Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.9.1
2.9.1 Formeel of materieel accijnsbegrip?
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS296818:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
J. van der Poel, Taal, Historie en Recht, Rotterdam: 1949, p. 18-19.
Algemeene Wet van den 26sten augustus 1822, over de heffing der regten van In-, Uit- en Doorvoer en van de Accijnsen, alsmede van het Tonnegeld der zeeschepen, Stb. 1822, 38. Deze wet is na de scheiding van het Koninkrijk der Nederlanden in België en Nederland (1830) in beide landen nog lange tijd in werking gebleven.
H. Ph. Adan, Loi Générale du 26 août 1822, Bruxelles: 1837, p. 8.
B. Schendstok, Over de beteekenis van het woord ‘Accijnsgoederen’ in de Algemene Wet, Weekblad der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, 23 februari 1924, nr. 2695, p. 86 lk.
Conclusie A-G Tak voor HR 14 juni 1926, Weekblad voor het Recht, nr. 11.556, Weekblad der directebelastingen, invoerrechten en accijnzen 1926, nr. 2837.
HR 14 juni 1926, Weekblad voor het Recht, nr. 11.556, Weekblad der directe belastingen, invoerrechtenen accijnzen 1926, nr. 2837.
Resolutie van 2 augustus 1927, nr. 27, B. 4352 inzake de rijwielbelasting, becommentarieerd door Van der Poel in: Weekblad der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, 27 juli 1929, nr. 2978, p. 353-354.
H. Pirenne, Les Villes du moyen-áge, Essai d'histoire économique et sociale, Brussel: 1927, p. 177.
B. Schendstok en A.L. Brok, Elementair Belastingrecht voor Economisten, Deventer: 1971, p. 32.
Van der Poel 1929, p. 354 en 365-366.
Van der Poel 1927, p. 42. Van der Poel 1929, p. 366 lk.
Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 4, p. 7 lk.
Kamerstukken II 1988/89, 21 120, nr. 1, p. 13.
Wet van 15 juni 1951, Stb. 1951, 215.
Kamerstukken II 1949/50, 1703, nr. 3, p. 1 en 16.
Wet van 15 juni 1951, Stb. 1951, 215.
Kamerstukken II 1949/50, 1703, nr. 3, p. 1, 16 en 20.
Kamerstukken II 1963/64, 7533, nr. 6, p. 2 lk.
Kamerstukken II 1963/64, 7185, nr. 5, p. 2 lk.
J. van der Poel, De evolutie van de accijnzen (slot), WFR 1964/37. Zo ook: Van der Poel 1929, p. 365- 366.
Handelingen II 1990/91, 21 februari 1991, p. 53-3075.
J. van der Poel, Sijmen betaal!, Belastingen toen en nu, Alphen aan den Rijn: 1966, p. 117.
Handelingen II 1990/91, 21 februari 1991, p. 53-3075 mk.
Handelingen II 1963/64, 16 april 1964, p. 1662 rk.
Handelingen II 1963/64, 16 april 1964, p. 1663 lk.
Handelingen II 1968/69, 21 mei 1969, p. 2958 rk.
Noot H.J. Hofstra onder HR 7 februari 1973, nr. 16.885, BNB 1973/69.
De bijzondere belastingen op goederen, diensten en handelingen, (Rapport van de Commissie ter bestudering van de accijnzen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, no. 155), Deventer: 1981, p. 7.
Kamerstukken II 1980/81, 16 500, 16 501, 16 502, nr. 5, p. 10.
Kamerstukken II 1968/69, 10 087, nr. 5, p. 9 rk.
Terra 1984, p. 26.
A.L.C. Simons, Milieuheffingen: meer heffingen dan milieu, WFR 16 februari 1978, nr. 5351.
J. de Kater, Herstructurering van de accijnswetgeving, deel 1, FED 1991/796.
Cnossen 2005, p. 2. Cnossen 1977 , p. 7.
Zo ook: P.B. Boorsma, Afwenteling en oligopolie, (diss.), Freiburg: 1973, p. 16.
Terra 1984, p. 26. J. de Kater, Herstructurering van de accijnswetgeving, deel 1, FED 1991/796.
