Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/3.2.1
3.2.1 Dubbelratio
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS299295:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen I 1992/93, 22 december 1992, p. 11-482 mk.
COM(72)225, (PbEg 1972, C 43/23). Kamerstukken II 1971/72, 11 938, nr. 3, p. 14 lk. Handelingen II 1972, 2 november 1972, p. 850 lk.
Art. 3 lid 2 Accijnsrichtlijn. HvJ EG 24 februari 2000, nr. C-434/97, EC vs. Frankrijk (socialezekerheidsbijdrage), Jur. 2000, p. I-1129, r.o. 17-19.
Kamerstukken II 1991/92, 22 351, nr. 7, p. 6.
Zie bijvoorbeeld: Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 117 lk.
Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 IXB, nr. 28, p. 9.
Overeenkomstig art. 93 EG stelt de Raad maatregelen vast ter harmonisatie van ‘de omzetbelasting, de accijnzen en de andere indirecte belastingen’ voor zover deze harmonisatie ‘noodzakelijk is om de instelling en de werking van de interne markt (…) te verzekeren’.
HvJ EG 24 februari 2000, nr. C-434/97, EC vs. Frankrijk (socialezekerheidsbijdrage), Jur. 2000, p. I-1129. In de eerste overweging van de considerans van de richtlijn wordt gezegd, dat de totstandbrenging en de werking van de interne markt het vrije verkeer van goederen, ook van accijnsgoederen, impliceren. HvJ EG 2 april 1998, nr. C-296/95, The Queen and Commissioners of Customs and Excise vs. EMU Tabac SARL, The Man in Black Ltd, J. Cunningham, in tegenwoordigheid van Imperial Tobacco Ltd. (voorhanden hebben, lidstaat waar accijns verschuldigd is, aankoop via vertegenwoordiger), Jur. 1998, p. I-1605, r.o. 22.
Zie: Richtlijn energiebelastingen, onder regie van de Accijnsrichtlijn.
Kamerstukken II 1971/72, 11 508, nr. 4.
Handelingen II 1978/79, 20 juni 1979, p. 5540 mk.
Handelingen I 1989/90, 28 december 1989, p. 7-209 mk.
Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, p. 3. Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 6, p. 21-22. KamerstukkenI 1993/94, 22 849 en 22 851, nr. 91b, p. 2. Kamerstukken I 1993/94, 22 849 en 22 851, nr. 91b, p. 19. Kamerstukken II 1991/92, 22 300, nr. 1, p. 32. Kamerstukken I 1993/94, 22 849 en 22 851, nr. 91b, p. 2 en p. 5. Kamerstukken I 1993/94, 22 849 en 22 851, nr. 91a, p. 1. Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 6, p. 7. Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 9, p. 4. Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 3, p. 3. Kamerstukken II 1992/93, 22 849 B, p. 3. Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 6, p. 6. Kamerstukken II 1994/95, 23 935, nr. 5, p. 2. Kamerstukken II 1994/95, 23 935, nr. 12, p. 17 rk. Kamerstukken II 1994/95, 23 935, nr. 5, p. 2.
Kamerstukken II 1993/94, 24 250, nr. 3, p. 15. Kamerstukken II 2002/03, 28 600 IXB, nr. 2, p. 20. Kamerstukken II 2003/04, 29 200 XIII, nr. 3, p. 47.
J.G. Detiger, Inleiding tot het Nederlandse belastingrecht. Synthetische uiteenzetting, WFR 1967/333. Art. 3 lid 2 Accijnsrichtlijn.
Wet van 4 mei 1950, Stb. 172. Handelingen II 1963/64, 5 maart 1964, p. 1525 lk. Kamerstukken II 1956/57, 4550, nr. 3, p. 7. Kamerstukken II 1956/57, 4550, nr. 7, p. 3 rk. Kamerstukken II 1963/64, 7533, nr. 3. Kamerstukken II 1963/64, 7533, nr. 5, p. 5 lk. Kamerstukken II 1963/64, 7533, nr. 3. KamerstukkenII 1963/64, 7533, nr. 5, p. 5. Cnossen 1977 , p. 117.
Vgl. Cnossen 1977 , p. 117.
