Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/5.5.2
5.5.2 Duurzame ontwikkeling
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305323:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 7 februari 1985, nr. 240/83, Procureur de la République vs. Association de Défense des Brûleurs d'Huiles Usagées (ADBHU), Jur. 1985, p. 531, r.o. 13. Zie ook: Art. 95 lid 4 EG dat bepaalt dat de lidstaten na het nemen van harmonisatiemaatregelen onder bepaalde voorwaarden, gerechtigd blijven verdergaande maatregelen te nemen die hun grondslag vinden in de noodzaak het arbeidsmilieu of het milieu in het algemeen te beschermen. Fiscale harmonisatie dient volgens de art. 93 en 94 EG te geschieden met unanimiteit van stemmen. Fiscale bepalingen zijn daarom uitgezonderd (art. 95 lid 2 EG).
Overweging 25 considerans Richtlijn energiebelastingen.
Overweging 7 considerans Richtlijn energiebelastingen.
HvJ EG 20 september 1988, nr. 302/86, EC vs. Denemarken (Deense flessen), Jur. 1988, p. 4607. HvJ EG 23 november 1989, nr. 145/88, Torfaen Borough Council vs. B&O PLC, Jur. 1989, p. 3851.
Art. 2, 3, 10, 14, 95, 174, 175 en 176 EG.
Art. 2 EG.
HvJ EG 14 juli 1976, nrs. 3/76, 4/76 en 6/76, Strafgedingen tegen Cornelis Kramer, Hendrik van den Berg en Vennootschap onder firma Kramer en Bais. HvJ EG 10 maart 1983, nr. 172/82, Syndicat National des Fabricants Raffineurs d'Huiles de Graissage en 113 anderen vs. Groupement d'Intérêt Economique Inter-Huiles en 12 anderen, Jur. 1983, p. 555. HvJ EG 7 februari 1985, nr. 240/83, Procureur de la République vs. Association de Défense des Brûleurs d'Huiles Usagées (ADBHU), Jur. 1985, p. 531, r.o. 13. In HvJ EG 20 september 1988, nr. 302/86, EC vs. Denemarken (Deense flessen), Jur. 1988, p. 4607 heeft het HvJ EG beslist, dat de bescherming van het milieu een dwingend vereiste vormt, dat de toepassing van art. 28 EG kan beperken. Uit de redenering van r.o. 6 t/m r.o. 9 volgt dat die beperking ook voor andere gemeenschapsdoelstellingen zoals die van de art. 87-89 (steunmaatregelen) en 90-91 (fiscaal discriminatieverbod) EG geldt.
HvJ EG 7 februari 1985, nr. 240/83, Procureur de la République vs. Association de Défense des Brûleurs d'Huiles Usagées (ADBHU), Jur. 1985, p. 531, r.o. 12.
HvJ EG 20 september 1988, nr. 302/86, EC vs. Denemarken (Deense flessen), Jur. 1988, p. 4607.
HvJ EG 7 februari 1985, nr. 240/83, Procureur de la République vs. Association de Défense des Brûleurs d'Huiles Usagées (ADBHU), Jur. 1985, p. 531, r.o. 15.
Art. 2, 3, 10, 14, 95, 174, 175 en 176 EG.
Art. 174 EG.
Art. 95 lid 4, art. 174 en art. 176 EG.
Art. 95 lid 2 EG. Onder ‘fiscale bepalingen’ als bedoeld in art. 95 lid 2 EG worden verstaan bepalingen tot vaststelling van de belastingplichtigen, belastbare handelingen, heffingsgrondslag, tarieven en vrijstellingen van de directe en indirecte belastingen en de wijze van invordering van deze belastingen. HvJ EG 29 april 2004, nr. C-338/01, EC vs. Raad, Jur. 2004, p. I-4829, r.o. 67.
HvJ EG 17 mei 1994, nr. C-41/93, Frankrijk vs. EC, Jur. 1994, p. I-1829, r.o. 24-25.