Hofstra 2002, p. 161. Hofstra 1992, p. 181. H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, Deventer: 1986, p. 177. Reugebrink: 1978, p. 109 e.v.
S. van Thiel, De BVP is verenigbaar met het Europese recht, althans voorlopig!, WFR 1989/930.Conclusie A-G Mischo van 27 april 1989 voor HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, r.o. 44.
HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671.
Zie noot Reugebrink onder: HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, BNB 1989/289.
HR 14 juni 1926, Weekblad voor het Recht, nr. 11.556, Weekblad der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen 1926, nr. 2837.
Art. 50 Wet OB 1968.
Reugebrink 1978, p. 82.
J. Reugebrink in zijn noot onder HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, BNB 1989/289.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 8.
Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 3, p. 21.
L.G.M. Stevens, Elementair belastingrecht voor economen en bedrijfsjuristen, Deventer: 1997, p. 446.
Noot J. Brunt onder: HR 10 maart 1999, nr. 32.835, BNB 1999/229.
Handelingen I 1992/93, 22 december 1992, p. 11-482 mk.
Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 3, p. 1-4.
Art. 3 lid 2 Accijnsrichtlijn.
Art. 3 lid 3 Accijnsrichtlijn.
Bewindslieden en Kamerleden zijn blijven spreken van (bijvoorbeeld): ‘het handhaven van andere dan de geharmoniseerde accijnzen’ (Kamerstukken II 1990/91, 21 368, nr. 11, p. 7), van ‘andere accijnzen en bijzondere verbruiksbelastingen’ naast de geharmoniseerde accijnzen (Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 6), van frisdrankenaccijns (zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1994/95, 23 942, nr. 9 p. 13 rk), van accijns van alcoholvrije dranken (Kamerstukken II 1998/99, 26 245, nr. 4, p. 10), van accijnzen en geharmoniseerde accijnzen (Kamerstukken II 2000/01, 21 501-07, nr. 309, p. 3), van accijns op frisdrank en accijnsverlaging op frisdrank (Handelingen II 2001/02, 13 november 2001, p. 23-1665). In de Kamerstukken schrijven zij: accijns van alcoholvrije dranken (Kamerstukken II 1996/97, 25 479, nr. 12, p. 10 en 93. Kamerstukken II 1996/97, 25 479, nr. 22, p. 6), frisdrankaccijns (Kamerstukken II 2001/02, 28 380, nr. 1, p. 57) en in vele begrotingsstukken en financiële verantwoordingsstukken van suikeraccijns (Kamerstukken II 2001/02, 28 380, nr. 1, p. 57).
Kamerstukken I 1992/93, 22 843, nr. 99b p. 4 en p. 6.
Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 3, p. 7-8, en nr. 5, p. 8.
Zie: Wet AVD.
‘In engeren zin betreffen zij alleen artikelen voor inwendig verbruik als voedings- of genotmiddel, ruimer ook artikelen voor direct, persoonlijk, uitwendig verbruik, brand-, verlichtings- en reinigingsmiddelen.’1
prof. dr. J. van der Poel,
3 augustus 1929
Onder het formele accijnsbegrip wordt verstaan: de toestand waarin een belasting alleen een accijns is als de betreffende heffingswet deze belasting uitdrukkelijk als accijns aanduidt. De belastingen die aldus accijnzen zijn, worden formele accijnzen genoemd. Onder het materiële accijnsbegrip wordt verstaan: de toestand waarin de aard en het karakter en niet de benaming van een belasting en derhalve de economische werkelijkheid bepaalt of deze belasting een accijns is, ook al ontbreekt de aanduiding accijns in de betreffende heffingswet. De belastingen die aldus accijnzen zijn, worden materiële accijnzen genoemd. Het materiële accijnsbegrip is leidend, vanwege het inzicht dat dit begrip geeft in de economische werking van belastingen en de omstandigheid dat ook het HvJ EG het materiële accijnsbegrip aanhangt. Belastingheffing is immers een economisch verschijnsel.
