Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.15.1
2.15.1 Fysieke accijnzen en accijnzen ad valorem
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS298047:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1980/81, 17 december 1980, p. 2197 rk.
Zie bijvoorbeeld: J.R. Ensing in: B.J.M. Terra, Douane, Inleiding tot het douanerecht, Arnhem: 1986, p. 381-382.
Kamerstukken II 1968/69, 9821, nr. 5, p. 5 rk.
Cnossen 1977 , p. 14. Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 8.
Handelingen II 1980/81, 17 december 1980, p. 2197 rk.
Onder prijspeil wordt verstaan hoe de prijzen van consumptiegoederen zijn veranderd ten opzichte van een vorige periode, het vorige jaar, of van meerdere jaren geleden. De prijzen van goederen zijn immers sterk aan verandering onderhevig, wat is toe te schrijven aan verschillende, zo niet oneindig veel factoren. Het prijspeil in een economie is direct terug te voeren op de inflatie, en daarmee de reële rentestand van een land. Het prijspeil kan zowel informatie bevatten over prijzen in het verleden (backward looking) of prijzen in de toekomst (forward looking). Het is daarbij belangrijk of de verandering van het prijspeil als verrassende schok ervaren wordt voor de consument (exogene verandering van het prijspeil), of dat de verandering al min of meer verwacht was door de consument, waarop kan worden ingespeeld (endogene verandering van het prijspeil).
Kamerstukken II 1979/80, 15 852, nr. 5, p. 1. Handelingen II 1980/81, 17 december 1980, p. 2234 mk.W.H. van den Berge, Waardevaste belastingen (Samenvatting van een voordracht op 11 maart 1966 gehouden te Apeldoorn voor de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel), WFR 1966/277.
Cnossen 1977 , p. 14 en 29.
Kamerstukken II 1986/87, 19 737, nr. 6, p. 2.
Vgl. Cnossen 1977 , p. 4.
Cnossen 1977, p. 118.
Kamerstukken II 1981, 17 047, nr. 2 p. 13. Kamerstukken II 1982/83, 17 797, nr. 4, p. 1. Handelingen II 1981/82, 15 maart 1982, UCV 25, p. 25-31. Handelingen I 1986/87, 28 oktober 1986, p. 72 rk. HandelingenII 1981/82, 15 maart 1982, UCV 25, p. 25-34 rk. Handelingen II 1981/82, 15 maart 1982, UCV 25, p. 25-34 rk. Kamerstukken II 1982/83, 17 797, nr. 5, p. 1. Kamerstukken II 1982/83, 17 936, nr. 5, p. 8. Handelingen I 1982/83, p. 471 rk. en 477 rk. Handelingen I 1982/83, 22 juni 1983, p. 4797 lk. Handelingen II 1982/83, 22 maart 1983, p. 3210-3220. Kamerstukken II 1982/83, 17 936, nr. 3, p. 5. Kamerstukken II 1986/87, 19 700, nr. 33. Kamerstukken II 1985/86, 19 612. Handelingen I 1986/87, 28 oktober 1986, p. 64-69. Handelingen II 1995/96, 11 oktober 1995, p. 11-691. Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 IXB, nr. 28, p. 2-3. Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 IXB, nr. 39, p. 7.
Handelingen II 1973/74, 22 november 1973, p. 1147 rk.
Kamerstukken II 1968/69, 10 087, nr. 3, p. 3 lk. Kamerstukken II 1968/69, 10 189, nr. 2, p. 10 lk. Kamerstukken II 1979/80, 15 852, nr. 3, p. 1.
Cnossen 1977 , p. 29.
Art. 16 Structuurrichtlijn tabaksproducten. Art. 4 Tariefrichtlijn sigaretten. Art. 4 Tariefrichtlijn tabaksproducten.
Kamerstukken II 1968/69, 10 087, nr. 5, p. 6 rk. Kamerstukken II 1995/96, 24 400 XII, nr. 9, p. 25.Aangezien de inflatiecorrectie wordt toegepast bij beschikking, is een rechtsgrond nodig waarop die beschikking kan worden gebaseerd. In verband hiermee treedt de wet formeel al op 1 november 1995 in werking, terwijl de gevolgen ervan pas op 1 januari 1996 aan de pomp merkbaar zijn. KamerstukkenII 1994/95, 23 900 IXB, nr. 26, p. 6. Zie voor een uitvoerige beschouwing over de tabelcorrectiefactor en de methode voor het berekenen van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie: Kamerstukken II 1993/94, 23 865. Stb. 1994, 929. Richtlijn, nr. 92/82/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën (PbEg 1992, L 316). Richtlijn energiebelastingen. Kamerstukken II 1994/95, 24 334, nr. 3.
