Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.11.1
2.11.1 Eenmalige heffing
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS300500:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 7, p. 6.
Art. 22 Accijnsrichtlijn.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 25.
Kamerstukken II 1991/92, 22 697, nr. 3, p. 24.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 7, p. 6.
Kamerstukken II 1992/93, 22 849, nr. 6, p. 3.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 7, p. 6.
Art. 4 onderdeel b Accijnsrichtlijn.
Vgl. Cnossen 1977 , p. 29.
Conclusie A-G Colomer van 17 april 1997 voor HvJ EG 2 april 1998, nr. C-296/95, The Queen and Commissioners of Customs and Excise vs. EMU Tabac SARL, The Man in Black Ltd, J. Cunningham, in tegenwoordigheid van Imperial Tobacco Ltd, Jur. 1998, p. I-1605, r.o. 11-12. Vgl. Kamerstukken II 1851/52, XI., nr. 34, p. 60410.
‘een eenmalige heffing op specifieke goederen, die in beginsel in een vroeg stadium van de produktie- en distributieketen verschuldigd wordt.’1
W. Kok, J.G.M. Alders en drs. M.J.J. van Amelsvoort,
Bewindslieden van Financiën en van VROM, 30 november 1992
De accijns is een gepreciseerde verbruiksbelasting. De accijnzen hebben het verbruik van een aantal specifiek omschreven goederen en (in de 19e eeuw ook) diensten tot heffingsobject, die in één segment van de productieketen wordt geheven en vanaf dat heffingspunt kostprijsverhogend werken.2 De Accijnsrichtlijn beoogt in het licht van het bestemmingslandbeginsel en het ontbreken van een communautaire schatkist te bewerkstelligen dat op het grondgebied van de Gemeenschap slechts éénmaal accijns wordt voldaan en wel op het grondgebied van de lidstaat waar het verbruik daadwerkelijk plaatsvindt.3 Daarmee is volgens de MvT (1989) bij de Wa een accijns: ‘een eenmalige heffing op het binnenlandse verbruik’.4 De accijnsharmonisatie in EG-verband heeft in deze definitie geen enkele verandering gebracht. De MvT (1992) bij de wijziging van de Wa in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen definieert de accijns als: ‘een eenmalige heffing op het binnenlandse verbruik’.5 Meer precies definieert de MvA (1990) bij de Wa de accijns als: ‘een eenmalige heffing in de fabrikanten- en groothandelsschakel’.6 Nog meer precies als: ‘een eenmalige heffing op specifieke goederen, die in beginsel in een vroeg stadium van de produktie- en distributieketen verschuldigd wordt’.7 De accijns wordt dus eenmalig in de keten en daarmee eenmalig ter zake van het (toekomstige) verbruik geheven. De kring van belastingplichtigen is dan ook zeer beperkt en daardoor de perceptiekosten laag.8
Vanwege dit specifieke kenmerk van de accijns, de eenmalige heffing in de fabrikanten- en groothandelsschakel, is het leveringsbegrip van de omzetbelasting als belastbaar feit voor de accijnzen in het algemeen minder geschikt. Voor dat doel is een eenvoudiger en in de praktijk van de heffing duidelijk en goed controleerbaar aangrijpingspunt beschikbaar, te weten het verlaten van de accijnsgoederen van de plaats waar zij zijn vervaardigd of opgeslagen. Dit aangrijpingspunt is de uitslag tot verbruik uit het belastingentrepot of accijnsgoederenplaats (AGP), de plaats waar accijnsgoederen zijn vervaardigd of opgeslagen.9 In Nederland wordt de benaming accijnsgoederenplaats, (AGP) als aanduiding van het communautaire begrip belastingentrepot gebruikt.10 Hierna wordt zo veel mogelijk de communautaire term belastingentrepot gebezigd. Het belastbaar feit van de BOL voor leidingwater en de EB voor wat betreft aardgas en elektriciteit is de levering daarvan. Van levering is ook sprake ingeval van afstandverkopen van reeds uit een AGP uitgeslagen en derhalve reeds veraccijnsde alcohol-, energie- en tabaksproducten die bestemd zijn voor afnemers in een andere lidstaat. Het belastbaar feit van de GWB is het onttrekken van grondwater aan de bodem.
Voor de assurantiebelasting is het belastbaar feit de toestand van het verzekerd zijn (niet het sluiten van de verzekering). Voor de heffing van de BSB (sedert 1 januari 2004 alleen nog een accijns van kolen) was tot 2008 het belastbaar feit de aflevering of het verbruik van kolen. Zoals gezegd is de BSB per 1 januari 2008 omgedoopt tot KB met als belastbare feiten de uitslag en de invoer van kolen. De oude BVB werd geheven ter zake van de levering door de fabrikant of importeur. De opvolger van de BVB, de BPM, wordt geheven ter zake van de registratie van een personenauto, motorrijwiel of bestelauto in het kentekenregister. Zowel binnen de Gemeenschap vervaardigde als ingevoerde accijnsgoederen worden ter zake van de uitslag, de invoer, de levering, de onttrekking, de aflevering, de registratie of de vermissing in de accijnsheffing betrokken.
De betaling ervan wordt gewoonlijk uitgesteld totdat de goederen tot verbruik in het vrije verkeer van de Gemeenschap worden uitgeslagen. In het algemeen doemen zich daarbij geen heffingsproblemen op, omdat accijnsgoederen eerst in het vrije verkeer gebracht mogen en kunnen worden, zodra de verschuldigde accijns op aangifte is voldaan. Pogingen om de voldoening van de accijnzen te ontgaan zijn in vergelijking tot de inkomstenbelasting (IB) minder succesvol.11 Aldus worden de accijnzen in beginsel verschuldigd en ingevorderd in de lidstaat waar de goederen in het vrije verkeer van de Gemeenschap worden gebracht alwaar zij geacht worden te worden verbruikt.12