Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 32.
HR, 31-01-2025, nr. 24/03954
24/03954
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-01-2025
- Zaaknummer
24/03954
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:158, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑01‑2025
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/182
Viditax (FutD) 2025013102
FutD 2025-0205
NTFR 2025/248 met annotatie van Mr. A.A. Fase
V-N 2025/7.15 met annotatie van Redactie
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/119
NLF 2025/0350
CFN 2025/20
Belastingblad 2025/114 met annotatie van R.T. Wiegerink
BNB 2025/40 met annotatie van R.F.C. SPEK
JB 2025/54
Uitspraak 31‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 8:36c Awb; datum van ontvangst van (proces)stukken bij elektronisch procederen; notificatiebericht.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03954
Datum 31 januari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 september 2024, nr. BK-23/1136, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 13 juni 2024. De uitspraak van het Hof op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Bij brief van 16 november 2023 heeft belanghebbende op digitale wijze hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam. Die uitspraak betreft een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Bij bericht van 23 november 2023, geplaatst in het webportaal Mijn Rechtspraak, heeft de griffier van het Hof belanghebbende meegedeeld dat belanghebbende heeft verzuimd de gronden van het hoger beroep te vermelden. De griffier heeft belanghebbende de gelegenheid gegeven dit verzuim uiterlijk op 21 december 2023 te herstellen.
2.2
Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn geen gebruik gemaakt van de gelegenheid de gronden van het hoger beroep in te dienen. Met toepassing van artikel 8:54 Awb heeft het Hof het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende verzet gedaan. Het Hof heeft het verzet ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende digitaal hoger beroep heeft ingesteld via Mijn Rechtspraak, dat hij vanaf 16 november 2023 toegang had tot dit systeem, dat tot dit systeem het digitale dossier van belanghebbende behoorde dat vanaf 16 november 2023 is opgebouwd, en dat belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 23 november 2023 om 9:42 uur heeft ontvangen en vanaf dat moment ook heeft kunnen inzien.
3. Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten van belanghebbende zijn gericht tegen de hiervoor in 2.3 weergegeven oordelen van het Hof. De klachten voeren onder meer aan dat belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 23 november 2023 niet heeft ontvangen en evenmin een kennisgeving als bedoeld in artikel 8:36c Awb.
3.2
De Hoge Raad stelt het volgende voorop.
3.2.1
Indien partijen langs elektronische weg procederen, zijn de bepalingen van afdeling 8.1.6a Awb van toepassing. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze afdeling blijkt dat als een van de partijen een stuk heeft ingediend in het digitale systeem voor gegevensverwerking van het gerecht (hierna: het digitale systeem) of de bestuursrechter een bericht in dat systeem heeft geplaatst, partijen hiervan een in beginsel elektronisch notificatiebericht krijgen.1.
3.2.2
In overeenstemming hiermee bepaalt artikel 8:36c, lid 2, Awb dat het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde een notificatiebericht stuurt waaruit blijkt dat een bericht voor hem toegankelijk is in het digitale systeem, het tijdstip is waarop de geadresseerde dat bericht heeft ontvangen.2.
3.2.3
Van de ontvangst van notificatieberichten kan desgewenst worden afgezien. Indien een betrokkene daarvoor kiest, geldt op grond van artikel 8:36c, lid 4, Awb als tijdstip van ontvangst van een bericht, het tijdstip waarop dit bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem.3.
3.3
Volgens het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof heeft belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 23 november 2023 ontvangen op het tijdstip waarop dit bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem. Indien het Hof met dit oordeel heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat als een partij elektronisch procedeert een aan die partij geadresseerd bericht altijd door die partij wordt ontvangen op het tijdstip waarop dat bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem, getuigt dat oordeel, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, zoals hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Uit de uitspraak van het Hof blijkt immers niet dat belanghebbende een notificatiebericht heeft ontvangen of heeft afgezien van de ontvangst van notificatieberichten als bedoeld in artikel 8:36c, lid 4, Awb. De klachten slagen in zoverre.
3.4
De bestreden uitspraak kan daarom niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
5.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm4., gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
5.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken.
5.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. Het College zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
6. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 31‑01‑2025
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 111.
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 112.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Beroepschrift 31‑01‑2025
Per digitaal bericht
Beroep in cassatie
Hoge Raad der Nederlanden
T.a.v. fiscale griffie
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
[…], 21 oktober 2024
Betreft: beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof ten aanzien van de vastgestelde WOZ-waarde van de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [Z] en in het kader van de Wet waardering onroerende zaken.
