Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.2.4
4.2.4 Bewoordingen en begrippen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305295:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 10 april 1984, nr. 14/83, Sabine von Colson en Elisabeth Kamann vs. Nordrhein-Westfalen, Jur. 1984, p. 1891. HvJ EG 8 oktober 1987, nr. 80/86, Kolpinghuis Nijmegen BV, Jur. 1987, p. 3969.
HvJ EG 18 januari 1984, nr. 327/82, Ekro BV Vee- en vleeshandel vs. Produktschap voor vee en vlees (uitvoerrestituties voor rundvlees), Jur. 1984, p. 107, r.o. 11. HvJ EG 19 september 2000, nr. C-287/98, Luxemburg vs. Berthe Linster, Aloyse Linster en Yvonne Linster (milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten), Jur. 2000, p. I-6917, r.o. 43. HvJ EG 9 november 2000, nr. C-357/98, The Queen vs. Secretary of State for the Home Department, ex parte Nana Yaa Konadu Yiadom (besluiten inzake vreemdelingenpolitie – tijdelijke toelating – bescherming door de rechter), Jur. 2000, p. I-09265, r.o. 26). HvJ EG 1 april 2004, nr. C-389/02, Deutsche See-Bestattungs-Genossenschaft eG vs. Hauptzollamt Kiel (teraardebestellingen op volle zee), Jur. 2004, p. I-3537, r.o. 19. HvJ EG 17 maart 2005, nr. C-170/03, staatssecretaris vs. J.H.M. Feron (begrippen persoonlijke goederen en bezit – personenauto die door werkgever aan persoon ter beschikking is gesteld), Jur. 2005, p. I-2299, r.o. 26. HvJ EG 30 maart 2006, nr. C-495/04, A.C. Smits-Koolhoven vs. staatssecretaris (kruidensigaretten), www.curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl? lang=nl, r.o. 17. HvJ EG 7 juni 2005, nr. C-17/03, Vereniging voor Energie, Milieu en Water e.a. vs. Directeur van de Dienst uitvoering en toezicht energie (interne markt voor elektriciteit – bevoorrechte toegang tot net voor grensoverschrijdende elektriciteitstransmissie – onderneming die voorheen was belast met beheer van diensten van algemeen economisch belang), Jur. 2005, p. I-4983, r.o. 41 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
P.J.G. Kapteyn, P. VerLoren van Themaat e.a., Het recht van de Europese Unie en van de EuropeseGemeenschappen, Deventer: 2003, p. 350-351. HvJ EG 14 januari 1982, nr. 64/81, Nicolaus Corman &fils SA vs. Hauptzollamt Gronau (consumptie-ijs), Jur. 1982, p. 13, r.o. 8. HvJ EG 2 april 1998, nr. C-296/95, The Queen and Commissioners of Customs and Excise vs. EMU Tabac SARL, The Man in Black Ltd, J. Cunningham, in tegenwoordigheid van Imperial Tobacco Ltd, Jur. 1998, p. I-1605, r.o. 30. HvJ EG 22 mei 2003, nr. C-103/01, EC vs. Duitsland, Jur. 2003, p. I-5369, r.o. 33.
Zie bijvoorbeeld: HvJ EG 8 juni 2000, nr. C-400/98, Finanzamt Goslar vs. Brigitte Breitsohl, Jur. 2000, p. I-04321, r.o. 48.
Art. 6 lid 2 Accijnsrichtlijn. Art. 21 lid 5 Richtlijn energiebelastingen.
Zie bijvoorbeeld: HvJ EG 10 juni 1999, nr. C-346/97, Braathens Sverige AB, voorheen Transwede Airways AB, vs. Riksskatteverket Zweden, Jur. 1999, p. I-3419, r.o. 31. HvJ EG 1 april 2004, nr. C-389/02, Deutsche See-Bestattungs-Genossenschaft eG vs. Hauptzollamt Kiel (teraardebestellingen op volle zee), Jur. 2004, p. I-3537, r.o. 20. HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 23.