De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot exploitatie van petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië. I.J. Brugmans, Paardenkracht en Mensenmacht, Sociaal-economische geschiedenis vanNederland 1795-1940, ’s-Gravenhage: 1976, p. 339, 372, 476 en 506-507. Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 3, p. 3 lk., par. 3. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 3, p. 1-2. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 13-14. Kamerstukken II 1972, 12 036, nr. 5, p. 3. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 14 lk. Kamerstukken II 1958/59, 5300 hoofdstuk IX B, nr. 14, p. 29. Kamerstukken II 1965/66, 8300, nr. 3, p. 4 rk. Kamerstukken II 1967/68, 9300, nr. 2, Hoofdstuk IX B, p. 12 lk. Kamerstukken II 1971/72, 14 oktober 1971, p. 354 rk. Kamerstukken II 1971/72, 11 508, nr. 4. Kamerstukken II 1971/72, 11 508, nr. 5. Handelingen II 1971/72, 16 november 1971, p. 1108-1110. Kamerstukken II 1967/68, 9315, nr. 5, p. 4 rk. Handelingen II 1963/64, 5 november 1963, p. 248, 279-280. Kamerstukken II 1973/74, 12 600 B, nr. 9. Handelingen II 1971/72, 3 november 1971, p. 786 rk. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 14 rk., par. 1. Kamerstukken II 1938/39, 186, nr. 3. Kamerstukken II 1938/39, 56, nr. 2, p. 3. Kamerstukken II 1972/73, 12 436, nr. 4, p. 4 lk. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 13 lk. HandelingenII 1982/83, 22 maart 1983, p. 3200 lk. Handelingen I 1982/83, 29 maart 1983, p. 417 rk. KamerstukkenII 1982/83, 17 600, nrs. 38 en 41. Kamerstukken II 1982/83, 17 797, nr. 5, p. 7. KamerstukkenII 1982/83, 17 797, nr. 3, p. 1 en 5. Wet van 29 juni 1983, Stb. 1983, 298. Kamerstukken II 1982/83, 17 600, nrs. 38 en 41. Wet van 30 maart 1983, Stb. 1983, 144. Kamerstukken II 1982/83, 17 8 60, nrs. 3-4 p. 9. Handelingen II 1982/83, 22 maart 1983, p. 3210 mk. Kamerstukken II 1982/83, 17 9 36, nr. 7, p. 2. Handelingen II 1982/83, 22 juni 1983, p. 4797-4802. Handelingen I 1982/83, 28 juni 1983, p. 1080 rk. Handelingen II 1982/83, 22 juni 1983, p. 4797 lk. Handelingen I 1982/83, 28 juni 1983, p. 1081 lk. Kamerstukken II 1982/83, 17 936, nr. 8. Handelingen II 1982/83, 22 juni 1983, p. 4803 lk.
Wet van 31 oktober 1986, Stb. 1986, 542.
Kamerstukken II 1988/82, 21 137, nrs. 1-2. Kamerstukken II 1988/89, 21 223, nr. 11.
Kamerstukken II 1992/93, 22 873, nr. 3, p. 15-16.
Kamerstukken II 2004/05, 29 644, nr. 7, p. 1.
Kamerstukken II 1952/53, 2955. Kamerstukken II 1960/61, 6101, nr. 13, p. 1 rk.
Kamerstukken II 1981/82, 17 380, nr. 3, p. 6.
Handelingen I 2003/04, 9 december 2003, p. 11–492.
Kamerstukken II 1946/47, 231, nr. 5, p. 27 rk. M.J.H. Smeets, De ontwikkeling van de Inkomstenbelasting, Inaugurele rede gehouden op 4 april 1946, p. 6 e.v. P. Lieftinck, Fiscale en sociaaleconomische politiek, in: Openbare Financiën, p. 9 e.v. Kamerstukken I 1946/47, 300. Kamerstukken II 1946/47, 231, nr. 7, p. 37 rk. Kamerstukken II 1946/47, 231, nr. 7, p. 37 rk. Doordat de omzetbelasting in die tijd nog geen btw is, maar werkt op basis van het cascadesysteem kan ook op ondernemingskosten worden gestuurd. Handelingen II 1946/47, 1 april 1947, p. 1440 rk. Handelingen II 1950/51, 24 oktober 1950, p. 258 rk. Kamerstukken II 1946/47, 231, nr. 7, p. 37 rk.
Kamerstukken II 1954/55, 3885 en 3887, nr. 14, p. 4-5 en 23 rk.
Kamerstukken II 1956/57, 4600, nr. 1. Handelingen II 1956/57, 5 maart 1957, p. 699, 739 en 779. Kamerstukken II 1957/58, 4900, nr. 2, p. 20 lk.
