Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.5.1
2.5.1 Substantiële opbrengst
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS301719:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2003/04, 29 035, 29 209 en 29 210, nr. 93, p. 79.
Kamerstukken II 1832/33, IX, nr. 5, p. 483 lk.
Handelingen II 1833/34, 19 december 1833, p. 104 lk.
Handelingen II 1990/91, 13 juni 1991, p. 92-5251 lk.
Handelingen II 1990/91, 21 februari 1991, p. 53-3101.
Handelingen II 1833/34, 19 december 1833, p. 104. Van Alphen debatteert hier over de suikeraccijns.De suikeraccijns accijns heeft anno 1833 naast de budgettaire functie ook een steunfunctie aan de suikerindustrie. De accijns zit zo in elkaar dat hij bij uitvoer bovenop de gebruikelijke restitutie bij uitvoer van geraffineerde suiker een uitvoersubsidie aan suikerexporteurs verschaft.W.M.G. Visser, De Europese harmonisatie van de suikeraccijns, Tribuut aan Europa, Jubileumbundel van de 50-jarige Federatie van Belastingadviseurs, Amersfoort: 2004, p. 467-487. Zo ook het Tweede-Kamerlid De Bruyn Kops in: Handelingen II 1885/86, 17 december 1885, p. 836 rk.
P.W.A. Cort van der Linden, Leerboek der Financiën; de theorie der belastingen, ’s-Gravenhage: 1887, p. 448.
Hulst 1932, p. 79.
W.M.G. Visser, De Europese harmonisatie van de suikeraccijns, Tribuut aan Europa, Jubileumbundel van de 50-jarige Federatie van Belastingadviseurs, Amersfoort: 2004, p. 467-487.
Kamerstukken II 1902/03, 98, nr. 5, p. 5-6. Handelingen II 1903/04, 16 december 1903, p. 987-989. Kamerstukken II 1904/05, 2. , p. 22 lk. Kamerstukken II 1912/13, 39, nr. 1, p. 3 lk. Kamerstukken II 1912/13, 44, nr. 1, p. 1 rk. Kamerstukken II 1920/21, 345, nr. 5, p. 5 lk. Handelingen II 1920/21, 23 december 1920, p. 1299-1306. Handelingen II 1927/28, 1 december 1927, p. 757-759 en 798-799. Handelingen II 1927/28, 2 december 1927, p. 810 lk. Kamerstukken II 1928/29, 221, nr. 3, p. 2 lk. Kamerstukken II 1929/30, 2. VII B, nr. 8, p. 14, Bijlage A.Handelingen II 1929/30, 7 november 1929, p. 341. Kamerstukken II 1930/31, 155, nr. 4, p. 6 lk. Wet van 3 mei 1924, Stb. 1924, 227. Wet van 29 januari 1931, Stb. 1931, 25.
Enkele citaten (cursief auteur): ‘De brandstoffenbelasting is een algemene belasting op milieugrondslag waarbij de opbrengstfunctie voorop staat, terwijl het bij de regulerende energiebelasting juist primair om de reguleringsfunctie gaat’, Kamerstukken II 1994/95, 24 250, nr. 3, p. 14, ‘De primaire reguleringsdoelstelling van de energiebelasting brengt namelijk mee dat deze (…)’, KamerstukkenII 1994/95, 24 250, nr. 3, p. 15, ‘De primaire doelstelling van de belasting is het terugdringen van het energieverbruik’, Kamerstukken II 1994/95, 24 250, nr. 3, p. 22, ‘Aangezien de regering uitspreekt dat de primaire doelstelling van de belasting het terugdringen van het energieverbruik is, zijn (…)’, Kamerstukken II 1994/95, 24 250, nr. 5, p. 15, ‘Anders dan de reeds bestaande belastingen op milieugrondslag heeft deze belasting niet het creëren van een nieuwe inkomstenbron, maar energiebesparing als hoofddoel. Het is dus op deze doelstelling dat het wetsvoorstel primair moet worden beoordeeld’, Kamerstukken II 1994/95, 24 250, nr. 5, p. 19, ‘Omdat regulering toch het primaire doel van dit wetsvoorstel is, zal hier ook een duidelijk effect zichtbaar moeten zijn’, KamerstukkenII 1994/95, 24 250, nr. 5, p. 19, ‘Verbruikers met een meer dan gemiddeld energieverbruik gaan er per saldo op achteruit en worden aldus extra geprikkeld om meer aan energiebesparing te doen. Dit effect is in lijn met de primaire doelstelling van de regulerende energiebelasting’, KamerstukkenII 1994/95, 24 250, nr. 6, p. 26, ‘In het wetsvoorstel is aangegeven, dat de primaire invalshoek van dit wetsvoorstel is het invoeren van een (financiële) prikkel tot energiebesparing en een versterking van het beleid uit de Vervolgnota Energiebesparing en het NMP2’, Kamerstukken II 1994/95, 24 250, nr. 6, p. 27, ‘Zoals in de memorie van toelichting (p. 2) is aangegeven, is het primaire doel van de regulerende energiebelasting het leveren van een bijdrage aan het terugdringen van de Nederlandse CO2-emissie’, Kamerstukken II 1994/95, 24 250, nr. 6, p. 39.
