HR, 02-07-2013, nr. 12/02186
ECLI:NL:HR:2013:136
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-07-2013
- Zaaknummer
12/02186
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:136, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑07‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:93, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:93, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑06‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:136, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑07‑2013
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk o.g.v. art. 80a RO.
Partij(en)
2 juli 2013
Strafkamer
nr. 12/02186
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 maart 2012, nummer 20/000871-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.Th. van Alkemade, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst, als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2013.
Conclusie 11‑06‑2013
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk o.g.v. art. 80a RO.
Nr. 12/02186
Mr. Aben
Zitting 11 juni 2013
Standpunt c.q. conclusie inzake:
[verdachte]
Bestreden arrest: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2012
Het middel klaagt over de verwerping van een bewijsverweer en beroept zich daarbij onder meer op de ‘unus testis’-regel. Er zou onvoldoende steunbewijs zijn voor de aangifte van [betrokkene].
Het middel miskent echter dat het bijkomende bewijsmateriaal weliswaar niet in een te ver verwijderd verband mag staan met de essentie van de alleenstaande getuigenverklaring, maar dat niet wordt gevergd dat het steunbewijs de lezing van de verdachte in volle omvang weerlegt. Waar het om gaat is dat het steunbewijs de lezing van aangeefster in voldoende mate meer waarschijnlijk maakt dan de lezing van de verdachte, en dat doet het in deze strafzaak. Het hof heeft bovendien in een bewijsoverweging geenszins onbegrijpelijk gemotiveerd waarom het op basis van de bewijsmiddelen meer geloof heeft gehecht aan de aangifte.
Ook de klacht over het bewijs van het voorwaardelijk opzet heeft in wezen uitstuitend betrekking op het ontbreken van steunbewijs voor de lezing van het slachtoffer. Die klacht faalt om dezelfde reden.
De klacht kan worden afgedaan op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,