Wet van 24 december 1970, Stb. 1970, 605. Handelingen II 1970/71, 26 november 1970, p. 1364 lk.
Kamerstukken II 1968/69, 9635, nr. 3.
Handelingen II 1986/87, 16 oktober 1986, p. 12-547 lk.
Kamerstukken II 1947/48, 839, nr. 3. Kamerstukken II 1948/49, 839, nr. 5, p. 3-4. Kamerstukken II 1949/50, 1703, nr. 3, p. 20. Kamerstukken II 1949/50, 1713, nr. 3, p. 2. Kamerstukken II 1949/50, 1713, nr. 5, p. 1-7. Kamerstukken II 1951/52, 2512, nr. 3, p. 2-3. Kamerstukken II 1951/52, 2512, nr. 5. Handelingen II 1951/52, 22 april 1952, p. 2171-2172. In 1951 bedraagt het binnenlandse verbruik van grote sigaren (vanaf 1952 belast met 14% accijns) 593 miljoen stuks tegenover 1015 miljoen stuks in 1959 en dat van cigarillos (vanaf 1952 belast met 20% accijns) 123 miljoen stuks in 1951 tegenover 244 miljoen stuks in 1959 of, per hoofd van de bevolking, 58 tegenover 89 respectievelijk 12 tegenover 22 stuks. De totale kleinhandelswaarde loopt van 1951 op van ƒ 144 miljoen tot ƒ 225 miljoen in 1959. Ook de export ontwikkelt zich gunstig en wel van 55 miljoen stuks met een waarde van ƒ 10 miljoen in 1951 naar 254 miljoen stuks met een waarde van ƒ 27 miljoen in 1959. Eind 1959 staan in deze bedrijven tegenover liquide middelen ten belope van ƒ 11,5 miljoen schulden op korte termijn ten bedrage van ƒ 59,5 miljoen. Wet van 8 mei 1952, Stb. 1952, 249. Kamerstukken II 1953/54, 3200 hoofdstuk X, nr. 12, p. 14 rk. Kamerstukken II 1953/54, 3391, nr. 5, p. 1. Kamerstukken II 1955/56, 4267. Wet van 23 mei 1956, Stb. 1956, 256. Kamerstukken II 1958/59, 5356, nr. 5, p. 1. Kamerstukken II 1960/61, 6101, nr. 13, p. 1-16. Kamerstukken II 1963/64, 7400Algemene financiëlebeschouwingen, nr. 3, p. 7. Kamerstukken II 1963/64, 7400 Algemene financiële beschouwingen, nr. 4, p. 2-19.
Kamerstukken II 1983/84, nr. 5, p. 2. Kamerstukken II 1983/84, 18 139, nr. 4. Kamerstukken II 1983/84, 18 139. Kamerstukken II 1983/84, 18 449, nr. 3, p. 4. Handelingen II 1955/56, 18 april 1956, p. 1013-1014. Handelingen II 1960/61, 16 november 1960, p. 248 rk. Handelingen II 1963/64, 5 november 1963, p. 248 rk.
Wet van 3 mei 1924, Stb. 1924, 227. Wet van 24 december 1932, Stb. 1932, 634. Wet van 8 december 1933, Stb. 1933, 663. Kamerstukken II 1937/38, 2. Hoofdstuk I., nr. 5, p. 40 rk., Bijlage A. Kamerstukken II 1939/40, 403, nr. 2. Kamerstukken II 1939/40, 403, nr. 3, p. 33-34.
‘het kleine restje fiscale soevereiniteit dat ons in de sfeer van de accijnzen nog rest’1
mw. H.M. Gelderblom-Lankhout,
Lid van de Eerste Kamer, 22 december 1992
Zoals gezegd, behoren accijnzen ook volgens Tuk (1970) en de EC (1972) naast de budgettaire ratio steeds een tweede bestaansratio, niet zijnde een ander budgettair motief te hebben. De omzetbelasting heeft de uitsluitende budgettaire functie van de accijnzen overgenomen en heeft geen andere doelstelling dan het vergaren van middelen voor de schatkisten van de lidstaten en de eigen middelen van de EC. Daarom benadrukt de EC in haar oorspronkelijke accijnsharmonisatievoorstellen, dat de accijnzen als bijzondere verbruiksbelastingen niet louter een budgettaire functie mogen bezitten, maar een of meer specifieke, niet-budgettaire ratio’s moeten hebben.2 Voor een bijzondere verbruiksbelasting bestaat dan geen rechtvaardiging wanneer daaraan een extra, specifieke ratio ontbreekt. In deze zin ontbreekt de rechtvaardigingsgrond voor de frisdrankenaccijns, waarvoor vanaf zijn instelling (1972) geen andere ratio dan het budgettaire motief geldt.
