Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.5.5
4.5.5 Wijn
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS298059:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1934/35, 367, nr. 3.
Op basis van art. 8a lid 1 en lid 2 en art. 9 lid 1 en lid 2 Wa.
Art. 8 Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken. Art. 8 Wa.
Mousserende wijn uit de Languedoc.
Licht mousserende appelwijn uit Normandië en Bretagne.
Mousserende Spaanse kwaliteitswijn, moet uit een van de elf omschreven wijnbouwgebieden afkomstig zijn: Rioja, Tarragona, Penedès, Utiel-Requena, Cariñena, Campo de Borja, Conca de Barberà en Costers del Segre.
Mousserende rode wijn uit Piemonte.
Mousserende rode, witte en roséwijn uit Emilia-Romagna.
Art. 8 lid 2 Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 11, p. 10.
Evaluatieverslag EC 2004, punt 70.
Als bedoeld in art. 8 lid 1 tweede streepje Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken.
Art. 9 Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken.
4.5.5.1 Definities
Wijn is het eindproduct dat uitsluitend verkregen is door gehele of gedeeltelijke alcoholische vergisting van verse druiven, andere vruchten of van druivenmost. Hoofdkenmerk van wijn is dat de drank is verkregen door gisting van sap of druivenmost en niet door distillatie. Ongegiste druivenmost is van oudsher met wijnaccijns belast, omdat daaruit wijn kan worden vervaardigd.1 Gegiste dranken met een alcoholgehalte van minder dan 1,2% zijn uitgezonderd van de definitie van wijn.2 Deze worden veelal aangemerkt als alcoholvrije dranken, waarvan de frisdrankenaccijns wordt geheven.
Evenals bij bier zijn met betrekking tot de definitie van wijn de onderverdelingen van de GN doorslaggevend, zij het dat in de Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken voor de desbetreffende producten van de GN-indeling afwijkende voorwaarden zijn opgenomen over het alcoholgehalte en in sommige gevallen over de wijze waarop de in het eindproduct aanwezige alcohol moet zijn verkregen.3
Wijn wordt onderscheiden in mousserende wijn (schuimende wijn) en niet-mousserende wijn (stille wijn).4 Bij mousserende wijn vormt zich een mousse (schuim) na het inschenken. Hoe kleiner en fijner de belletjes en hoe langer de belletjes blijven sprankelen, des te beter de wijn. Ook in verband met het effect in de mond, hoe kleiner de bubbels en hoe meer in aantal, des te romiger en fijner de smaak. Niet-mousserende wijn wordt daarom ook wel aangeduid als stille wijn.
Mousserende druivenwijn heeft in het algemeen een alcoholgehalte van circa 12%vol. Niet-mousserende druivenwijn komt in hoofdzaak voor met een alcoholgehalte van circa 9%vol tot circa 13%vol. Daarnaast bestaat er in beperkte mate druivenwijn met een alcoholgehalte van 15 tot 18%vol.
Voor de vaststelling of gegiste dranken onder de definitie van wijn vallen, wordt geen rekening gehouden met het drogestofgehalte van de wijn, dat voor het invoerrecht wel een indelingscriterium is.
4.5.5.2 Niet-mousserende wijn
Ingevolge afdeling II van de Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken wordt onder niet-mousserende wijn (stille wijn) verstaan wijn van verse druiven en druivenmost (GN-code 2204) en vermout en andere wijn van verse druiven, al dan niet bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen (GN-code 2205), met uitzondering van mousserende wijn, met een alcoholgehalte van:
1 meer dan 1,2%vol, maar niet meer dan 15%vol, voor zover de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen; of
2 meer dan 15%vol, maar niet meer dan 18%vol, voor zover zij zonder enige verrijking zijn geproduceerd en de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen.
Tot deze categorieën behoren allereerst witte wijn, rode wijn en roséwijn, zoals onder meer de stille kwaliteitswijnen (VQPRD) Alsace, Alto Adige (Zuid-Tirol), Bairrada, Beaujolais, Bordeaux, Bourgogne, Casillero del Diablo, Côtes du Rhône, Dão, Douro, Friuli, Languedoc-Roussillon, Lazio (Latium), Val de Loire, Macon, Mosel, Saar, Ruwer, Navarra, Penedés, Pfalz, Rheinhessen, Piemonte, Rioja, Toscana, Trentino, Valdepeñas, Valencia, Veneto, Vinho Verde. Voorts behoren ertoe tafelwijnen, zoals Puglia, Sicilia en Veneto. Verder behoren tot deze categorieën likeurwijn ofwel zoete wijn, en versterkte wijn (wijn waarbij de gisting is gestopt door toevoeging van alcohol, zoals montillawijn, port en sherry5). Likeurwijnen worden zo genoemd, omdat de wijnen dezelfde stroperigheid hebben als likeuren, gewoonlijk bereid uit druivenmost die veel suiker bevat waarvan bij de gisting slechts een deel in alcohol wordt omgezet.
