Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.6.1
2.6.1 Uiterste inzetbaarheid
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS301720:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1886/87, 12 mei 1887, p. 1662 rk.
Cnossen 1977, p. 3 en 27-28.
Cnossen 2005, preface en p. 3.
Minister Heemskerk van Binnenlandse Zaken: ‘In de Grondwet mag geen belemmering zijn om, zoo noodig, zelfs de alleronaangenaamste belasting op te leggen, want de uitgaven voor het behoud van den Staat moeten altijd worden gedekt (...) in tijden van nood moeten accijnzen kunnen worden geheven’ in: Handelingen II 1886/87, 12 mei 1887, p. 1662 en p. 1665 lk. Zo ook precies 100 jaar later het Tweede-Kamerlid Schutte: ‘Ten slotte nog een opmerking over de accijns. Natuurlijk, het is de laatste mogelijkheid waaraan we zouden moeten denken. Ik heb ook niet voor niets in de laatste zin van mijn bijdrage iets daarover gezegd, maar ik sluit deze mogelijkheid geenszins uit. Als we echt in de problemen zitten, dan is niet elke accijnsverhoging slechter dan verdere bezuinigingen.’ in: Handelingen II 1986/87, 1 juli 1987, p. 94-4823 mk. Zie ook: Hulst 1932, p. 78.
Hulst 1932, p. 79.
Handelingen II 1923/24, 12 maart 1924, p. 1168 lk.
Kamerstukken II 1915/16, 204, nr. 7, par. 4, p. 57 rk. Handelingen II 1971/72, 16 november 1971, p. 1073 rk.
Kamerstukken II 1980/81, B, p. 3.
De accijnzen zijn indirecte verbruiksbelastingen en de personele belasting is een directe verbruiksbelasting.N.G. Pierson, in: De Gids 1881 III, p. 7-8, 91. Handelingen II 1892/93, 30 mei 1893, p. 1246-1248. M.W.F. Treub, Ontwikkelingen en verband van de Rijks-, Provinciale en Gemeentebelastingen, Leiden: 1855, p. 514-516. N.G. Pierson, in: De Gids 1881 II, p. 28 e.v.; De Gids 1878 II, p. 115 e.v.; De Gids 1884 IV, p. 185-205. A.C.J. de Vrankrijker, Belastingen in Nederland 1848-1893, Haarlem: 1967, p. 145. Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 7, p. 46 rk. Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 5, [in de Handelingen abusievelijk genummerd als nr. 4], p. 23-24. Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 7, p. 46-48. n I 1891-1892, 28 januari 1892, p. 175-176. W.M.G. Visser, De Europese harmonisatie van de suikeraccijns, Tribuut aan Europa, Jubileumbundel van de 50-jarige Federatie van Belastingadviseurs, Amersfoort: 2004, p. 467-487. Kamerstukken II 1891/92, 128, nr. 6, p. 5 lk.
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1971/72, 11 507, nr. 3, p. 3 lk. Handelingen II 1971/72, 16 november 1971, p. 1100 lk.
Handelingen II 1971/72, 1 november 1972, p. 786 rk.
Handelingen II 1885/86, 17 december 1885, p. 836 rk.
‘In de Grondwet mag geen belemmering zijn om, zoo noodig, zelfs de alleronaangenaamste belasting op te leggen, want de uitgaven voor het behoud van den Staat moeten altijd worden gedekt.’1
mr. dr. J. Heemskerk Azn.,
minister van Binnenlandse Zaken,
12 mei 1887
Naast de eigenschap op eenvoudige wijze een substantiële en toereikende opbrengst voor de schatkist te kunnen genereren, zijn andere eigenschappen flexibiliteit met betrekking tot de behoeften van de schatkist en stabiliteit met betrekking tot economische ontwikkelingen.2 Accijnzen zijn gemakkelijk beschikbare bronnen van overheidsinkomsten3 en ook de middelen van belastingheffing, waarmee zonodig tot het uiterste kan worden gegaan om de begroting sluitend te krijgen4, volgens Hulst (1932) soms wel wat al te gemakkelijk.5
Waar de directe belastingen niet meer werken omdat zij te hoog zijn opgedreven, werken de accijnzen.6 De sterke stijging van de uitgaven in tijden van crisis en andere buitengewone omstandigheden noodzaakt ertoe om de zakelijke belastingen uit te bouwen.7 Hierdoor lijkt het accijnsbeleid verbrokkeld, gefragmenteerd en weinig samenhangend, maar is dat met toepassing van het uitgangspunt dat met accijnzen tot het uiterste kan worden gegaan niet. Met het oog hierop adviseert de Raad van State een solide motivering, wil niet de indruk worden gewekt dat al te gemakkelijk naar het middel van accijnsverhoging wordt gegrepen.8 In hoofdstuk 3 zal blijken, dat het uitgangspunt tot het uiterste te gaan veelvuldig is toegepast.
Veel accijnsverhogingen zijn overigens vaak van betrekkelijk marginale betekenis en in het algemeen meer ingegeven door de nood van de schatkist op dat moment dan door een behoorlijke analyse van de gewenste lastenverdeling. Maar in het licht van het uitgangspunt dat in tijden van nood met accijnsheffing tot het uiterste kan worden gegaan om de uitgaven voor het behoud van de staat te dekken, hoeft dat ook niet.9
In buitengewone omstandigheden kan het geboden zijn genoegen te nemen met het in gewone tijden ontoereikende motief dat tegen een bepaalde grondslag ‘geen overwegende bezwaren kunnen worden ingebracht, indien deze in een matige accijnsheffing worden betrokken’ of dat ‘de bewindslieden geen andere maatregelen op het gebied van de belastingen zien waaraan minder bezwaren zijn verbonden’.10 Bij een op orde zijnde inkomensverdeling kan, als de schatkist in moeilijkheden komt, adequaat een toevlucht worden genomen tot de indirecte belastingen.11 Accijnsheffing kan onverkort plaatsvinden, ‘mits men inderdaad belast verteringen, die de productieve kracht van het volk niet verhoogen, mits men belast de weelde’.12