Inhoudsopgave
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/6099:Streekplan
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/6099
Streekplan
Documentgegevens:
S.C. Kortekaas, actueel t/m 22-02-2016
- Actueel t/m
22-02-2016
- Auteur
S.C. Kortekaas
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Ruimtelijke ordening
- Wetingang
art. 2.2 Wro
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een provinciaal planologisch beleidsplan waarin de provincie haar toekomstig ruimtelijk beleid in hoofdlijnen vastlegt als bedoelt in de WRO. Sinds 2008 wordt gesproken over de provinciale structuurvisie.
KB 20 maart 1979; AB 1979/351; ABRvS 2 juni 1998, nr. E01.94.0271; M en R 1999/38; ABRvS 28 februari 2000, nr. E01.96.0146; M en R 2000/124; ABRvS 20 september 2000, nr. E01.96.0333; M en R 2001/30; ABRvS 6 juli 2005, Agr. Recht 2005-5305 (m. nt. D.W. Bruil)
Beschrijving
Algemeen
Tot 1 juli 2008 was de WRO van toepassing. Hierin was de mogelijkheid opgenomen voor het vaststellen van een streekplan. Sindsdien wordt dit instrument de provinciale structuurvisie genoemd.
Een belangrijke wijziging ten opzichte van de situatie van voor 2008 is dat de beleidsvormende en de juridische functie zijn gescheiden. In de praktijk bleek dat deze twee functies van de structuurvisie soms moeilijk verenigbaar zijn. De juridische binding ontstaat pas als de provincie actief optreedt en één van de volgende instrumenten inzet:
bevoegdheid om bij provinciale verordening algemene regels te geven waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen;
bevoegdheid om gemeenten een specifieke aanwijzing te geven over de inhoud van een bestemmingsplan;
bevoegdheid om zelf bestemmingsplannen te maken;
bevoegdheid om zelf projectprocedure te starten.
Structuurvisie
Provinciale Staten (PS) zijn bevoegd om voor (delen van) de provincie een streekplan vast te stellen. Een structuurvisie bestaat uit een beschrijving van de meest gewenste ontwikkelingen, een of meer kaarten en een toelichting waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van onderzoek en overleg zijn neergelegd.
Gedeputeerde Staten (GS) verrichten bij de voorbereiding van de structuurvisie een onderzoek ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Onder meer moet aandacht worden besteed aan milieuaspecten. GS passen de structuurvisie toe bij de toetsing van gemeentelijke ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen.
Over relevante ruimtelijke zaken, zoals aanpassingen van de structuurvisie, moeten GS de relevante actoren betrekken.
Functies structuurvisie
In de structuurvisie geven PS hun beleid weer ten aanzien van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het desbetreffende gebied. In die zin is de structuurvisie een beleidsplan. Voorts vindt in de structuurvisie afstemming plaats met het overige (sector-)beleid van de provincie, zoals het waterbeleid en het milieubeleid, en met het ruimtelijk relevante beleid van andere overheden (Rijk, gemeenten, waterschappen). Dit noemen we integratie- of de coördinatiefunctie. Tenslotte fungeert de structuurvisie als toetsingskader voor de beoordeling, door GS, van ruimtelijke plannen van gemeenten (o.a. bestemmingsplannen). Dit is de functie van juridisch toetsingskader.
Beleidsregels van GS
Niet alleen kunnen PS in de structuurvisie beleidsregelachtige uitspraken opnemen, GS kunnen ook zelf nog echte beleidsregels opstellen waaruit blijkt hoe zij - uiteraard binnen de structuurvisie kaders - omgaan met hun bevoegdheid om gemeentelijke ruimtelijke plannen te toetsen. Dit gebeurt in vrijwel alle provincies. Deze beleidsregels zijn vaak een concretisering van de wat vagere structuurvisieteksten. De beleidsregels zijn bindend voor GS en (indirect) voor gemeenten, maar het een goede motivering kan er van worden afgeweken.
Afstemming met andere provinciale beleidsplannen
Behalve een structuurvisie, moeten provincies ook een milieubeleidsplan (verplichting op grond van de Wet milieubeheer) en een waterhuishoudingsplan (verplichting op grond van de Wet op de waterhuishouding) vaststellen. Voor een goede doorwerking van het provinciale beleid moet de afstemming tussen deze drie plannen optimaal zijn. Oorspronkelijk vond deze afstemming vooral plaats via het ‘haasje-over-principe’. Dit houdt in dat het beleid zoals weergegeven in het meest recent vastgestelde plan geldt; de andere plannen moesten daar dan weer aan worden aangepast. De laatste jaren kiezen de provincies er vaak voor om de herzieningsprocedures voor de drie plannen procedureel gelijk op te laten lopen, zodat op één moment drie actuele en inhoudelijk goed op elkaar afgestemde plannen kunnen worden vastgesteld. Sommige provincies gaan nog een stap verder. Zij maken dan één integraal plan dat zowel geldt als structuurvisie, milieubeleidsplan als waterhuishoudingsplan. Dit wordt een provinciaal omgevingsplan (POP) genoemd.
