Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/3.3.1
3.3.1 200 jaar rechtsgronden van de accijnzen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS302880:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1990/91, 21 februari 1991, p. 53-3073 rk.
Lees: Minister van Financiën.
Thans zou deze positie worden aangeduid met: president van de Bataafse Republiek.
Zie ruim een eeuw later: Kamerstukken II 1915/16, 198, nr. 3, p. 4 rk.
F.N. Sickenga, Geschiedenis der Nederlandse belastingen, Tijdvak der omwenteling. – algemeen stelsel van het jaar 1805, Amsterdam: 1865, p. 109-114
Sickenga 1865, p. 136-137.
Art. 26 van de Wet van 11 februari 1816, Stb. 1816, 14. Wet van 15 september 1816, Stb. 1816, 35. Kamerstukken II 1815/16, XXXIII, nr. 3, p. 289-290.
Kamerstukken II 1868/69, 56, nr. 3, p. 211.
‘De accijns is reeds een oude belastingvorm met een heel specifieke geschiedenis.’1
M. Leerling,
Lid van de Tweede Kamer, 21 februari 1991
Bij staatsbesluit van 12 juli 1805 wordt vanaf 1 januari 1806 in de Nederlanden voor het eerst op centraal niveau belasting geheven. De Staatsregeling 1798 vestigt voor het eerst een eenheidsstaat in de Nederlanden. Vanaf dat moment kan de moderne eenheidsstaat in Nederland worden waargenomen.
Artikel 200 van de Staatsregeling 1798 bepaalt dat er voortaan één schatkist is en dat alle belastingopbrengsten nationale inkomsten zijn. Ingevolge artikel 201 van de Staatsregeling 1798 zijn de schulden ‘van wege der onderscheiden provinciën, de drie kwartieren van Gelderland, het Landschap Drenthe en Bataafsch Braband’ voortaan nationale schulden. Op basis van deze bepalingen komt in 1805 een voor die tijd bruikbaar nationaal belastingsysteem tot stand, ontworpen door Isaac Jan Alexander Gogel (1765-1821), de agent van Financiën2 onder raadpensionaris3 Rutger Jan Schimmelpenninck (1761-1825), van de Bataafse Republiek. De financieel expert en unitaristisch ideoloog Gogel brengt met zijn belastingregeling voor het eerst systeem aan in de belastingheffing, dat daardoor met recht een belastingstelsel mag heten. Het draagkrachtbeginsel is er uitdrukkelijk in vertegenwoordigd, al kan dat beginsel in die tijd zoals Gogel zelf ook aangeeft maar zeer beperkt tot gelding komen (artikel 64 Staatsregeling 1798).
Op 12 juli 1805 wordt Gogel’s ‘Plan van algemeene belastingen‘ door het Wetgevend Ligchaam bij Staats-Besluit bekrachtigd. Met dit ‘Plan van algemeene belastingen’, naar zijn ontwerper ook genoemd het ‘systhema-Gogel‘, ofwel het eerste belastingstelsel, worden op het grondgebied dat thans het Koninkrijk der Nederlanden omvat voor het eerst op centraal niveau belastingen geheven. Gogel’s systhema ligt vast bij missive van 20 Juni 1805, n°. 17/3, van den Raadpensionaris aan Hun Hoog Mogenden, Vertegenwoordigende het Bataafsche Gemeenebest. Het ‘Plan van algemeene belastingen‘, dat in die missive wordt voorgedragen, wordt door Hun Hoog Mogenden op 10 juli 1805 goedgekeurd en, zoals gezegd, twee dagen daarna op 12 juli 1805 bekrachtigd. Het vervangt gewestelijke belastingen, uit het tijdperk van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, door een aaneensluitend geheel van algemene landsbelastingen, een vervanging waartoe sedert het jaar 1796 herhaaldelijk vruchteloze pogingen waren gedaan.4 Het systhema-Gogel kent, zoals gezegd, zeven belastingcategorieën, waaronder één bestaande uit acht accijnzen: van zout, zeep, turf, meel, bestiaal (het slachten van vee), bier, wijn en gedistilleerd.
De andere zes belastingcategorieën van het belastingstelsel-Gogel zijn: (1) de personele belasting (geheven naar de grondslagen huurwaarde, meubelen, dienstboden, paarden en haardsteden), (2) de grondbelasting (de oude verponding, naar huurwaarde op te leggen op grond van registratie in het kadaster), (3) de in- en uitvoerrechten (de voormalige convooien en licenten), (4) de patentbelasting (een ieder die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent, behoort te zijn voorzien van een patent of vergunning, dat/die hem tegen betaling wordt verleend), (5) de successiebelasting (met vrijlating van vererving in rechte lijn), en (6) de zegelrechten.
Het systhema-Gogel, het eerste belastingstelsel (1805-1812), wordt met ingang van 1 januari 1806 algemeen van toepassing verklaard voor de gehele Bataafse Republiek, maar houdt nog slechts algemene grondslagen in over zeven belastingbronnen met zeven toentertijd al voordien lange tijd bestaande accijnzen. De zaak eiste spoed en uitstel ware ongeoorloofd. In de winter van 1805-1806 regelt het Wetgevend Ligchaam in een reeks bijzondere zittingen bij speciale ordonnantiën de accijnzen van bestiaal (het slachten van vee; 6 december 1805), van gemaal (het malen van koren; 17 december 1805), van zout (18 december 1805), van buitenlands gedistilleerd (24 december 1805), van zeep (24 december 1805), van wijn (3 januari 1806) en van jenever en binnenlands gedistilleerd (3 januari 1806). De turfaccijns wordt later geregeld bij ordonnantie van 10 januari 1807.5 Een nieuw middel, althans in naam, is dat van de buitenlandse producten, waaronder tabak, volgens ordonnantie van 18 december 1805, en gebracht onder het heffingsregime van de inkomende en uitgaande rechten.
Volgens Sickenga (1865) moest het gehele middel dienen ter bescherming van de binnenlandse tabaksnijverheid6!
Na de Franse tijd presenteert Staatsraad en Directeur-Generaal der Indirecte Belastingen, mr. Jean Henri Appelius, op 7 juni 1816 het goedgekeurde ontwerp voor wat ook wel het tweede belastingstelsel wordt genoemd. Het tweede is beoogd per 2 juli 1816 in werking te treden. De Tweede Kamer neemt het stelsel aan op 15 september 1815. Alle tot dan toe bestaande indirecte belastingen worden vervangen door ‘belastingen op het Zout; de Zeep; de Wijnen; het Buitenlandsch Gedistilleerd; het Binnenlandsch Gedistilleerd; de Bieren; de Azijn; den turf; de Steenkolen; het Binnenlandsch Lastgeld; de Waag, en de Rondemaat; welke zullen worden geheven bij de fabrikagie bij de invoer, bij de aflevering, bij het gebruik, of op zoodanige andere wijze, en tot zulk eene hoogte, als nader bij de bijzondere wetten wordt bepaald’.7
Gerangschikt naar verwantschap en gecategoriseerd in bestaand en niet meer bestaand, verloopt de ontwikkelingsgang van het stelsel van accijnzen in Nederland in 200 jaar schematisch als volgt:
Afbeelding 1
Afbeelding 2
Afbeelding 3
Afbeelding 4
8
Afbeelding 5