TAR 2003/199:Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat naar objectieve maatstaven gesproken het niet kunnen dragen van een wenkbrauwpiercing ook maar in enigerlei mate van invloed is op zijn persoonlijke levenssfeer. Ook beperkt het opgelegde verbod op geen enkele wijze het in artikel 11 van de Grondwet neergelegde recht op onaantastbaarheid van het lichaam. In het kader van zijn werkgeversgezag en zijn verantwoordelijkheid voor de goede gang van zaken binnen het korps, heeft verweerder in redelijkheid tot het standpunt kunnen komen dat het dragen van een wenkbrauwpiercing door geuniformeerde politiebeambten door burgers kan worden ervaren als een teken van onvoldoende representativiteit en neutraliteit.