‘Daar tegenover staat echter dat het karakter van de accijnzen, een vast bedrag, met zich brengt dat het niet aanpassen van accijnzen ertoe leidt dat de opbrengsten achterblijven bij het tempo van de algemene prijsstijging’1
drs. M.B. Engwirda,
Lid van de Tweede Kamer, 17 december 1980
De accijnzen zijn te onderscheiden in fysieke accijnzen en in accijnzen ad valorem, dat wil zeggen naar de waarde, evenals de btw.2 Onder fysieke accijnzen worden verstaan: de accijnzen welke naar een fysiek bestanddeel van een goed, zoals het alcohol-, wort-, koolstof- of energiegehalte, naar bepaalde metalen, chemicaliën of andere stoffen, naar hoeveelheid, gewicht of volume plegen te worden geheven naar in geldbedragen vastgestelde tarieven.3 Met uitzondering van de heffing van tabaksproducten, waarbij ten dele proportioneel ad valorem wordt geheven, is de maatstaf van heffing van de huidige accijnzen fysiek, dat wil zeggen dat de maatstaf een hoeveelheid of gewicht is.4
Karakteristiek voor de fysieke accijnzen is dat de druk ervan afhankelijk is van het volume van het verbruik, niet van het bedrag in euro’s van het verbruik. Bij inflatie en nominaal stijgende inkomens neemt het verbruik uitgedrukt in euro’s toe, maar niet het verbruik uitgedrukt in volume. De fysieke accijns is een vast bedrag dat samenhangt met het fysieke bestanddeel van het goed of dienst waarop de accijns drukt.5
Stijgt de prijs van een accijnsproduct ten gevolge van de geldontwaarding, dan blijft de verschuldigde accijns in absolute bedragen gelijk. Het bestanddeel van de prijs, dat de accijns uitmaakt, neemt automatisch af en, materieel gesproken, loopt de accijns dus terug. Het stelsel van een fysieke accijns heeft dus tot gevolg dat bij gelijkblijvende tarieven de reële druk daalt en het corrigerend vermogen afneemt bij stijging van het prijspeil.6 Zulks in tegenstelling tot een proportionele accijns, dat wil zeggen een accijns ad valorem, waarbij de accijns wordt uitgedrukt in een percentage van de prijs van het aan accijns onderworpen goed.7 Deze eigenschap brengt mee, dat het niet aanpassen (indexeren) van tarieven ertoe leidt, dat de opbrengsten achterblijven bij het tempo van de algemene prijsstijging. De accijns stijgt niet met de prijs van het accijnsgoed mee, omdat een prijsstijging de samenstelling van dat goed niet wijzigt en het met accijns belaste bestanddeel procentueel hetzelfde aandeel van dat accijnsgoed blijft uitmaken.8 Een btw-verhoging leidt voor fysieke accijnzen niet tot een verzwaring van de accijnsdruk.9 Een nominale inkomensstijging gaat niet gepaard met een evenredige stijging van de accijnsdruk. De accijnsdruk neemt daarentegen zelfs relatief, dus ten opzichte van het gestegen nominale inkomen, af.
Het voordeel van de accijns ad valorem is dat die gelijke tred houdt met de prijsinflatie met als effect automatisch geïndexeerde tabaksproductprijzen en dito tabaksaccijnsopbrengsten. Het nadeel van de accijns ad valorem is de gevoeligheid voor prijsstrategieën van de industrie. Accijnzen ad valorem hebben als effect dat zij kostprijswijzigingen in versterkte mate tot uiting brengen in de consumentenprijzen. Hoe hoger de accijns, des te sterker is dat effect, zowel in opwaartse als in neerwaartse zin.
Als gevolg van de sterke fluctuaties van de olieprijs zouden zich versterkte fluctuaties in accijnsopbrengst en accijnsdruk voordoen.10
Hoewel de gedachte aan meer accijnsheffing ad valorem diverse malen is opgekomen – de accijnsdruk stijgt dan mee met de prijzen – is die nimmer geëffectueerd, gegeven de daaraan verbonden nadelen.
