaire accijnsregime aangewezen goederen accijns te heffen is de Duitse thermische energie-kwestie. In de Structuurrichtlijn minerale oliën ontbreekt een communautaire definitie van het begrip gebruikt als brandstof voor verwarming.6
Het Duitse Bundesfinanzhof heeft dit begrip voor de Duitse accijnswetgeving in zijn rechtspraak op successievelijk zodanig beperkte wijze gestalte gegeven, dat die beperking Duitsland kwam te staan op een inbreukprocedure. De EC stelde in die procedure, dat Duitsland in strijd handelde met de Structuurrichtlijn minerale oliën, door niet van alle minerale oliën die bestemd zijn om als brandstof voor verwarming te dienen accijns te heffen.7 De Duitse rechtspraak had door verschil te maken tussen verbrennen (verbranden) en verheizen (verhitten) dit begrip beperkt tot het bewust gebruik van het calorisch vermogen van een stof, dat wil zeggen de gehele of gedeeltelijke verbranding van een minerale olie voor de productie van warmte, die geheel of gedeeltelijk wordt overgebracht op een andere stof, die de hoedanigheid van nieuwe energieof warmtedrager moet aannemen. Het concrete gebruik van de nieuwe warmtedrager als middel tot verwarming rechtvaardigt dan de conclusie dat de minerale olie die is gebruikt voor het voortbrengen van deze warmtebron, dat wil zeggen: is gebruikt als brandstof voor verwarming. Valt de verbranding van de minerale olie in het kader van een homogeen proces echter samen met de verwerking of de vernietiging van de stof die de thermische energie absorbeert die door de verbranding is opgewekt, dan wordt de minerale olie volgens de Duitse rechtspraak niet als brandstof, maar voor andere doeleinden gebruikt, en moet die dus niet aan de accijns worden onderworpen. Het HvJ EG besliste in het thermische energie-arrest (2004) echter, dat het begrip betrekking heeft op alle vormen van gebruik van minerale oliën voor de productie van thermische energie. Daartoe volgde het HvJ EG terecht het advies van A-G Geelhoed (2003) 2001, nr. C-325/99, G. van de Water vs. staatssecretaris, Jur. 2001, p. I-2729, BNB 2001/204, r.o. 39. HvJ EG 12 december 2002, nr. C-395/00, Distillerie Fratelli Cipriani SpA vs. Ministero delle Finanze, Jur. 2002, p. I-11877, r.o. 41.
die het in zijn conclusie veelzeggend had geacht dat de gemeenschapswetgever geen inperking van het begrip gebruikt als brandstof voor verwarming heeft gewild, door op een gebied waar hij dat wel wilde te voorzien in een verplichte vrijstelling die specifiek betrekking heeft op minerale oliën die in hoogovens met het oog op chemische reductie worden ingespoten als toevoeging aan de steenkool, welke als voornaamste brandstof wordt gebruikt (de raffinaderijvrijstelling). Dit is een uitdrukkelijke uitzondering op het beginsel van belastbaarheid van minerale oliën.8 Het zou immers niet nodig zijn geweest in deze vrijstelling te voorzien, wanneer het geval waarop zij betrekking heeft, van meet af aan buiten de werkingssfeer van de Structuurrichtlijn minerale oliën valt, omdat minerale olie die voor de chemische reductie dient, niet als brandstof wordt gebruikt. Vanuit het oogpunt van wetgevingstechniek wordt voor een dergelijke oplossing gekozen, wanneer de uitgezonderde situatie in beginsel onder de basisregel valt, en niet wanneer het erom gaat, deze te verduidelijken. Bovendien staat vast dat, zo de gemeenschapswetgever met de vaststelling van de betrokken vrijstelling een verduidelijking heeft willen geven, de vrijstellingsbepalingen van de Structuurrichtlijn minerale oliën9 dan geen vormen van gebruik van minerale oliën dekken die op grond van de Duitse rechtspraak niet aan de accijns moeten worden onderworpen.10 De Richtlijn energiebelastingen is op 1 januari 2004 in de plaats gesteld van de Structuurrichtlijn minerale oliën. Op basis van het thermische energie-arrest heeft het begrip verwarmingsbrandstof in de Richtlijn energiebelastingen ook betrekking op alle vormen van verbruik van energieproducten voor de voortbrenging van thermische energie.11
Verplichte vrijstellingen dienen volgens het HvJ EG in de Italiaanse zaak-Cosmetische producten (2000) en de Litouwse zaak-UAB Profisa (2007) ook metterdaad te worden toegepast.12
Verstoringen van de mededinging en meer in het algemeen van de goede werking van de interne markt die de Accijnsrichtlijn beoogt te voorkomen, kunnen optreden ongeacht de hoedanigheid van de handelende personen en hun motieven. Vraag en aanbod naar goederen en diensten mogen door belastingheffing in slechts dezelfde mate worden gereduceerd. De samenstelling van goederen en diensten in de leefgemeenschap behoort ongewijzigd te blijven. Daarom drukken de communautaire accijnzen op het binnenlandse verbruik van alcohol-, energie- en tabaksproducten ongeacht hun herkomst, dat wil zeggen onverschillig of zij op het grondgebied van een lidstaat zijn vervaardigd, op het grondgebied van de ene lidstaat zijn vervaardigd en naar dat van een andere lidstaat zijn overgebracht of afkomstig zijn van buiten de Gemeenschap en op het grondgebied van een van de lidstaten van de Gemeenschap zijn ingevoerd.