HvJ EG 19 mei 1992, nr. 195/90, EC vs. Duitsland, Jur. 1990, p. I-2715, r.o. 33. Zie ook P.J. Slot in zijn noot onder dit arrest, SEW 1993/457. HvJ EG 7 november 1991, nr. C-17/90, Pinaud Wieger GmbH Spedition vs. Bundesanstalt für den Güterfernverkehr, Jur. 1991, p. I-5253, r.o. 11.
HvJ EG 2 februari 1988, nrs. 67/85, 68/85 en 70/85, Kwekerij Gebroeders van der Kooy BV, Johannes Wilhelmus van Vliet, Landbouwschap en Koninkrijk der Nederlanden vs. EC (tuindersaardgasarresten).
Zie onder meer ook: HvJ EG 17 november 1992, nr. C-105/91, EC vs. Griekenland, Jur. 1992, p. I-5871.
HvJ EG 10 juli 1984, nr. 72/83, Campus Oil e.a. vs. Minister van Industrie en Energie e.a., Jur. 1984, p. 2727, r.o. 16. HvJ EG 20 maart 1990, nr. C-21/88, Società Du Pont de Nemours Italiana SpA vs. Unità Sanitaria Locale No. 2 di Carrara, Jur. 1990, p. I-889, r.o. 11.
Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering in het protocol van de derde conferentie van de partijen bij dit verdrag, opgesteld te Kyoto, ondertekend door de Gemeenschap op 29 april 1988. Namens de Gemeenschap goedgekeurd bij Besluit nr. 94/69/EG van de Raad van 15 december 1993, (PbEg 1994, L 33/11).
Zie in dit verband met name resolutie nr. 98/C 198/01 van de Raad van 8 juni 1998 betreffende duurzame energiebronnen, (PbEg 1998, C 198/1), en beschikking 646/2000/EG van het EP en de Raad van 28 februari 2000 tot vaststelling van een meerjarenprogramma ter bevordering van duurzame energiebronnen in de Gemeenschap (Altener) (1998-2002), (PbEg 2000, L 79/1).
Art. 174 lid 2 eerste alinea EEG-verdrag. Het Verdrag van Amsterdam heeft deze bepaling in een licht gewijzigde vorm opgenomen in art. 6 EG, in het eerste deel, ‘De beginselen’.
Achtentwintigste overweging van de considerans en art. 8 lid 3 en art. 11 lid 3 van Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, (PbEg 1997, L 027/20-29).
Overweging 39 considerans Richtlijn energiebelastingen.
Voorstel van 31 mei 2000 voor een richtlijn (2000/C 311 E/22) van het EP en de Raad betreffende de bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt, (PbEg 2000, C 311 E/320).
HvJ EG 13 maart 2001, nr. C-379/98, PreußenElektra AG vs. Schhleswag AG, Jur. 2001, p. I-02099, r.o. 70-81.
Duurzame ontwikkeling is volgens het HvJ EG in het ADBHU-arrest (1985) ‘één van de wezenlijke doelstellingen van de Gemeenschap’, die als zodanig bepaalde beperkingen op het beginsel van het vrije verkeer van goederen kan rechtvaardigen.1 Het gebruik van alternatieve energiebronnen, hernieuwbare bronnen en WKK komen in aanmerking voor een bevoorrechte positie.2 De geharmoniseerde minimumtarieven voor energieproducten waaronder elektriciteit vormen volgens de considerans van de Richtlijn energiebelastingen een van de beschikbare instrumenten om de doelstellingen van het Kyoto-protocol te verwezenlijken.3
In het Deense flessen-arrest (1988) heeft het HvJ EG beslist, dat ingeval een communautaire regeling inzake het verhandelen van de bepaalde goederen ontbreekt, en dus moet worden volstaan met 27 verschillende nationale regelingen, mogelijke belemmeringen van het intracommunautaire verkeer als gevolg van die verschillen voor lief moeten worden genomen, voor zover een dergelijke nationale regeling, die zonder onderscheid naar herkomst van toepassing is op nationale en van elders binnengebrachte goederen, haar rechtvaardiging vindt in dwingende vereisten van het gemeenschapsrecht en evenredig is aan het beoogde doel, dat wil zeggen dat zij de maatregel is die het vrije handelsverkeer het minst belemmert. Volgens het HvJ EG in het Deense flessen-arrest (1988) behoort tot die dwingende eisen – onder meer – milieubescherming.4 Milieubescherming is zelfs een van de meest pregnante doelstellingen in het EG-verdrag. Het Europese beleid is