Dit beginsel van de behoorlijke heffingsratio is voor communautaire accijnsgoederen vanaf 1992 vastgelegd in de Accijnsrichtlijn.3 De lidstaten mogen op dezelfde grondslagen als waarop communautaire accijnzen worden geheven ook nationale accijnzen heffen, mits deze extra gemotiveerd zijn met een niet-budgettaire ratio. Dat is het geval met de Deense, Duitse, Franse en Luxemburgse aanvullende accijnzen van mixdranken, aldaar ook alcopops genoemd met de ratio de jeugd af te houden van alcoholhoudende dranken, de Belgische accijns van eenmalige drankenverpakkingen (€ 9.8537 (2006) per hectoliter verpakt product) en meermalige drankverpakkingen (€ 0 (2006) per hectoliter verpakt product), de Finse accijns van verpakkingen (€ 8.50 (2006) per hectoliter verpakt product in een statiegeldsysteem en € 51 (2006) per hectoliter verpakt product voor eenmalige verpakkingen), de Duitse en Finse voorraadheffingen, de Nederlandse BSB in haar gedaante tot 1 januari 2004 (thans de KB), de Zweedse accijns van het zwavelgehalte in minerale oliën, kolen, benzine, cokes, turf en aardgas, de Zweedse accijns van vaste en vloeibare brandstoffen en de Engelse antiklimaatveranderingsaccijnzen van elektriciteit, aardgas, vaste brandstoffen en LPG, alle naast de budgettaire functie extra gemotiveerd met de ratio energiebesparing.
Zoals in hoofdstuk 4 verder wordt uiteengezet, zijn bij de communautaire accijnzen de dubbele ratio’s te onderscheiden. Bij de tabaksaccijns komen de budgettaire en de volksgezondheidsratio beide tot hun recht, nu met het rookontmoedigingsbeleid rekening wordt gehouden met de bedoeling en de verwachting dat als gevolg van de heffing van de tabaksaccijns minder wordt gerookt.4 Met het rookontmoedigingsbeleid wordt niet beoogd het roken algeheel uit te bannen. Indien ontmoediging gelijk zou moeten staan met beëindiging van ongewenst gedrag, is een kostprijsverhogende accijns niet het meest optimale instrument, maar dient voor een verbod op tabaksproducten te worden gekozen. De accijnzen van minerale oliën en andere energieproducten dienen zowel de budgettaire ratio als de energiebesparingsratio en de mobiliteitsontmoedigingsratio.
De accijnzen van alcoholhoudende dranken dienen (al van oudsher 5) zowel de budgettaire ratio als de drankmisbruikbestrijdingsratio.
Evenwicht door de dubbelratio bestaat ook als de accijns dient als financieringsinstrument ter bevordering van arbeid en ondernemen door belastingdruk op arbeid en ondernemen te verschuiven naar belastingdruk op milieu- of volksgezondheidsgrondslag, zoals bij de EB het geval is. De corrigerende werking van de accijnzen kan worden ingeroepen wanneer evenredigheid moet bestaan tussen de kosten die bepaald gedrag oproept en op wie die kosten moeten worden afgewenteld. Door middel van accijnsheffing wordt een vergoeding betaald naar de mate waarin van de collectieve productiehuishouding extra voordeel wordt genoten. De vergoeding wordt gevraagd wegens genoten voordeel van gemeenschapsvoorzieningen (profijtbeginsel, compensatiebeginsel), voorkoming van milieuschade of een bovenmaats beroep op andere collectieve goederen en diensten (preventiebeginsel), of vergoeding van toegebrachte schade aan collectieve goederen (schadebeginsel; beginsel ‘de vervuiler betaalt’, het veroorzakersbeginsel ‘ de mobilist betaalt naar rato van gebruik’)6 en het pigouviaans beprijzen van schadelijke goederen en diensten.