Adan (1837) definieert de accijnzen in zijn commentaar op de Algemeene Wet 18222 als: ‘Les droits d’accise constituent un impôt intérieur sur certaines denrées, qui se fait dans le pays’.3 Volgens Schendstok (1924) is een accijnsgoed ‘elke waar die met accijns belast is, onverschillig waar we deze waar aantreffen’.4 A-G Tak (1926) hanteert in zijn conclusie voor het Speelkaartenaccijns-arrest aanvankelijk ook het materiële accijnsbegrip: ‘Accijns is iedere heffing op goederen’, maar concludeert uiteindelijk dat een accijns alleen een accijns is als er accijns op de intitulé van de betreffende heffingswet staat, en kiest daarmee voor het formele accijnsbegrip. De wet moet de betreffende belasting waarmerken als een accijns; anders is de betreffende belasting geen accijns, aldus Tak, die vervolgt: ‘De Speelkaartenwet wil dan geen accijnsheffing, omdat de heffing geen accijns, maar een belasting heet en speelkaarten zijn dus accijnsvrije- en geen accijnsgoederen’.5 De Hoge Raad (1926) volgt het advies van de A-G echter niet, maar acht het karakter van de belasting beslissend en duidt de speelkaartenbelasting als een accijns.6 Ondanks deze beslissing van de Hoge Raad blijft minister De Geer (1927) de vraag of een heffing als een accijns moet worden beschouwd uitsluitend afhankelijk stellen van de omstandigheid of die heffing door de wetgever accijns is genoemd.7 Pirenne (1927) schrijft dat de steden in de middeleeuwen hun geldmiddelen vonden in: ‘l’accise, c’est à dire l’impôt indirect portant sur les objets de consommations’.8 ‘Accijnzen zijn naar Nederlands spraakgebruik belastingen op echte verbruiksgoederen’, aldus Schendstok (1930).9
Van der Poel (1929) concludeert uit de wetsgeschiedenis van de Algemeene Wet 1822 en de formulering ‘bijzondere wetten op de accijnzen’ in artikel 2 van die wet, dat de wetgever ‘hier een onderscheiding naar den aard der belastingen op het oog had’. Van der Poel acht het karakter van een belastingregeling doorslaggevend, maar wil het antwoord op de vraag welk karakter tot accijns kwalificeert niet overlaten ‘ter beslissing van den terminologie kiezenden wetgever der toekomst’, maar aan de rechtsontwikkeling. Van groot belang is, aldus Van der Poel, wat onder het accijnsbegrip valt, omdat zich slechts dan een juiste leer omtrent aard en werking der accijnzen zal kunnen ontwikkelen, wanneer dat te voren is vastgesteld. De wetgever van 1821 heeft zich, aldus Van der Poel, in ieder geval met betrekking tot het vierde belastingstelsel, geregeld in de nog altijd bestaande Stelselwet 1821 en de Algemeene Wet 1822, een deugdelijk oordeel omtrent het wezen van accijnzen gevormd. Volgens Van der Poel ligt de essentie van de accijnzen niet uitsluitend in de wijze van heffing bij ‘ den fabrikant of handelaar, die de goederen in consumptie brengt, met het doel den bij de heffing nog onbekenden binnenlandschen consument te belasten’. Het zou goed doen, aldus Van der Poel, ‘bij het spreken en handelen over accijnzen, zich rekenschap te geven van de factoren, welke aanwezig moeten zijn, om een belasting als een accijns te kunnen aanmerken’.10 Welke factoren dat zijn, is dan te lezen in zijn eerder gegeven accijnsdefinitie: ‘Accijnzen, in den zin der Nederlandsche wetgeving, zijn verbruiksbelastingen op hier te lande vervaardigde (althans voor die consumptie geschikt gemaakte) of gegroeide artikelen, voor direct persoonlijk verbruik door den mensch hier te lande, allereerst rustende op voedingsstoffen, en wel speciaal op die, welke ook door de lagere klassen boven hare noodzakelijke levensbehoeften geregeld worden verbruikt’. Volgens Van der Poel (1929) ‘is accijnsheffing alleen aanwezig als het betrekkelijk artikel hier te lande wordt vervaardigd’; voor hem zijn vervolgens uitsluitend ‘artikelen voor inwendig verbruik als voedings- of genotmiddel voor den mensch’ accijnsgoederen.11 Het vereiste dat accijnsgoederen moeten zijn vervaardigd op binnenlandse bodem houdt volgens Van der Poel in, dat het hele productie- of groeiproces in het binnenland moet hebben plaatsgevonden, zodat buitenlandse goederen die in het binnenland een bewerking ondergaan (veredeling) geen accijnsgoederen kunnen zijn. Diensten en productief verbruik van goederen ontbreken in Van der Poel’s accijnsbegrip.