vormgegeven te streven naar een hoog niveau van milieubescherming5 en de integratie van economische beslissingen en milieubescherming.6 De EC is expliciet opgedragen in dat hoge niveau van milieubescherming te voorzien. De bescherming van het milieu wordt aangemerkt als een van de wezenlijke doelstellingen van de Gemeenschap, die als zodanig bepaalde beperkingen op het beginsel van het vrije verkeer van goederen kan rechtvaardigen.7 In dit kader kunnen aan de vrijheden van het EG-verdrag, zoals de vrijheid van goederenverkeer, bepaalde grenzen worden gesteld ‘die worden gerechtvaardigd door de door de Gemeenschap nagestreefde doelstellingen van algemeen belang, mits de wezenlijke inhoud van dit recht niet wordt aangetast’.8 Een dwingende eis zoals milieubescherming mag echter niet betekenen dat een lidstaat zich om die reden aan specifieke op hem rustende verplichtingen onttrekt.9 Milieubeschermingsmaatregelen mogen ‘niet meer beperkingen meebrengen dan strikt noodzakelijk zijn ter bereiking van de nagestreefde doelstelling van algemeen belang, te weten de bescherming van het milieu’.10
Deze opvattingen zijn al vroeg bevestigd door de Europese Akte (1986) en thans neergelegd op diverse plaatsen in het EG-verdrag.11 Zo is bepaald, dat het optreden van de Gemeenschap onder meer tot doel heeft de kwaliteit van het leefmilieu te behouden, te beschermen en te verbeteren. Hiermee is het belang erkend van een rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen alsmede het beginsel preventief te handelen.12 Verder is bepaald, dat de lidstaten zelfs na het nemen van harmonisatiemaatregelen, onder zekere voorwaarden, zelfs het recht hebben verdergaande maatregelen te nemen die hun grondslag vinden in de noodzaak het milieu te beschermen.13
Voor fiscale bepalingen vermag dit niet te gelden.14 Het is de lidstaten in ieder geval toegestaan zelf de noodzakelijke maatregelen te nemen daar waar communautaire regelingen nog ontbreken. Uit ‘s Hofs Pentachloorfenol-arrest (1993) blijkt, dat het nemen van verdergaande maatregelen door een lidstaat aan toezicht van de EC is onderworpen: ‘Aangezien deze mogelijkheid een afwijking van een gemeenschappelijke maatregel tot verwezenlijking van een van de hoofddoelstellingen van het Verdrag betekent, te weten de opheffing van alle belemmeringen van het vrije verkeer van goederen tussen de Lid-Staten, is zij krachtens artikel 100A [artikel 95 EG], lid 4, onderworpen aan het toezicht van de Commissie en het Hof van Justitie. De procedure volgens welke de Commissie de haar door een Lid-Staat medegedeelde nationale bepalingen dient te toetsen en eventueel te bevestigen, moet in het licht van die overwegingen worden onderzocht’.15
Het optimaliseren van meer dan één economisch of sociaal beleidsoogmerk in één belastingregeling brengt overigens risico’s met zich mee. Ondanks dat de doelstelling van milieubescherming voluit werd erkend, kon deze in het Strassenbenutzungsgebühr- arrest (1992) niet als rechtvaardigingsgrond worden gehonoreerd toen werd vastgesteld dat deze Duitse belastingregeling in wezen in de eerste plaats tot doel had de mededingingsvoorwaarden van Duitse vervoerders te verbeteren.16
In de Tuindersaardgas-arresten (1988) speelt milieubescherming als objectieve rechtvaardigingsgrond ook een essentiële rol, maar haalt het niet vanwege het nadrukkelijk aanwezige steunkarakter van de Nederlandse maatregel de aardgasprijs voor grootverbruik op een bepaald niveau vast te stellen. De vaststelling van het tarief voor een energiebron ten gunste van een categorie ondernemingen op een lager niveau dan normaal kan als staatssteun worden beschouwd, wanneer de vaststelling ervan plaatsvindt door een onder de controle en volgens de aanwijzingen van de overheid handelend lichaam en derhalve aan de betrokken lidstaat is toe te rekenen en deze staat in tegenstelling tot een gewone marktdeelnemer zijn bevoegdheden gebruikt om de energieverbruikers een geldelijk voordeel te verschaffen door af te zien van winst die hij normalerwijze zou kunnen maken.17 De maatregelen waren niet meer in overeenstemming met de bepalingen van het EG-verdrag inzake het vrije verkeer van goederen.18