HvJ EG 1 april 2004, nr. C-389/02, Deutsche See-Bestattungs-Genossenschaft eG vs. Hauptzollamt Kiel (teraardebestellingen op volle zee), Jur. 2004, p. I-3537, r.o. 21. HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 23.
Vgl. HvJ EG 29 april 2004, nr. C-240/01, EC vs. Duitsland (productie van thermische energie), Jur. 2004, p. I-4733, r.o. 44-46.
HvJ EG 19 april 2007, nr. C-455/05, Velvet & Steel Immobilien und Handels GmbH vs. Finanzamt Hamburg-Eimsbüttel, (PbEg 2006, C 60).
Zie de inleiding op dit hoofdstuk hierboven.
Kamerstukken II 1992/93, 22 712 nr. 3, par. 2.3.
HvJ EG 12 juli 2005, nr. C-304/02, EC vs. Frankrijk (Franse visserij; niet-nakoming arrest van het HvJ EG), Jur. 2005, p. I-6263, r.o. 83.
HvJ EG 23 april 1991, nr. 41/90, Klaus Höfner en Fritz Elser vs. Macrotron GmbH (‘een onderneming in de zin van art. 81, eerste lid, van het Verdrag’), Jur. 1991, p. I-1979, r.o. 34.
HvJ EG 28 oktober 1982, nr. 135/81, Groupement des agences de voyages ASBL vs. EC, Jur. 1982, p. 3799, r.o. 10.
HvJ EG 16 januari 2003, nr. C-315/00, Rudolf Maierhofer vs. Finanzamt Augsburg-Land, Jur. 2003, p. I-563, r.o. 26.
HvJ EG 25 februari 1999, nr. C-349/96, Card Protection Plan vs. Commissioners of Customs and Excise, Jur. 1999, p. I-00973, r.o. 22 en 36.
HvJ EG 19 maart 1964, nr. 75/63, M.K.H. Unger vs. Bestuur van de bedrijfsvereniging voor detailhandel en ambachten, Jur. 1964, p. 371.
HvJ EG 15 november 2007, nr. C-330/05, Strafzaak tegen Per Fredrik Lennart Granberg, te Tavelsjö, r.o. 29 en 37.
HvJ EG 9 september 2004, nr. C-292/02, Meiland Azewijn BV vs. Hauptzollamt Duisburg, Jur. 2004, p. I-7905, r.o. 42.
HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 31.
HvJ EG 17 maart 2005, nr. C-170/03, staatssecretaris vs. J.H.M. Feron (begrippen persoonlijke goederen en bezit – personenauto door werkgever aan werknemer ter beschikking gesteld), Jur. 2005, p. I-2299, r.o. 29-31. Art. 2 en art. 3 Verordening douanevrijstelling.
HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 26.
HvJ EG 5 februari 1981, nr. 154/80, staatssecretaris vs. Coöperatieve aardappelenbewaarplaats GA (tegenwaarde van een verrichte dienst), Jur. 1981, p. 445, r.o. 9 en 15. HvJ EG 4 oktober 1991, nr. C-159/90, The society for the protection of unborn children Ireland Ltd. vs. Stephen Grogan en anderen (begrip dienst), Jur. 1991, p. I-04685, r.o. 26.
Art. 8 Accijnsrichtlijn. Conclusie A-G Jacobs van 1 december 2005 voor HvJ EG 23 november 2006, nr. C-5/05, staatssecretaris vs. B.F. Joustra, Jur. 2006, p. I-11075.
HvJ EG 29 april 2004, nr. C-240/01, EC vs. Duitsland (productie van thermische energie), Jur. 2004, p. I-4733, r.o. 44 en 56-57.
HvJ EG 10 december 1968, nr. 7/68, EC vs. Italië (voorwerpen van artistiek, historisch, archeologisch of ethnografisch belang), Jur. 1968, p. 617, r.o. 2.
Art. 7 en art. 10 Accijnsrichtlijn.