De benzineaccijns heeft bij zijn ontstaan in 1931 de vorm van een bijzonder invoerrecht met de uitdrukkelijke kanttekening van de wetgever dat daarmee in economische zin een accijns is bedoeld.12 Een accijns in economische zin heeft betrekking op de heffingskant van een belasting, op het economische effect van de accijnsheffing, in casu op de werking als een accijns, een belasting op een goed. Een accijns in fiscale zin impliceert de bestedingenkant van de accijns en betekent dat de opbrengst ervan besteed wordt via de algemene middelen. Een accijns in economische zin abstraheert dus van de besteding van de opbrengst.13 De enige reden waarom de benzineaccijns aanvankelijk de vorm had van een bijzonder invoerrecht is, dat deze dan kon worden geheven met de beduidend minder administratieve lasten vergende heffingstechniek van de invoerrechten.
De vorm en de benaming van het bijzondere invoerrecht op benzine wordt in 1951 in het kader van de Benelux-accijnsunificatie gewijzigd in accijns.14 Het Beneluxverdrag 1950 omvat alle accijnzen, waaronder worden verstaan: ‘alle belastingen op speciale goederen, welke belastingen door haar betrekkelijke hoogte voor de prijsvorming en aldus ook voor het verbruik van die goederen van veel betekenis zijn’.
Hiertoe behoren ook alle equivalente heffingen die bij invoer van accijnsgoederen worden geheven. Deze worden voortaan onder de benaming accijns bij invoer geheven.15 Ten aanzien van het Nederlandse bijzondere invoerrecht op benzine dat aan de hand van deze criteria wordt gewijzigd in een accijns16, wordt overwogen, dat de voordien bestaande wetstechnische redenen die in 1931 hebben geleid tot de keuze voor de heffingstechniek van het invoerrecht en zodoende aanleiding zijn geweest tot de benaming ‘bijzonder invoerrecht’, niet langer gelden. Besloten wordt ‘de benaming van deze belasting thans in overeenstemming te brengen met haar wezenlijke karakter’.
De materie is daarmee, aldus minister Lieftinck (1950), een afgerond geheel, die in zichzelf in evenwicht is en dan ook op zich zelf kan worden bezien. Lieftinck meent, dat eenzelfde benaming voor belastingen met eenzelfde karakter de duidelijkheid over de belastingheffing bevordert: ‘Voorts biedt een afzonderlijke heffing onder de juiste benaming – accijns – het voordeel, dat belanghebbenden een beter inzicht in het karakter van de verschuldigde belasting verkrijgen en dat een juister beeld van de opbrengst van de accijnzen kan worden gevormd’.17
Vanaf 1964 wordt de benzineaccijns ook in de nieuwe Wet op de accijns van minerale oliën wettelijk aangeduid als ‘benzine-accijns’.18 ‘De aanduiding met accijns geeft het karakter van de belasting juist weer’ en een gelegenheidsbenaming ter verkrijging van aansluiting van de benzineaccijns op de Algemene wet inzake de douane en accijnzen (AWDA) is dan ook niet aan de orde, aldus staatssecretaris Van den Berge (1963).19