Zie onder meer: Kamerstukken II 2002/03, 28 600 IXB, nr. 2, p. 20. Kamerstukken II 2003/04, 29 200 XIII, nr. 3, p. 47.
‘Accijnzen zijn er om geld op te halen; ik wil nu niet wegglijden door het noemen van andere doeleinden.’1
mr. drs. J.G. Wijn, Staatssecretaris van Financiën,
10 november 2003
Accijnzen zijn er inderdaad om geld op te halen en wel in substantiële en toereikende hoeveelheden. Minister Van Tets van Goudriaan (1833) legt uit, dat ‘over het algemeen de noodzakelijkheid wordt beseft, dat, wil men de accijns bestendigen, dezelve alsdan ook eene billijke opbrengst aan de schatkist moet geven’.2 ‘Eene wet van accijnsen moet productief zijn voor de schatkist, om te kunnen regtvaardigen de strenge surveillance, die gehouden moet worden over den handel, de fabrikaadje van het belaste voorwerp, over de geheele beweging er van, over in- en uitvoer, grooten en kleinen of tusschenhandel’. 3De heffingsobjecten van de accijnzen worden zorgvuldig op opbrengstgenererend vermogen geselecteerd: ‘ik moet constateren dat in het algemeen accijnzen worden geheven van produkten met een geringe prijselasticiteit. Ik veronderstel dat dat fiscaal niet toevallig is’ aldus staatssecretaris Van Amelsvoort (1991).4
Bij accijnzen die gedrag moeten reguleren behoren volgens Van Amelsvoort (1991) andere typen grondslagen dan die van opbrengstgenererende accijnzen.5 Een belasting die onvoldoende opbrengst voor de schatkist genereert, is volgens Van Alphen
(1833) geen accijns.6 De accijnzen verschaffen de samenleving volgens de hoogleraar staatshuishoudkunde Cort van der Linden (1887) een variabele opbrengst, welke stijgt met de vermeerdering van de welvaart ‘dus ten tijde, dat ook de behoeften der schatkist in den regel toenemen’7, maar juist ook in tijden van neergang, spanning en crisis minder opbrengen.8
Gedurende de periode van 200 jaar accijnsheffing vanaf 1805 is de primaire rechtsgrond van de accijnzen het vergaren van middelen in substantiële hoeveelheden voor de schatkist. Hierop bestaan drie uitzonderingen. De suikeraccijns heeft vrijwel gedurende zijn gehele bestaan in de 19e eeuw tot 1902 de functie de suikerexport te ondersteunen, als gevolg waarvan de netto-opbrengst marginaal is.9 Voor de gedistilleerdaccijns is in de jaren 1921 tot en met 1926 het volksgezondheidsargument even de primaire rechtsgrond en de budgettaire functie de secundaire.10 Voor de EB, ingevoerd vanaf 1996, geldt aanvankelijk het gebruik als instrument voor ecologische politiek als primaire rechtsgrond met energiebesparing als hoofddoel. 11 De EB draagt dan ook vanaf dat moment de benaming ‘regulerende energiebelasting’. Later, ter gelegenheid van de belastingherziening 2001, raakt deze rechtsgrond op de tweede plaats. Internationale concurrentie oefent druk uit op belastingen op mobiele grondslagen, met name kapitaal. Er blijkt dan behoefte aan een ‘robuuste’ opbrengstenbron om de tarieven van de als gevolg van die mobiliteit van arbeid en kapitaal eroderende inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting te kunnen verlagen. Sedertdien dient de EB met de opbrengstratio als financieringsinstrument voor de verlaging van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting in het belang van werkgelegenheid en bedrijvigheid.12 Veelzeggend is dat met ingang van 1 januari 2004 tevens het predicaat ‘regulerende’ uit de benaming is verdwenen.