HvJ EG 30 maart 2006, nr. C-495/04, A.C. Smits-Koolhoven vs. staatssecretaris (kruidensigaretten), www.curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl, r.o. 22. Dit arrest is gewezen op prejudiciële vragen van de HR over de uitleg van het communautaire begrip ‘medische doeleinden’ in de Structuurrichtlijn tabaksproducten, op advies van A-G Overgaauw (2003) naar aanleiding van een door Hof Leeuwarden bevestigde naheffingsaanslag inzake het voorhanden hebben van kruidensigaretten, Conclusie A-G 30 juni 2003, nr. 38.571 en nr. 38.572.
Richtlijn fiscale merkstoffen. Art. 8b en 9 Structuurrichtlijn minerale oliën (per 1 januari 2004 vervallen). Art. 24 Richtlijn energiebelastingen. HvJ EG 9 september 2004, nr. C-292/02, Meiland Azewijn BV vs. Hauptzollamt Duisburg, Jur. 2004, p. I-7905, r.o. 53-55.
Art. 14 lid 1 derde volzin Accijnsrichtlijn bepaalt dat elke lidstaat de voorwaarden vaststelt waaronder de in de eerste volzin van dat art. bepaalde vrijstellingen worden verleend, maar die verwij zing naar het nationale recht heeft geen betrekking op de inhoud of de draagwijdte van het begrip overmacht als bedoeld in die eerste volzin. HvJ EG 18 december 2007, nr. C-314/06, Société Pipeline Méditerranée et Rhône (SPMR) vs. Administration des douanes et droits indirects Direction nationale du renseignement et des enquêtes douanières (DNRED) (minerale oliën – verliezen – vrijstelling van rechten – overmacht), r.o. 40.
HvJ EG 17 maart 2005, nr. C-170/03, staatssecretaris vs. J.H.M. Feron (begrippen persoonlijke goederen en bezit – personenauto door werkgever aan werknemer ter beschikking gesteld), Jur. 2005, p. I-2299, r.o. 24. Art. 1 lid 2 onderdeel c Verordening douanevrijstelling.
Art. 14 lid 1 onderdeel c Richtlijn energiebelastingen. HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 40.
Art. 7 Accijnsrichtlijn.
HvJ EG 15 juni 1989, nr. 348/87, Stichting Uitvoering Financiële Acties (SUFA) vs. staatssecretaris, Jur. 1989, p. 1737, r.o. 11. HvJ EG 25 februari 1999, nr. C-349/96, Card Protection Plan vs. Commissioners of Customs and Excise, Jur. 1999, p. I-00973, r.o. 15.
HvJ EG 1 april 2004, nr. C-389/02, Deutsche See-Bestattungs-Genossenschaft eG vs. Hauptzollamt Kiel (teraardebestellingen op volle zee), Jur. 2004, p. I-3537, r.o. 19. HvJ EG 10 juni 1999, nr. C-346/97, Braathens Sverige AB, voorheen Transwede Airways AB, vs. Riksskatteverket Zweden, Jur. 1999, p. I-3419, r.o. 31.
Art. 234 EG. HvJ EG 22 februari 2001, nr. C-393/98, Ministério Público en António Gomes Valente vs. Fazenda Pública (Portugese bijzondere belasting op motorvoertuigen), Jur. 2001, p. I-01327, r.o. 17.De lijn van dit arrest is doorgetrokken in: HvJ EG 19 september 2002, nr. C-101/00, Antti Siilin vs. Finland, Jur. 2000, p. I-7487. HvJ EG 4 november 1997, nr. C-337/95, Parfums Christian Dior SA en Parfums Christian Dior BV vs. Evora BV, Jur. 1997, p. I-6013, r.o. 24. HvJ EG 4 juni 2002, nr. C-99/00, Strafzaak tegen Kenny Roland Lyckeskog (communautaire regeling inzake douanevrijstellingen), Jur. 2002, p. I-4839, r.o. 14-15.
HvJ EG 15 september 2005, nr. C-495/03, Intermodal Transports BV vs. staatssecretaris, Jur. 2005, p. I-8151, r.o. 29-31.
HvJ EG 6 oktober 1982, nr. 283/81, CILFIT Srl en anderen Lauficio di Gavardo Spa vs. Ministerie van Volksgezondheid, Jur. 1982, p. 3415, r.o. 7. HvJ EG 4 november 1997, nr. C-337/95, Parfums Christian Dior SA en Parfums Christian Dior BV vs. Evora BV, Jur. 1997, p. I-6013, r.o. 25.