Van der Poel (1964) lijkt met een vernieuwde definitie op te schuiven naar een formeel accijnsbegrip doordat hij zijn definitie aldus bijstelt, dat een accijns is: ‘wat de wet zo noemt’.20 Deze formulering is te verklaren uit de omstandigheid, dat hij er nog steeds van is overtuigd dat de wetgever belastingen niet lichtvaardig accijnzen zal noemen. Zijn opvatting dat alleen het karakter een belasting tot accijns kan maken, heeft hij hiermee niet prijsgegeven. Dat vertrouwen bestaat kennelijk ook bij Van der Poel’s leerling Koning; deze geeft in navolging van zijn leermeester ook een definitie in formele zin (1991): ‘Een accijns is een belasting waarvan de wet zegt dat zij een accijns is’.21
Twee jaar later past Van der Poel (1966) zijn definitie opnieuw aan: ‘Als ik er nu een definitie van moest geven, zou ik aan de hand van de in onze laatste wetgeving belast verklaarde artikelen er ook in opnemen dat zij nu, bij ons dus, belastingen zijn op voor de gezondheid schadelijke goederen; belastingen van noodzakelijke levensmiddelen zijn het nu in geen geval meer’. Hij komt tot een eigentijds, materieel accijnsbegrip, waarbij prijsinelastische belastingobjecten voorop staan: ‘belastingen op goederen van dagelijks consumptief verbruik door iedereen, zonder allereerst rekening te houden met nut of noodzaak ervan, maar wel met het feit, of het goederen betreft, waarvan men zich het gebruik – niettegenstaande er belastingen op rusten – niet spoedig ontzegt’.22 Het vereiste dat accijnsgoederen moeten zijn vervaardigd op binnenlandse bodem is vervallen. Productieve bestedingen van middelen aan goederen en diensten blijven in Van der Poel’s accijnsbegrip ontbreken. Merkwaardigerwijs sluit het Tweede-Kamerlid Koning (1991) hier nog bij aan: ‘Accijnzen zijn dan bijzondere verbruiksbelastingen die volgens gangbare opvattingen worden geheven wegens het persoonlijk gebruik van een consument in het land van consumptie. Hoewel ook in de nieuwe wetgeving herinneringen aanwezig zijn aan de opvatting, dat met die consumptie inwendig gebruik door de mens wordt bedoeld – zo is bijvoorbeeld de alcohol in aftershaves en parfums ook in de nieuwe wetgeving vrij van alcoholaccijns – is dat geen onderscheidend criterium’.23
Staatssecretaris Van den Berge (1964) maakt zich over het begrip accijnzen en over de discussies daaromtrent, niet bijster druk. Of men iets een accijns zal noemen of niet, is in de eerste plaats afhankelijk van de structuur van de wetgeving en de rechtsgevolgen welke bereikt moeten worden, aldus Van den Berge, die een eenvoudig criterium hanteert: ‘Wanneer een belasting gemakkelijk in de totale conceptie van de Algemene wet valt met de naam accijns, dan heb ik weinig gewetensbezwaren om die belasting een accijns te noemen, voor zover dat althans niet al te ver van het spraakgebruik verwijderd is’.24 De omzetbelasting zou Van den Berge geen accijns willen noemen, maar zodra het gaat om een speciale verbruiksbelasting op sommige goederen, dan is het volgens Van den Berge een vraag van opportuniteit en wetstechniek of zo’n belasting al dan niet een accijns moet worden genoemd. Het kan aardig zijn daarover te filosoferen, aldus Van den Berge, maar in de dagelijkse praktijk van het fiscale bestuur kan hij er niet veel waarde aan hechten. In ieder geval heeft hij daartoe geen aanvechtingen als het gaat om de EG-accijnsharmonisatie: ‘Dat ligt daar geheel anders.