Bij de inwerkingtreding van de interne markt op 1 januari 1993 zijn enkele accijnzen voorwerp van accijnsharmonisatie in EG-verband. Daartoe is vanaf dat tijdstip de Accijnsrichtlijn van kracht.7 De ratio van de Accijnsrichtlijn is meerledig. Ten eerste beoogt de Accijnsrichtlijn een bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van de interne markt door bevordering van het vrije verkeer van accijnsgoederen. De totstandbrenging en de werking van de interne markt omvatten het vrije verkeer van goederen, waaronder ook de accijnsgoederen minerale oliën, alcohol en alcoholhoudende dranken en tabaksfabrikaten. Ten tweede biedt de Accijnsrichtlijn de lidstaten de mogelijkheid om de accijnzen die buiten de accijnsharmonisatie zijn gebleven, te handhaven of nieuwe accijnzen in te voeren.8 Aldus treden in de loop van de ‘90-er jaren van de 20e eeuw de BOL, de BSB, de EB, de GWB toe tot het stelsel van de accijnzen.
Vanaf 1 januari 2004 zijn daarvan de EB en de BSB, thans de KB, ingetreden in de groep communautaire accijnzen.9
Tot halverwege de ‘70-er jaren van de 20e eeuw vindt in het algemeen de keuze voor het heffen van accijnzen en de verhogingen van de accijnstarieven meer op historische, dat wil zeggen louter op budgettaire gronden plaats. Daarna beginnen bij verhogingen en vervolgens bij nieuwe accijnzen ook andere maatschappelijke doelen successievelijk een rol te spelen, zoals de zorg voor de volksgezondheid, energiebesparing en de totstandbrenging van duurzame ontwikkeling. In 1971 wordt voor het eerst gewezen op de milieuaspecten van het benzineverbruik en voorgesteld tariefdifferentiaties aan te brengen naar de mate waarin benzine naar objectieve maatstaven schoon is, zodat het gebruik van schone benzinesoorten gestimuleerd wordt.10 De bewindslieden reageren voorzichtig. Er kan nog niet met voldoende zekerheid een objectieve maatstaf voor schone of minder schone benzine worden aangewezen. Vervolgens worden de accijnzen van benzine en diesel herhaaldelijk verhoogd op basis van argumenten die uiteenlopen van overvolle wegen tot luchtvervuiling.11
Van Amelsvoort (1979) geeft aan, dat het belastingbeleid niet alleen gericht is op verkrijging van middelen, maar dat het beleid ook instrumenten biedt op andere beleidsterreinen 12, en dat economische en milieudoelen niet scherp meer te scheiden zijn.13
Het belasten van milieubezwarende activiteiten past in het beleid gericht op duurzame ontwikkeling.14 Voor de EB, waarvan de benaming van 1996 tot 2004 luidt: regulerende energiebelasting (REB), geldt echter het gebruik als instrument voor ecologische politiek en energiebeleid als primaire rechtsgrond en is de budgettaire functie uitdrukkelijk secundair.15
Naast hun historische bepaaldheid worden de extra lasten die de accijnzen naast de btw als algemene verbruiksbelasting leggen op dranken, tabaks-, energie- en andere accijnsproducten eensdeels gemotiveerd als bijzondere verbruiksbelastingen die een in geld uitgedrukt deel eisen van minder noodzakelijke consumptiegoederen of beperkt beschikbare grondstoffen, en anderdeels als prijsmaatregelen die een voor de volksgezondheid of leefmilieu schadelijk gebruik van deze zaken ontmoedigen.16 Ook wordt met de accijnzen als prijsinstrument prijspolitiek en monetaire politiek gevoerd, zoals het temperen van deflatoire en inflatoire ontwikkelingen en het aanzetten tot besparingen van deviezen.17 Accijnzen kunnen inflatoire ontwikkelingen dempen door de geldvraag afhankelijk van het aanbod van goederen en diensten door prijsbeleid te verminderen. Anti-inflatoire effecten worden bereikt wanneer de bestedingen sterker afnemen dan het aanbod. Accijnzen hebben anti-inflatoire eigenschappen, omdat het effect van een accijnsverhoging van prijsongevoelige goederen en diensten zich terstond door de hele staatshuishouding verspreidt. De keerzijde is dat deze accijnsverhogingen compenserende looneisen kunnen oproepen.18