HvJ EG 24 mei 1977, nr. 107/76, Hoffmann – La Roche A-G vs. Centrafarm Vertriebsgesellschaft Pharmazeutischer Erzeugnisse mbH, Jur. 1977, p. 00957, r.o. 5. HvJ EG 27 oktober 1982, nrs. 35/82 en 36/82, Elestina Esselina Christina Morson vs. Staat der Nederlanden en het hoofd van plaatselijke politie in de zin van de Vreemdelingenwet alsmede Sewradjie Jhanjan vs. Staat der Nederlanden, Jur. 1982, p. 03723, r.o. 8.
HvJ EG 27 mei 1981, nrs. 142/80 en 143/80, Amministrazione delle Finanze dello Stato vs. Essevi SpA en Carlo Salengo (belastingregeling voor gedistilleerd), Jur. 1981, p. 1413, r.o. 16. HvJ EG van 22 februari 2001, nr. C-393/98, Ministério Público en António Gomes Valente vs. Fazenda Pública (Portugese bijzondere belasting op motorvoertuigen), Jur. 2001, p. I-01327, r.o. 18.
Als bedoeld in art. 88 EG.
HvJ EG 22 maart 1977, nr. 74/76, Iannelli & Volpi SpA vs. Ditta Paolo Meroni, Jur. 1977, p. 557, r.o. 12. HvJ EG 21 november 1991, nr. C-354/90, Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires Syndicat national des négociants et transformateurs de saumon (FNCE) vs. Frankrijk, Jur. 1991, p. I-5505, r.o. 14. HvJ EG 2 augustus 1993, nr. C-266/91, Celulose Beira Industrial (CELBI) SA vs. Fazenda Pública, Jur. 1993, p. I-4337, r.o. 23. HvJ EG 27 oktober 1993, nr. C-72/92, Herbert Scharbatke vs. Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft, Jur. 1993, p. I-5509, r.o. 18 en 20. HvJ EG 11 juli 1996, nr. C-39/94, Syndicat français de l'Express international (SFEI) e.a. vs. La Poste e.a., Jur. 1996, p. I-3547, r.o. 40 en 42. HvJ EG 23 april 2002, nr. C-234/99, Niels Nygård vs. Svineafgiftsfonden, in tegenwoordigheid van Ministeriet for Fødevarer, Landbrug og Fiskeri (nationale varkensbelasting), Jur. 2002 p. I-3657, r.o. 53 en 59.
HvJ EG 13 november 1990, nr. C-106/89, Marleasing SA vs. La Comercial Internacional de Alimentación SA, Jur. 1990, p. I-4135. Voor een voorbeeld van een verdragsconforme interpretatieplicht, zie: HvJ EG 5 oktober 1994, nr. C-165/91, Simon J.M. van Munster vs. Rijksdienst voor de Pensioenen, Jur. 1994, p. I-04661.
HvJ EG 22 februari 2001, nr. C-393/98, Ministério Público en António Gomes Valente vs. Fazenda Pública (Portugese eenmalige belasting op motorvoertuigen), Jur. 2001, p. I-01327, BNB 2001/395.
Conclusie A-G Fennelly van 21 september 2000 voor HvJ EG van 22 februari 2001, nr. C-393/98, Ministério Público en António Gomes Valente vs. Fazenda Pública (Bijzondere belasting op motorvoertuigen), Jur. 2001, p. I-01327.
Op basis van art. 234 EG.
HvJ EG 27 maart 1980, nr. 61/79, Amministrazione delle Finanze dello Stato vs. Denkavit Italiana Srl, Jur. 1980, p. 1205, r.o. 16. HvJ EG 13 februari 1996, nrs. C-197/94 en C-252/94, Société Bautiaa vs. Directeur des services fiscaux des Landes en Société française maritime vs. Directeur des services fiscaux du Finistère, Jur. 1996, p. I-505, r.o. 47.
HvJ EG 4 oktober 2001, nr. C-294/99, Αθηναϊκής Ζυθποιίας ΑΕ vs. Ελληνικού Δημοσίου, Jur. 2001, p. I-6797, r.o. 36.