Men zal daar een aantal problemen op tafel leggen, een aantal belastingen behandelen en of die belastingen nu van een speciaal etiket ‘accijns’ zijn voorzien dan wel van een etiket ‘speciale verbruiksbelasting’ zal voor de beslissing om tot harmonisatie van die belastingen over te gaan, zeer weinig eigenlijk niets, uitmaken. Wanneer bijvoorbeeld de motorrijtuigenbelasting wordt geharmoniseerd, die niet een accijns is, zal dat gebeuren op analoge overwegingen als wanneer het wel een accijns was. Het gaat er bij harmonisatie, alleen om een groep verwante belastingen met elkaar in overeenstemming te brengen’.25
Minister Witteveen (1969) werkt met een materiële accijnsdefinitie: ‘Een accijns is een indirecte belasting, is dus een belasting die technisch wordt geheven als opslag op de prijs’.26 Ook Hofstra (1973) laat het karakter van de belasting prevaleren en hanteert aldus het materiële accijnsbegrip: ‘Wat ook het wezen van een accijns moge zijn, hij bedoelt alle desbetreffende in het vrije verkeer gebrachte goederen aan een gelijke of gelijkwaardige heffing te onderwerpen ongeacht de wijze waarop zij geproduceerd of verhandeld worden’.27
De Commissie ter bestudering van de accijnzen van de Vereniging voor Belastingwetenschap krijgt in 1976 als opdracht een onderzoek uit te voeren naar ‘de bijzondere belastingen (…) op goederen, diensten en handelingen’. Hiertoe behoren, aldus de Commissie in haar rapport (1981) dat deze zelfde bewoordingen in de titel draagt: ‘De bijzondere belastingen op goederen, diensten en handelingen, Rapport van de Commissie ter bestudering van de accijnzen’, op de eerste plaats: ‘de belastingen die van oudsher als accijnzen worden aangeduid’. De Commissie is, op gronden die in de rapportage worden uiteengezet, van mening, dat zij zich niet alleen ‘tot deze, ook in de heffingswetten als accijnzen aangeduide belastingen (de formele accijnzen) dient te beperken’. De Commissie legt uit waarom: ‘Rekening houdend met de maatschappelijke ontwikkeling is het voorts ongewenst vast te houden aan oudere wetenschappelijke definities van accijnzen die deze belastingen beschouwen als bijzondere verbruiksbelastingen op voor menselijke consumptie bedoelde voedingsmiddelen. Immers, thans zijn er overwegingen aanwezig om ook andere vormen van consumptie aan een specifieke verbruiksbelasting te onderwerpen’. Met die andere vormen heeft de Commissie het oog op het verbruik van goederen en diensten buiten het menselijk lichaam. ‘Bovendien, zo vervolgt de Commissie, ‘kan de zorg voor een gezond milieu en een adequate energievoorziening aanleiding zijn tot het leggen van: ‘bijzondere heffingen op de productie’.28 De Commissie gaat uit van een materieel accijnsbegrip, samengevat als: bijzondere belastingen op specifiek geduide goederen, diensten, handelingen of productie, niet beperkt tot verbruik binnen het menselijk lichaam.
Terwijl de Commissie met haar onderzoekingen bezig was, hadden de bewindslieden (1980) de verbruiksbelasting nog als volgt gedefinieerd: ‘Een verbruiksbelasting is erop gericht het verbruik door de consument te treffen’.29 Deze definitie gaat op voor de omzetbelasting, maar is voor de accijnzen te beperkt. Met de omzetbelasting wordt beoogd uitsluitend consumptieve bestedingen te treffen. De accijnzen daarentegen drukken op zowel consumptieve en productieve bestedingen. Eerder duidden de bewindslieden de accijnzen als bijzondere verbruiksbelastingen (1969): ‘De accijnzen zijn te beschouwen als bijzondere verbruiksbelastingen welke op gelijke wijze als andere prijsbepalende factoren een kostprijselement vormen van de prijs die de gebruiker voor de accijnsgoederen moet betalen’.30 Deze definitie omvat zowel productief als consumptief verbruik.
Ook Terra (1984) hangt de economische dimensie van het accijnsbegrip aan: ‘Accijnzen, waaronder ook de Nederlandse verbruiksbelasting van personenauto’s en motorrijwielen (...)’31, evenals Simons (1978)32, De Kater (1991): ‘Een bijzondere verbruiksbelasting welke wordt geheven terzake van het binnenlands verbruik van specifiek daartoe in de wetgeving aangewezen goederen en welke heffing normaliter plaats vindt bij anderen dan diegenen door wie deze belasting wordt gedragen’33, en vervolgens ook Cnossen (1977 en 2005): ‘Broadly speaking, the distinguishing features of excise taxation are selectivity in coverage, discrimination in intent, and often some form of quantitative measurement in determining the tax liability’34, hetgeen contrasteert met de zogenoemde algemene verbruiksbelasting, de btw, waarmee wordt beoogd het verbruik van alle goederen en diensten te treffen, en waarvan het genereren van opbrengst de enige ratio is, terwijl de accijnzen juist worden gerechtvaardigd met andere ratio’s in het dienen van niet-fiscale doelen. De omzetbelasting is echter geen algemene verbruiksbelasting, omdat belangrijke sectoren daarvan zijn vrijgesteld.35