In een aantal gevallen wordt de opbrengst van een verhoging tevoren bestemd voor een specifiek doel, zoals versnelde bouw van bruggen en de daarop aansluitende wegen, afschaffing van tolheffingen langs ‘s Rijks wegen en -oeververbindingen19, het vergroten van de financiële middelen voor het Rijkswegenfonds20, milieuvriendelijke maatregelen voor het beroeps- en eigen vervoer, waaronder subsidieregelingen voor schone vrachtauto’s en autobussen, stille vrachtauto’s en autobussen, onderzoek naar schone motoren en alternatieve brandstoffen21, infrastructuur22, Wegenverkeersfonds en Infrastructuurfonds23, werkgelegenheidsbevorderende maatregelen24, terugdringing groeiende werkloosheid25 en financiering van de vrijstelling in de vennootschapsbelasting voor herstelorganisaties van Rijksmonumenten met culturele bestemming.26
In de wederopbouwjaren ‘50 van de 20e eeuw wordt het onverantwoord geacht met belastingheffing niet te willen bereiken of bevorderen wat langs andere weg slechts bereikt zou kunnen worden ten koste van méér opoffering van vrijheid, begrotingsmiddelen, tijd en moeite. Consequent wordt gestreefd naar evenwicht in de structuur van het belastingstelsel en belastingdruk met het motief om de verruiming die verlaging van de loon- en inkomstenbelasting voor brede lagen van de bevolking brengt, ook door belastingvermindering voor belangrijke verbruiksgoederen te laten volgen, met name ook voor hen, die, doordat hun inkomen klein of hun gezin groot is, buiten het bereik van de belastingen naar het inkomen blijven.27 Suiker maakt een belangrijk deel uit van het huishoudbudget en daarom wordt de suikeraccijns in de ‘50-er jaren van de 20e eeuw in het kader van lastenverlichting verlaagd.28
Accijnsverlaging is ook als lastenverlichtingsinstrument ingezet als tegenwicht tegen de opwaartse beweging van het binnenlandse prijs- en kostenpeil.29 Meerdere keren staan verhogingen van de accijnzen in het teken van het beïnvloeden van de conjunctuur en het bewust oproepen van deflatie. Wanneer de economie een krachtige expansie laat zien en het noodzakelijk wordt geacht een beleid van bestedingsbeperking te voeren, worden de tabaksaccijns, de benzineaccijns en de gedistilleerdaccijns verhoogd, overigens zonder op basis van deze rechtsgrond nieuwe accijnzen in te stellen. Van 1970 tot en met 1972 kan conjunctuursturing met de benzineaccijns plaatsvinden met behulp van de wiebeltaks.30 Incidentele accijnsverhogingen vinden plaats ter financiering van arbeidsvoorwaardenbeleid, aanvullende werkgelegenheidsmaatregelen, dekking van eenmalige extra defensielasten.31 Wanneer in 1986 sprake is van een scherpe terugval van de olieprijzen, wordt de overheid geconfronteerd met een zeer grote terugval van de aardgasbaten. De gunstige effecten die de verlaging van de olieprijs voor de burger heeft, maken het meer verteerbaar extra inkomsten te zoeken in maatregelen in de energiesfeer.32 In 195233 en 198234 is de werkgelegenheid in de tabakssector ondersteund met tijdelijke tariefsdifferentiaties. De bieraccijns is in de ‘30-er crisisjaren van de 20e eeuw verlaagd om de brouwerijen en de werkgelegenheid aldaar in de benen te houden.35 Voor kleine bierbrouwerijen wordt een steunregeling ontworpen, die uiteindelijk haar beslag krijgt in de Benelux-accijnsunificatie en in de Accijnsrichtlijn.
Het bestedingensturende vermogen van accijnzen wordt vooral geaccentueerd en de gebruikmaking ervan bevorderd door andere bewindslieden dan die van Financiën.
De rechtsgronden van de zes accijnzen op milieugrondslag (BOL, EB, KB, GWB, Vkb en Vgb) zijn niet alleen de budgettaire functie, derhalve gericht op het verwerven van algemene middelen, maar ook het gebruik als instrument voor het milieubeleid, omdat de natuurlijke leefomgeving een collectief goed is, voor het behoud waarvan de accijnzen als kunstmatig prijsmechanisme worden ingezet ter gerichte beïnvloeding van de mate waarin bepaalde schaarse goederen als water en energieproducten worden verbruikt. In feite wordt er door het rekening houden met aspecten van duurzame ontwikkeling in de belastingheffing aan deze economisch-maatschappelijke criteria een extra toetsing toegevoegd, te weten energiebesparing, waterbesparing, minder roken, minder alcohol drinken, minder mobiliteit en andere verbruiksontmoedigingen, welke een even gelijkwaardige fiscale invalshoek vormen als het al langer vertrouwde element draagkracht.