De lidstaten zijn verplicht om het met de richtlijn beoogde resultaat met behulp van eigen wetgeving te bereiken en om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren.1 Vanuit het neutraliteitsoogpunt is het rechtsgelijkheidsbeginsel de bindende norm. Ter waarborging van de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht moeten de bewoordingen van een communautair begrip dat voor de vaststelling van zijn betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van (een of meer van) de lidstaten verwijst, in de regel in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de context en de doeleinden van de regeling waarvan dit begrip deel uitmaakt.2 De communautaire rechtsorde knoopt voor de omschrijving van haar begrippen in beginsel niet aan bij de regels van nationale rechtsstelsels.3
Communautaire begrippen worden in alle lidstaten eenvormig uitgelegd en toegepast zonder dat daaraan een nationaal rechtsstelsel te pas komt.4 In een enkel geval verwijst communautaire regelgeving voor de toepassing daarvan naar specifieke nationale wetgeving. In wat meer gevallen laat de communautaire regelgeving toepassing plaatsvinden met behulp van de nationale wetgeving van de lidstaat, zoals bijvoorbeeld gebeurt met de heffing en de invordering van de accijnzen. In dit specifieke gevalt stelt de Accijnsrichtlijn nog wel een specifiek neutraliteitsvereiste aan de toepassing van nationale regelgeving, namelijk dat zij: ‘dezelfde heffings- en invorderingsprocedure toepassen op nationale producten en op producten uit andere Lid-Staten’.5 Volgens de vierde overweging van de considerans van de Accijnsrichtlijn moet de verschuldigdheid van de accijnzen in alle lidstaten gelijk worden geregeld om de totstandbrenging en de werking van de interne markt te waarborgen.
Bij het ontbreken van verwijzingen naar het nationale recht van de lidstaten of van definities van gebezigde begrippen, vormt het HvJ EG overeenkomstig het neutraliteitsbeginsel autonome communautaire begrippen. Een autonome uitleg is te meer geboden omdat bijvoorbeeld de Richtlijn energiebelastingen verplichte vrijstellingen oplegt om een reeks activiteiten niet aan accijns te onderwerpen.6 Een uitleg die op nationaal niveau afwijkt doet niet alleen afbreuk aan de harmonisatiedoelstellingen en aan de rechtszekerheid, maar leidt er in de eerste plaats toe dat marktdeelnemers verschillend worden behandeld.7
Dat de accijnsharmonisatie vooralsnog niet volledig is, betekent niet dat het definiëren van in communautaire regelgeving gebruikte begrippen tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort. Dit hangt af van het antwoord op de vraag, of de betrokken begrippen een gebied betreffen dat reeds geharmoniseerd is of niet. Uit de omstandigheid dat de gemeenschapswetgever geen definitie aan een gebruikt begrip heeft gegeven kan niet worden afgeleid dat hij die definitie aan de lidstaten heeft willen overlaten. Definiëring door de lidstaten leidt immers tot verstoringen van de mededinging in de handel tussen de lidstaten, welke de harmonisatie nu juist wil tegengaan.8 Communautaire begrippen zijn er intussen legio, zoals bijvoorbeeld: aangaan van verbintenissen9, gemeenschappelijke markt10, het vrije verkeer11, intracommunautaire verwerving12, of13, onderneming14, rechtspersoon15, verhuur van onroerend goed16, verzekering17, werknemer.18 Ook het accijnsregime kent communautaire begrippen, zoals: atypische wijze van vervoer19, bedrijfsmotorvoertuigen20, binnenwateren21, bezit22, communautaire wateren23, diensten 24, door particulieren voor eigen behoefte verkregen en door hen zelf vervoerde producten 25, gebruikt als brandstof voor verwarming26, geneesmiddel27, goederen28, levering 29, medische doeleinden30, merken van minerale oliën31, overmacht32, persoonlijke goederen33, vaart34, voorhanden hebben.35 Alcoholhoudende dranken en energieproducten zijn gedefinieerd aan de hand van de GN-codes. Gelijk de vrijstellingen in de BTW-richtlijn36 allemaal communautaire begrippen zijn37, zijn de vrijstellingen van de Accijnsrichtlijn en de bijbehorende zes specifieke uitvoeringsrichtlijnen dat ook.38