Flexibele accijnsheffing die zodanig varieert dat prijzen bij marktprijsverhogingen en -verlagingen steeds stabiel blijven (wiebelaccijns), wordt nimmer werkelijkheid door uitvoeringstechnische problemen, de voorspelbaarheid waardoor op tariefmutaties kan worden geanticipeerd11, de wanverhouding met het begrotingsbeleid12 en strijdigheid met de rechtvaardige verdeling van lasten.13 Naar de waarde geheven belastingen, zoals het bestanddeel ad valorem van de tabaksaccijns en de btw, zijn bij kostprijswijzigingen of wijziging van winstmarges mede van invloed op de eindprijs van het product. Daarentegen is een fysieke belasting bij een kostprijswijziging niet van invloed op de eindprijs. Zowel voor sigaretten als voor kerftabak (shagtabak) bedraagt het fysieke element 5% tot 55% van de totale belasting (accijns en btw tezamen).
In deze verhouding is er een evenwicht in de wijze waarop de accijnsheffing bij kostprijsverhogingen uitwerkt op de kleinhandelsprijzen voor sigaretten en kerftabak.
Een fysieke accijns naar een vastgestelde hoeveelheid sigaretten is in het voordeel van de duurdere of betere tabaksproducten doordat daarmee prijsverschillen worden verkleind en zorgt een accijns ad valorem, vooral in combinatie met de btw, juist voor vergroting van de prijsverschillen die vele consumenten doen kiezen voor de goedkopere, doorgaans nog meer ongezonde en inferieure soorten. Het voordeel van de fysieke accijns van zowel de goedkopere als de duurdere soorten is dat het relatieve prijsverschil met kwalitatief betere producten afneemt en de verbruiker wordt gestimuleerd een betere keus te maken. Een nadeel van de fysieke accijns is, in tegenstelling tot de accijns ad valorem, dat deze reëel achterblijft bij de prijsontwikkeling en zijn corrigerend vermogen verliest. Om dit te vermijden moet het tarief van de fysieke accijns periodiek worden aangepast aan de prijsontwikkeling of eenvoudig worden geïndexeerd.
Fysieke accijnzen zijn dus, mits geïndexeerd, en voorzien van een robuust tarief het meest efficiënt en doeltreffend. De fysieke accijns is lastiger te ontlopen dan de accijns ad valorem. Het maakt de heffing veel minder afhankelijk van het prijsbeleid van de industrie. Zij zijn het gemakkelijkst toe te passen en ondersteunen beter de doelstellingen van beleid; het volksgezondheidsbeleid omdat zij roken en drinken van alle soorten en merken in dezelfde mate ontraden in plaats van vervanging door goedkopere merken in de hand te werken; het mobiliteits- en energiebesparingsbeleid omdat zij ongevoelig zijn voor prijsschommelingen.
Vele malen hebben verhogingen plaatsgevonden die zijn gemotiveerd als correctie van de afgenomen reële druk als gevolg van de opgetreden inflatie over een afgelopen periode.14 Zonder indexering van de tarieven daalt bij inflatie de druk van de fysieke accijnzen evenzeer als bij inflatie de druk van de loon- en inkomstenbelasting stijgt.
De heffing en de invordering van de IB staat bij inflatie meer onder druk dan die van de accijnzen.15 Sedert 1996 zijn de tarieven van de wegverkeeraccijnzen en sedert 1999 die van de BOL, de EB, de GWB en de KB, en vanaf hun inwerkingtreding in 20ook de Vkb en de Vgb geïndexeerd, waardoor hun reële druk automatisch op peil blijft.
Het communautaire tabaksaccijnsregime kent een systeem waarbij de tabaksaccijnzen met vierjaarlijkse correcties reëel constant worden gehouden.16 Waarom de alcoholaccijnzen niet zijn geïndexeerd is een raadsel. Herstel en handhaving van de reële druk en indexering onderstrepen het instrumentele gebruik van de accijnzen. Het inflatieargument, dat wil zeggen het reëel constant houden ofwel het handhaven van de werkingskracht van een accijns, is wezensvreemd aan beleid waarbij het uitsluitend gaat om het vergaren van middelen voor de schatkist.17