Reconstructieplannen
In Zuid- en Oost-Nederland is de Reconstructiewet concentratiegebieden van toepassing. Met de term concentratiegebieden wordt gedoeld op de concentratie van intensieve veehouderij in deze gebieden. Op grond van de Reconstructiewet moeten de provincies (PS) een of meer reconstructieplannen vaststellen die leiden tot een ‘goede ruimtelijke structuur’ van de concentratiegebieden. Het zal duidelijk zijn dat elk reconstructieplan goed moeten worden afgestemd op de structuurvisie, omdat beide plannen ongeveer hetzelfde beogen. In de praktijk blijkt dat de reconstructieplannen met name sturend zijn op het thema intensieve veehouderij, en dat de structuurvisie voor het overige zijn gelding behoudt.
Jurisprudentie
KB 20 maart 1979; AB 1979, 351
De gemeenteraad kan afwijken van het streekplan als daar dringende redenen voor zijn.
ABRvS 2 juni 1998, nr. E01.94.0271; M en R 1999, 38
Mede gezien de ontstaansgeschiedenis van de Wet voltooiing eerste fase herziening rechtelijke organisatie (TK 1992-1993, 22 495, nr. 6, p. 69) stelt de Afdeling vast dat een streekplan (of een partiële herziening daarvan) in beginsel een indicatief karakter draagt. Het bevat immers met name elementen, die niet zo zeer een finaal oordeel inhouden over concrete vormen van grondgebruik, maar de doelstellingen, randvoorwaarden, prioriteiten en samenhangen van het provinciale beleid aangeven. Zij kunnen niet worden aangemerkt als besluiten bedoeld in artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Wil een plandeel desalniettemin aangemerkt kunnen worden als een besluit in laatstbedoelde zin dan dient dit naar oordeel van de Afdeling, gelet op de wetsgeschiedenis in dit verband gebruikte term ‘concrete beleidsbeslissing’, wat betreft drie te onderscheiden aspecten een voldoende mate van concreetheid te bezitten. Ten eerste dient het plandeel concreet tot uitdrukking te brengen dat verweerders, als verantwoordelijk bestuursorgaan, ten tijde van de planvaststelling hebben beoogd met het desbetreffende plandeel een afgewogen beslissing te nemen. Ten tweede dient de plaats of het gebied waarvoor deze beslissing geldt voldoende concreet te zijn bepaald. Ten derde moet het beoogde project of de ruimtelijke ingreep voldoende concreet zijn aangegeven. Omtrent de laatste twee criteria overweegt de Afdeling dat de aard van projecten of ingrepen enerzijds en de plaats of het gebied waar deze zijn gedacht anderzijds, vaak zodanig samenhangen dat de vereiste mate van concreetheid in onderling verband zal moeten worden bezien.
ABRvS 28 februari 2000, nr. E01.96.0146; M en R 2000, 124
Het beroep van appellanten sub 1 en 2 richt zich tegen de in het streekplan opgenomen passage dat ‘de bouw van kerncentrales in de provincie en aangrenzende gebieden wordt afgewezen zolang voor de diverse daaraan verbonden problemen (zoals afval en risico's) geen verantwoorde oplossingen zijn gevonden’. Uit deze passage volgt dat verweerders de bouw van kerncentrales niet onvoorwaardelijk afwijzen. Indien er verantwoorde oplossingen zijn gevonden voor de aan de vestiging van kerncentrales verbonden problemen wordt de bouw van kerncentrales niet meer onvoorwaardelijk uitgesloten. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat er geen afgewogen, finale beslissing is genomen. Dit planonderdeel is derhalve geen besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
ABRvS 20 september 2000, nr. E01.96.0333; M en R 2001, 30
Gelet op deze kenmerken alsmede op het feit dat het niet om een nieuwe aanwijzing gaat, kan naar het oordeel van de Afdeling niet gezegd worden dat verweerders het gebied in het streekplan niet in redelijkheid als stiltegebied hebben kunnen aanwijzen. Het feit dat het gebied als gevolg van agrarische activiteiten en wegverkeer in akoestisch opzicht niet zonder meer als ‘stiltegebied’ kan worden betiteld, maakt dit niet anders. De aanwijzing als stiltegebied in het streekplan strekt er immers toe de rust en de stilte in het gebied te beschermen en te vergroten.
ABRvS 6 juli 2005, Agr. Recht 2005-5305 (m. nt. D.W. Bruil)
Hoewel in artikel 29 van de Reconstructiewet concentratiegebieden staat dat een belanghebbende tegen ‘het reconstructieplan’ beroep kan instellen, acht de Afdeling beroepen tegen indicatieve, niet-bindende onderdelen van een reconstructieplan niet-ontvankelijk. Wel ontvankelijk zijn beroepen die zich richten tegen:
onderdelen die op grond van artikel 27 van de wet rechtstreeks doorwerken in bestemmingsplannen;
onderdelen die betrekking hebben op de zonering van de intensieve veehouderij;
onderdelen die begripsbepalingen bevatten;
Literatuur
BuurenP.J.J. van e.a. Hoofdlijnen Ruimtelijk bestuursrecht Kluwer Deventer 1996
Over streekplannen en andere statenbesluiten GierA. A. J. de ; e.a. Bouwrecht 585 1992
Zundert J.W. van e.a. Tekst en Commentaar Ruimtelijk Bestuursrecht Kluwer Deventer 2005