Deze wijnen worden soms verkregen door toevoeging van ingedikte most, van mistella of van alcohol. Voorbeelden van likeurwijnen zijn madeirawijn, malvasiawijn, Marsala, Moscatel de Setubal, muskaatwijn van Limnos, Malveseye, Port, samoswijn, Sherry, Tokay (Aszu en Szamorodni).
De categorie vermout (een typisch Piemontse specialiteit) en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen, ofwel gearomatiseerde wijnen, wordt gebruikt als aperitieven of als eetlust opwekkende dranken. De toevoeging al van een kleine hoeveelheid kruidenmengsel geeft vermout haar specifieke smaak. Soms zijn vitaminen of ijzerverbindingen toegevoegd en dienen die wijnen als voedingssupplement. Tot dranken die onder deze categorie zijn gerangschikt behoren onder meer dranken op basis van Marsala, sangria, Aperitivo, samoswijn, muskaatwijn, portwijn, madeirawijn, Moscatel de Setubal, sherrywijn (xereswijn), tokayerwijn en ginsengtonic.
Voor al deze wijnen geldt dat zij voor de toepassing van het tarief moeten voldoen aan de voorwaarden. Voldoen zij daaraan niet (zoals likeurwijnen met alcoholgehalten van meer dan 18%vol) dan worden deze wijnen aangemerkt als tussenproducten en als zij ook niet voldoen aan de definitie van tussenproducten, dan worden zij aangemerkt als overige alcoholhoudende producten.
4.5.5.3 Mousserende wijn
Ingevolge afdeling II van de Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken wordt onder mousserende wijn verstaan: alle goederen van de GN-code 2204 10, GN-code 2204 21 10, GN-code 2204 29 10. Hiertoe behoren zoal Champagne, Asti spumante, Moscato d’Asti, Blanquette de Limoux6, cider7, Cavawijnen8, Clairette de Die, crémant, Freisa9, Lambrusco10, Perlwein, Schaumwein, Schorle, Sekt (Sect), en van GN-code 2205, vermout, prosecco, americano (campari-martini-soda), bitter campari, aperol (licht alcoholische variant van campari), birra piccola en andere gearomatiseerde wijnen, die11:
1 zijn verpakt in flessen met een champignonvormige kurk die door draden of banden of anderszins is geborgd, ofwel een overdruk van drie bar of meer hebben die is teweeggebracht door koolzuurgas in oplossing; en
2 een alcoholgehalte hebben van meer dan 1,2%vol maar niet meer dan 15%vol voor zover de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen.
Het bolronde hoofd van de champignonvormige kurk maakt het goed mogelijk om de kurk met draden te borgen zonder de hals van de fles of de kurk zelf te beschadigen.
Andere geometrische vormen die op praktische wijze hetzelfde doel dienen ontbreken.
Mousserende wijn in flessen voorzien van een kurk of stop die niet champignonvormig is, wordt als mousserende wijn aangemerkt12, zoals de licht mousserende Moscato d’Asti. Door hun verpakking kunnen ook stille wijnen als mousserende wijnen worden aangemerkt. Stille wijnen mogen op grond van de wijnmarktverordeningen, en zullen vanwege de fiscale gevolgen, niet in die vorm worden gepresenteerd.13
Volgens de EC (2004) zijn de beide criteria zuiver willekeurig. Parelwijnen met een overdruk die net onder drie bar ligt, ontlopen de accijns van mousserende wijnen en komen in aanmerking voor het lagere (of zelfs nul-)tarief voor niet-mousserende wijnen als de producent maar een ander soort stop op de fles plaatst. Dit leidt tot de vraag of deze verschillende behandeling moet worden gehandhaafd dan wel of mousserende en niet-mousserende wijn en tussenproducten op dezelfde wijze moeten worden behandeld.14
4.5.5.4 Maatstaf van heffing
De wijnaccijns wordt geheven naar het aantal hectoliters eindproduct. De lidstaten passen hetzelfde accijnstarief toe op alle wijnproducten die aan de accijns van nietmousserende wijn zijn onderworpen. Evenzo passen zij hetzelfde accijnstarief toe op alle producten die aan de accijns van mousserende wijn zijn onderworpen. Op nietmousserende en op mousserende wijn mag hetzelfde accijnstarief worden toegepast.
Verlaagde tarieven mogen worden toegepast op alle soorten niet-mousserende en mousserende wijn met een effectief alcoholvolumegehalte van niet meer dan 8,5%vol.
De lidstaten die op 1 januari 1992 een hoger accijnstarief toepasten op niet-mousserende wijnen van meer dan 15 doch niet meer dan 18%vol, voor zover zij zonder enige verrijking zijn geproduceerd en de alcohol in het eindproduct volledig door gisting is verkregen15, mogen dit tarief blijven toepassen. Dit hogere tarief mag niet meer bedragen dan het normale nationale accijnstarief van tussenproducten.16