Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.22.1
2.22.1 Vrijwilligheid en vermijdbaarheid
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS301724:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1906/07, 99, nr. 11, p. 14 rk.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 116 lk.
Handelingen II 1877/78, 22 mei 1878, p. 843 rk.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 116-117 lk.
Kamerstukken II 1906/07, 99, nr. 11, p. 14 rk.
Handelingen II 1854/55, 7 juni 1855, p. 823 lk. Kamerstukken II 1898/99, 65, nr. 1, p. 3 rk. KamerstukkenII 1898/99, 65, nr. 1, p. 3 rk. Kamerstukken II 1906/07, 99, nr. 11, p. 14 rk.
Handelingen II 1862/63, 20 september 1862, p. 21 lk.
N.G. Pierson, Leerboek der staathuishoudkunde, Haarlem: 1890. Handelingen II 1891/92, 28 juni 1892, p. 1093 rk.
Handelingen II 1891/92, 23 juni 1892, p. 1069 rk. Evenzo het Tweede-Kamerlid Heldt in: HandelingenII 1891/92, 30 juni 1892, p. 1133 lk.
Kamerstukken II 1923/24, 196, nr. 5, p. 7 lk.
Kamerstukken II 2000/01, 27 415 nr. 3, p. 14.
‘Bovendien mag worden opgemerkt, dat het gebruik van sterken drank geheel vrijwillig geschiedt en dat dus ieder het in de hand heeft te bepalen, hoeveel hij aan gedistilleerdaccijns wil offeren.’1
mr. Th.H. de Meester,
minister van Financiën, 1906
Het dragen van accijnzen heeft van oudsher volgens de wetgever een vrijwillig karakter, omdat de burger zijn bestedingen zo kan inrichten, dat hij die ontloopt.2 De vermijdbaarheid van accijnzen is volgens het Tweede-Kamerlid Van Nispen van Sevenaar (1878) gelegen ‘in de vrijheid die ieder ingezeten heeft, om wanneer zijne middelen hem de betaling der belasting niet veroorloven, zich daaraan geheel of gedeeltelijk te onttrekken, en zulks op de meest eerlijkste wijze. Wanneer ik geene belasting kan of wil betalen voor jenever, dan drink ik dien drank niet; wil ik geene belasting betalen voor tabak, dan rook ik niet. Niemand kan mij dit euvel duiden’.3 Dit kenmerk wordt vooral gebruikt ten aanzien van de gedistilleerdaccijns, waarvan wordt benadrukt ‘dat er niemand is, in welken stand ook geplaatst, welke deze, door inkrimping zijner genietingen, niet voor een gedeelte kan ontgaan, en dus niet erkennen moet, dat zijne bijdragen, althans ten deele, vrijwillig zijn’. Op dit bijzondere kenmerk baseert Appelius (1816) de ratio van de ‘gezonde staatkunde’ van de gedistilleerdaccijns, dat wil zeggen drankmisbruikbestrijding, aangezien ‘alle bijdragen in de belasting op het binnenlandsch gedistilleerd, dus ook met den volsten nadruk als geheel vrijwillig kunnen worden aangemerkt’.4 Een ieder heeft het in de hand ‘te bepalen, hoeveel hij aan gedistilleerdaccijns wil offeren’.5 Tot ver in de 20e eeuw wordt een vrijwillig betaalde belasting verondersteld niet te drukken.6 Volgens minister Betz (1862) bekleedt de gedistilleerdaccijns ‘eene eerste plaats’ onder ‘die belastingen, die niet als drukkend kunnen genoemd worden, omdat zij vrijwillig worden gedragen’, waarmee nadrukkelijk niet de accijnzen van eerste levensbehoeften worden bedoeld.7 Pierson (1890) toont in zijn economiehandboek de eenzijdig gelegde belastingdruk als schaduwkant van de vrijwilligheid: ‘Doch ziehier den schaduwkant: de minstgegoede klasse der burgerij draagt nu een veel grooter deel der algemeene lasten dan anders te rechtvaardigen zou zijn. Zij draagt het in zekeren zin vrijwillig; en eene belasting der
“nooddruft? kan de jeneveraccijns zeer zeker niet heeten, maar zij draagt het toch, en de meer gegoeden worden daardoor bevoordeeld’.8 Het Tweede-Kamerlid Van Houten (1892) meent dat helemaal geen sprake is van vrijwilligheid: ‘vrijwillig is geene belasting. Het blijkt dat de omstandigheden, die tot drinken aanleiding geven, sterk genoeg zijn om alle belastingen te trotseeren. Zeer zeker drinkt de arbeidende klasse veel minder vrijwillig jenever dan wij wijn’.9 Onder het argument van vrijwilligheid en vermijdbaarheid legt minister Colijn (1924) een forse verhoging op de bieraccijns en de theeaccijns.10 Alcoholische dranken, thee en tabak zijn genotmiddelen, maar ook bij de eerste levensbehoeften en productiegrondstoffen energie en water maakt de factor vermijdbaarheid in samenhang met zuinigheid en spaarzaamheid deel uit van de ratio van de heffing van de EB en de wateraccijnzen. De belastingvermindering in de EB moet het onvermijdbare energieverbruik weerspiegelen.11