Doordat zij het materiële accijnsbegrip aanhangen, rekenen Terra (1984), Reugebrink (1989), De Kater (1991) en Hofstra-Niessen (2002) de voormalige bijzondere verbruiksbelasting van personenauto’s en motorrijwielen (BVB) terecht tot de accijnzen in materiële zin: ‘Accijnzen, waaronder ook de Nederlandse verbruiksbelasting van personenauto’s en motorrijwielen, zijn bijvoorbeeld bijzondere verbruiksbelastingen‘.36 ‘Hoewel zij geen accijns in juridische zin is kan de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto’s eveneens tot deze categorie worden gerekend’.37
Van Thiel (1989) is in navolging van A-G Mischo (1989) van opvatting dat het accijnsbegrip traditioneel moet worden gezien, waardoor duurzame gebruiksgoederen zoals personenauto’s geen accijnsgoederen kunnen zijn.38 Het HvJ EG besliste in zijn Wisselink-Abemij-arrest (1989) dat personenauto’s wél accijnsgoederen kunnen zijn.39 Naar aanleiding van het Wisselink-Abemij-arrest vraagt Reugebrink (1989) zich af: ‘Maar wat is een accijns? Een bijzondere verbruiksbelasting!’.40 Ook Reugebrink wijst erop, dat de Hoge Raad in zijn Speelkaartenaccijns-arrest heeft beslist, dat het karakter van een belasting prevaleert boven de benaming en dat een eenmalige belasting op goederen een accijns kan zijn, en in het geval van de speelkaarten is, ook al vermijdt de betreffende heffingswet de benaming accijns.41 Eerder duidde Reugebrink (1978) de BVB, in de heffingswet waarvan ook de aanduiding accijns geheel ontbreekt42, al als een accijns.43 De BVB heeft nimmer formeel de benaming accijns gekregen, omdat, aldus Reugebrink (1989), de beleidsmakers en de wetgevingsjuristen in de jaren zestig nog in de ban leefden van de definitie van Van der Poel, waarin accijnsgoederen alleen goederen kunnen zijn voor inwendig gebruik door de mens en waarin geen plaats is voor de omstandigheid dat accijnzen ook geheven worden van productieve bestedingen.
Hij had inmiddels al moeten slikken dat ook minerale oliën voor inwendig verbruik waren, en wellicht dat zijn leerlingen het wat ver vonden gaan om ook personenauto’s daaronder te rangschikken, aldus Reugebrink.44
De MvT bij de Wa geeft de materiële, economische definitie (1990): ‘Accijnzen zijn bijzondere verbruiksbelastingen op in de heffingswet aangewezen goederen’.45 Staatssecretaris Van Amelsvoort (1992) ziet de band tussen de accijns en het accijnsgoed kennelijk als zo hecht, dat hij beide vereenzelvigt: ‘Zoals (...) uiteengezet behoren sigaren, sigaretten en rooktabak tot de geharmoniseerde accijnzen’.46 Volgens Stevens (1997) zijn accijnzen ‘bijzondere verbruiksbelastingen op in de heffingswet aangewezen goederen’.47 Brunt (1999) schrijft in zijn annotatie onder het arrest van de Hoge Raad inzake de levering van aardgas per aansluiting: ‘De brandstoffenbelasting op
(aard)gas welke in dit arrest onze aandacht vraagt, behoort thuis in de algemene categorie van accijnsheffingen’.48
Van Amelsvoort (1992) is kennelijk aanhanger van een zeer bijzondere variant van het formele accijnsbegrip. Zonder daartoe door enige rechtsregel, feitelijke regel, gewoonte of instemming van de Tweede Kamer te zijn gehouden, heeft de bewindsman de aanduiding accijns op eigen houtje gereserveerd voor de communautaire accijnzen, zodat, aldus het Eerste-Kamerlid Gelderblom-Lankhout (1992), voor ‘het kleine restje fiscale soevereiniteit dat ons in de sfeer van de accijnzen nog rest’49, dat wil zeggen voor de Nederlandse nationale accijnzen, de term accijns als wettelijke aanduiding is verdwenen.50 Ten onrechte, omdat deze formaliteit afbreuk doet aan het inzicht van de burger in de economische werking van belastingen. De bewindsman heeft zich kennelijk niet gerealiseerd dat dit zich niet verhoudt met de Accijnsrichtlijn51 en bovendien strijdig is met vaste rechtspraak van het HvJ EG, dat het materiële accijnsbegrip huldigt.
