Accijnzen
Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.27.1:2.27.1 Allocatie-effecten
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.27.1
2.27.1 Allocatie-effecten
Documentgegevens:
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS296820:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1981/82, 8 december 1981, p. 905 lk.
Vgl. Kamerstukken II 1974/75, 13 100 , p. 142.
Vgl. Kamerstukken II 1978/79, 15 658, nrs. 1-2, p. 14.
Vgl. Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. B, p. 3.
Dit gebeurt met een deel (€ 115 miljoen) van de opbrengsten van de Vkb (€ 365 miljoen). Die € 115 miljoen worden rechtstreeks via de begroting van VROM ingezet voor afvalscheiding en het terugdringen van zwerfafval. Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 3, p. 4 en 20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
‘Accijnzen hebben in principe (…) een discriminerende werking. Zij beogen het gebruik van bepaalde produkten af te remmen, bij voorbeeld vanwege de benadeling van de gezondheid van de gebruikers, en bevorderen derhalve het gebruik van andere stoffen.’1
J.Th.M. Veldhuizen,
Lid van de Tweede Kamer, 8 december 1981
Belastingheffing is, zoals gezegd, een globaal en generiek werkend instrument, waarmee moeilijk en soms helemaal niet specifiek kan worden gestuurd. Dat wil niet zeggen dat via de belastingheffing geen volume- en allocatie-effecten zouden kunnen worden bereikt. Het allocatie-effect is de verandering in de samenstelling van productie- en consumptiegoederen en -diensten als gevolg van veranderingen in relatieve prijsverhoudingen, dat wil zeggen het onttrekken van goederen en diensten aan andere aanwendingen ten behoeve van de gewenste.
Voor zover de externe effecten die niet in de prijzen van goederen en diensten zijn opgenomen bevatten die prijzen niet de juiste marktinformatie. Met toepassing van de leer van Pigou kan accijnsheffing een bijdrage leveren in de totstandkoming van een meer zuivere kostprijs. De externe kosten worden dan via het politieke besluitvormingsproces zoveel mogelijk in de productprijs verdisconteerd. Prijzen van vervuilende en ongezonde goederen en diensten kunnen op deze wijze worden voorzien van een politiek-kunstmatig prijselement, dat het product duurder maakt dan schonere en meer gezonde alternatieven. Door het kunstmatig creëren van een prijsverschil kan de samenstelling van goederen en -diensten worden beïnvloed in de richting van schone, zuinige en gezonde alternatieven en waarop al in de bedrijfskolom kan worden geanticipeerd.
Gelijkwaardige schone, zuinige en gezonde alternatieven komen in de plaats van verontreinigende, verspillende en ongezonde goederen en diensten. Dit effect, wordt opgeroepen door politiek-kunstmatig verhoogde prijzen, wordt aangeduid met de term substitutie-effect. Het heeft in eerste aanleg een vermindering van verontreiniging, verspilling of ongezond eten en drinken tot gevolg. Wellicht ten overvloed zij vermeld dat om dit effect te bereiken gekozen moet kunnen worden uit alternatieven.
Is die keuze er niet, dan is slechts sprake van gewone belastingopbrengstverhogende maatregelen. Naast substitutie-effecten kunnen dezelfde prijsveranderingen aanleiding geven tot een vermindering van de reële bestedingsmogelijkheden van producenten of consumenten. Dit effect treedt op indien accijnsheffing leidt tot een stijging van het gemiddelde prijsniveau, hetwelk door aanwezigheid van substitutiemogelijkheden niet steeds het geval behoeft te zijn. De invloed van politiek-kunstmatig verhoogde prijzen op de reële bestedingsmogelijkheden wordt aangeduid als inkomenseffect.
Tezamen vormen substitutie- en inkomenseffect het allocatie-effect. Wordt met het in rekening brengen van externe kosten met het oog op het streven naar een optimale verdeling van schaarse productiefactoren over de verschillende economische activiteiten en op het regulerend effect daarvan de nadruk gelegd in, dan kan worden gesproken van een allocatief belastingmiddel.2 Het regulerende effect is de bijdrage die een belastingmiddel levert aan de vermindering van een bepaalde vorm van verontreiniging, verspilling of ongezonde consumptie als gevolg van de verandering in de allocatie van goederen en -diensten.3 Het allocatie-effect zal eerst waarneembaar zijn als de accijns een meer dan marginaal gedeelte van de kostprijs uitmaakt.4
Accijnzen kunnen verschillende effecten hebben die in het algemeen niet steeds in gelijke mate optreden. Met goedgekozen solide grondslagen en toegerust met robuuste tarieven kunnen zijn remmend werken op vervuiling, verspilling of ongezonde consumptie. Zij kunnen de ontwikkeling en toepassing van schonere en meer gezonde processen en producten stimuleren en derhalve een regulerend effect sorteren. Accijnzen bezitten een sterker reallocatief effect naarmate – naast het door hun werking reeds opgetreden gedragseffect – ook hun opbrengsten meer worden gealloceerd ten bate van het beoogde doel (schoon en gezond), en die minder naar de algemene middelen vloeien.5 Worden de opbrengsten bestemd ter eliminatie van vervuiling, verspilling of ongezond gedrag, dan heeft de reallocatie als uitkomst dat de burger enerzijds, door het herstel van de kwaliteit van zijn leefomgeving, verloren gegane functies of gebruiksmogelijkheden daarvan herkrijgt, en hem anderzijds minder niet-gewenste goederen en diensten ter beschikking staan.
Zoals gezegd, zijn alcoholische dranken, alcoholvrije dranken, thee en tabak zuiver consumptieve genotmiddelen, zijn personenauto’s en motorrijwielen verbruiksgoederen ten behoeve van zowel productieve als consumptieve bestedingen, en zijn energie en water eerste levensbehoeften en tegelijkertijd productiegrondstoffen. Slechts de BPM en de EB kennen tariefsdifferentiaties waarmee energiezuinigheid wordt gestimuleerd.
De andere accijnzen hebben die tariefsdifferentiaties niet of niet meer, en zijn dus nog meer dan de BPM gericht op het verwerven van algemene middelen met het effect op de doelstellingen van duurzame ontwikkeling als secundair doel.