De lidstaten mogen geen eigen invulling geven aan begrippen van de richtlijnen. Er is geen plaats voor beoordelingsvrijheid door de afzonderlijke lidstaten. Als een vraag over uitlegging van Europese bepalingen wordt opgeworpen in een zaak die aanhangig is bij een nationale rechter waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze rechter gehouden zich met die vraag tot het HvJ EG te wenden.39 De nationale rechter van wie de beslissingen naar nationaal recht vatbaar zijn voor hoger beroep, staat het vrij om te beoordelen of het eventueel noodzakelijk is om het HvJ EG een prejudiciële uitleggingsvraag te stellen.40 Naar vaste rechtspraak van het HvJ EG moet deze verwijzingsverplichting worden gezien in het kader van de samenwerking tussen de nationale rechters in hun hoedanigheid van rechters belast met de toepassing van het gemeenschapsrecht en het HvJ EG, ter verzekering van de juiste toepassing en eenvormige uitlegging van het gemeenschapsrecht in alle lidstaten.41 In de eerste plaats wordt met de samenwerking beoogd te voorkomen, dat zich in een lidstaat nationale rechtspraak ontwikkelt die niet met het gemeenschapsrecht spoort.42 Tot bindende uitlegging van het gemeenschapsrecht is uitsluitend het HvJ EG bevoegd; de EC heeft die bevoegdheid niet.43 Binnen het steunregime heeft de EC wel de bevoegdheid eventuele onverenigbaarheden van steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt vast te stellen44, zulks onder toezicht van het HvJ EG.45 De nationale rechter dient derhalve bij de toepassing van nationaal recht, ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen die dateren van eerdere of latere datum dan de richtlijn, dit recht zoveel mogelijk – zo nodig aan de hand van de door het HvJ EG bij wege van prejudiciële beslissing te geven interpretatie – uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken.46 Het HvJ EG heeft in het Gomes Valente-arrest (2001) beslist dat alleen in een arrest van het HvJ EG de rechten en verplichtingen van de lidstaten kunnen worden vastgesteld en hun gedragingen kunnen worden beoordeeld.47 A-G Fennelly (2000) formuleert dit treffend in zijn conclusie voor dat arrest: ‘such a decision [door de EC om de inbreukprocedure in te trekken] may be coloured by political or practical considerations which remain outside the jurisdiction of the Court. The decisive consideration is, in any event, that the opinion of the Commission that the legal situation in a Member State is in conformity with the Treaty is in no way determinative of the issue which can only be finally decided by the Court’.48 Het HvJ EG is dus de overkoepelende rechterlijke instantie die als enige instelling van de Gemeenschap bevoegd is om vast te stellen of een lidstaat het EG-verdrag overtreedt.
Een arrest waarbij het HvJ EG een bepaling van gemeenschapsrecht uitlegt werkt a priori terug vanaf de datum van inwerkingtreding van de uitgelegde bepaling. Het HvJ EG verklaart en preciseert de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht in de zin van de betekenis en de strekking van die bepaling zoals die vanaf het tijdstip van inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast49 op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist.50 Slechts in zeer specifieke omstandigheden kan deze werking worden beperkt, bijvoorbeeld wanneer terugwerkende kracht ernstige economische gevolgen teweeg zou brengen door de schaal waarop een geldig geachte regeling te goeder trouw is toegepast, of wanneer burgers en nationale autoriteiten tot een met de communautaire regeling strijdig gedrag waren gebracht op grond van een objectieve, grote onzekerheid over de strekking van de communautaire voorschriften, aan welke onzekerheid de opstelling van andere lidstaten of van de EC mogelijk ook heeft bijgedragen.51 Als het HvJ EG bij de uitleg van bepalingen van gemeenschapsrecht geen overgangsregeling treft, kan de nationale rechter dat voor daarmee overeenkomende nationale bepalingen niet alsnog doen.