Het materiële accijnsbegrip heeft betrekking het karakter en de werking van een belastingregeling, met andere woorden op de werkelijkheid. Het formele accijnsbegrip is slechts van belang voor het antwoord op de vraag welke regels voor heffing, invordering, bevoegde rechter en eventuele strafrechtelijke vervolging van toepassing zijn op wetten die belastingen regelen die in die wet als accijns worden gekwalificeerd.
Het materiële accijnsbegrip is van belang in relatie met het karakter, de eigenschappen, de werking en de economische effecten van de accijnzen, welke factoren in de eerste plaats nuttig zijn voor een goed inzicht in de belastingheffing en verder noodzakelijk kunnen zijn om belastingen te toetsen aan het fiscaal discriminatieverbod, het bestemmingslandbeginsel en de voorwaarden van de Accijnsrichtlijn waaronder nationale accijnsheffing kan plaatsvinden.52 Het gebruik van eenzelfde benaming voor belastingen met eenzelfde karakter ter bevordering van inzichtelijkheid is al een oude waarde: ‘Voorts biedt een afzonderlijke heffing onder de juiste benaming – accijns – het voordeel, dat belanghebbenden een beter inzicht in het karakter van de verschuldigde belasting verkrijgen en dat een juister beeld van de opbrengst van de accijnzen kan worden gevormd’, aldus minister Lieftinck (1950) ter gelegenheid van de Beneluxaccijnsunificatie 53, welke waarde staatssecretaris Van Amelsvoort (1993) ter gelegenheid van de accijnsharmonisatie bij de instelling van de interne markt om onverklaarde en onbegrijpelijke redenen opzij heeft gezet. Bovendien is Van Amelsvoort in de aanduidingen van de nationale accijnzen die volgens hem geen accijnzen meer mogen heten bepaald inconsequent54, zodat wij in het volgen van de materiële accijnsdefinitie de bewindsman zullen navolgen door te spreken van communautaire accijnzen en niet-communautaire accijnzen.55 Volgens de bewindsman is geen sprake meer van accijnsheffing in nationaal verband. Bij het handhaven van ‘de accijnsheffing (…) in de vorm van een verbruiksbelasting’56, zoals Van Amelsvoort het heeft geformuleerd, wordt in de heffingswetten waarin de EB, de brandstoffenbelasting (BSB), de kolenbelasting (KB), de grondwaterbelasting (GWB), de belasting op leidingwater (BOL), de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken, pruimtabak en snuiftabak en de BPM geregeld zijn, de aanduiding accijns nogal gekunsteld gemeden, maar zijn ter uitvoering van deze belastingen wel vele voorschriften van de Wa van overeenkomstige toepassing verklaard57 en wordt om doelmatigheidsredenen aansluiting met de heffingstechniek van de accijnzen gezocht met behulp van de formulering ‘als was de belasting een accijns’. Ten onrechte. Elk van deze belastingen zijn accijnzen.
Van Amelsvoort’s opvolgers hebben diens formele lijn gevolgd, met als gevolg, dat voornoemde reeks belastingen met zuiver accijnskarakter het opschrift accijns niet of – in het geval van de frisdrankenaccijns, de pruimtabaksaccijns en snuiftabaksaccijns – niet meer mogen dragen waardoor de burger de transparantie in de economische werking van deze belastingen, die accijnzen zijn, wordt onthouden. Zou bovendien de formele lijn door deze opvolgers nog consequent zijn nageleefd, dan zouden de EB en de BSB (thans: de KB) – beide sedert 1 januari 2004 communautaire accijnzen – moeten zijn getooid met het opschrift accijns, hetgeen is nagelaten. Dientengevolge bevinden de accijnzen in Nederland zich thans in een onoverzichtelijke lappendeken onder inconsequente en onduidelijke benamingen, verspreid geregeld in de Wa, de Wbm, de Wet AVD, de Wet BPM en de Wet BR, te vergelijken met de toestand van vóór de totstandbrenging van de Wa (1990). Het zou niet misstaan alle accijnzen in een nieuwe Wet op de accijnzen in het gareel te zetten.