Naar vaste rechtspraak van het HvJ EG in bijvoorbeeld het arrest-Campus Oil (1984) beperkt een afnameverplichting voor elektriciteitsmaatschappijen van een lidstaat om een bepaald product tot een vastgesteld percentage van een nationale leverancier te betrekken, in zoverre de mogelijkheden om dit product in te voeren doordat die verplichting deze marktactoren verhindert een deel van hun behoeften te dekken bij branchegenoten in andere lidstaten en om die reden het intracommunautaire handelsverkeer ten minste potentieel belemmert.19 Mutatis mutandis kan hetzelfde effect worden bereikt met een vrijstelling of verlaagd tarief in de EB. Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een dergelijke verplichting met het MGW-verbod, moet, aldus het HvJ EG, rekening worden gehouden met enerzijds het doel van de betrokken regeling, en anderzijds de bijzonderheden van de betreffende markt. Het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor de elektriciteitsproductie die door een regeling met een dergelijke afnameverplichting wordt aangemoedigd komt de milieubescherming ten goede. Zo wordt bijgedragen tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, waartegen de Gemeenschap heeft besloten maatregelen te nemen. De ontwikkeling van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen maakt immers deel uit van de hoofddoelstellingen van de Gemeenschap bij de uitvoering van de verbintenissen die zij zijn aangegaan bij het Kyoto-verdrag.20 Een dergelijk beleid kan ook de bescherming van de gezondheid en van het leven van personen en dieren beogen, evenals het behoud van plantensoorten.21 Het EG-verdrag schrijft voor dat de eisen ter zake van milieubescherming in het bepalen en uitvoeren van gemeenschapsbeleid op andere gebieden moeten worden geïntegreerd.22 Bovenal volgt uit de Richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, dat de lidstaten uit milieubeschermingsoverwegingen voorrang mogen geven aan de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.23 Volgens de considerans ervan vormt deze richtlijn slechts een nieuwe fase van de liberalisatie van de elektriciteitsmarkt en zullen na haar inwerkingtreding toch nog bepaalde belemmeringen met betrekking tot de handel in elektriciteit tussen de lidstaten blijven bestaan.24 Verder is het vanwege de kenmerken van elektriciteit, zodra zij in het transmissie- of distributienetwerk is opgenomen, lastig om de oorsprong ervan en met name de energiebron waaruit zij is geproduceerd, vast te stellen. Daarom acht de EC in haar voorstel voor een richtlijn betreffende de bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt de invoering in elke lidstaat van een systeem voor certificering van de oorsprong van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen noodzakelijk om de handel in dit soort elektriciteit in de praktijk mogelijk en betrouwbaar te maken.25 Met het arrest-PreußenElektra (2001), in de casus waarvan een afnameplicht van uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde elektriciteit tegen minimumprijzen die hoger zijn dan de werkelijke economische waarde van dit soort elektriciteit aan de orde is, heeft het HvJ EG beslist, dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht inzake de elektriciteitsmarkt de wettelijke regeling met de afnameverplichting niet onverenigbaar is met het MGW-verbod of met het staatssteunverbod.26