Edelhoogachtbaar college,
Hiermede en daarmee tijdig teken ik in hoedanigheid van gemachtigde namens belanghebbende, [X], wonende aan de [a-straat 1] te [Z], die ter deze zake woonplaats kiest te mijnen kantore […] te [Q] aanvullend beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van het Hof ten aanzien van de vastgestelde WOZ-waarde van de woning van belanghebbende, eiser, gelegen het Hof in het kader van de Wet waardering onroerende zaken van het belastingjaar 2022.
Kopieën van de machtiging en de uitspraak van het Hof worden overgelegd.
U wordt verzocht de inhoud daarvan, voor zover daarvan in dit beroepschrift in cassatie niet wordt afgeweken, als hier herhaald en ingelast te beschouwen.
Ter aanvulling geldt het navolgende:
Met de uitspraak van het Hof kan eiser zich niet verenigen.
Hierbij motiveert eiser het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof.
Cassatieklachten/middelen:
Het beroep is op grond van het bovengenoemde wel degelijk ontvankelijk. Eiser heeft geen uitnodiging ontvangen op het verzuim te herstellen en is pas op 15 april 2024 toegang tot het digitale dossier verleend (bijlage 3).
Daarbij is van belang dat wanneer in het digitale dossier wordt geklikt op de I:
[…]
dan bijlage 3 verschijnt. Het Hof is daar onterecht aan voorbij gegaan. De screenprint an sich wordt dan ook niet bestreden, maar wel de datum waarop het stuk in het digitaal dossier achteraf is geplaatste en geen notificatie/ e-mail van is ontvangen.
Eiser heeft niet conform artikel 8:36 C Awb het bericht ontvangen.
Eiser verwijst ook naar een e-mail van 22 maart 2024 (bijlage 4) en in het algemeen verzonden door de rechtbank Overijssel en staat onder andere vermeld:
Wat gaat er veranderen?
‘De dossiers in Mijn Rechtspraak bevatten de stukken van procespartijen en het gerecht. U ontvangt op dit moment niet van elke toevoeging van een stuk aan het dossier een bericht in Mijn Rechtspraak en een kennisgeving via de email.
Dit wijzigt op 15 april 2024. U ontvangt dan van elke toevoeging van een of meer stukken aan het dossier een bericht, en daarmee ook een kennisgeving via de e-mail.’
Eiser heeft geen bericht ontvangen en geen uitnodiging om het hoger beroep aan te vullen.
Reeds daarom had het beroep in verzet gegrond moeten worden verklaard.
In dat kader stelt eiser vast dat in strijd is gehandeld met artikel 6 van het EVRM. Immers is niet sprake van een fair trial.
Reeds daarom is het beroep in verzet reeds gegrond.
Voorts is ook niet sprake van een zorgvuldige procesvoering. Het Hof dient zaken zorgvuldig te behandelen. Door in het onderhavige geval geen navraag te doen, is sprake van een onzorgvuldige procesvoering (Kamerstukken 11 1999/2000, 27 182, nr. 3, p. 21–23 en Uitspraak Ombudsman: 2010/351: Griffie raakt bewijsstukken kwijt waardoor kantonrechter oordeelt zonder deze informatie)!
Eiser verzoekt om terugverwijzing naar het Hof en inhoudelijke behandeling van de onderhavige kwestie.
Conclusie:
Het oordeel van het Hof is mede daardoor en gezien al het voorgaande rechtens en feitelijk onjuist en evengoed onbegrijpelijk en dient derhalve te worden vernietigd.
Een verwijzingshof zal de waardering nader moeten beoordelen en vaststellen.
In het algemeen belang:
Eiser acht de behandeling van het beroep in cassatie ook van nut in het algemeen belang zulks mede omdat verweerder feiten en omstandigheden in vele andere zaken op dezelfde wijze toepast.
Eiser wijst ook op het breder gebruik van de WOZ-waarde.
Eiser acht dat ook er een groot belang is voor de rechtsbescherming, de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling onderhavig beroep in cassatie inhoudelijk te behandelen.
Resumerend:
Eiser verzoekt U Edelhoogachtbare het beroep in cassatie gegrond te verklaren en de uitspraak van het Hof te vernietigen en dat het arrest van uw Hoge Raad strekt tot terugverwijzing naar een ander Hof, zodat een Hof na juiste overwegingen, met in achtneming van hetgeen U Edelhoogachtbare juist acht, uitspraak kan doen en beoordelen en vaststellen of de WOZ-waarde van het onderhavige object, op grond van feiten en omstandigheden, wel dan wel niet dient te worden verlaagd, met veroordeling in de kosten zoals hieronder nader omschreven die in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs zijn gemaakt.
Kosten: Eiser verzoekt verweerder te veroordelen in het griffierecht en de kosten proceskostenvergoeding die eiser in verband met de behandeling van het beroep in eerste en tweede aanleg redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 per punt.
Eiser verzoekt verweerder te veroordelen in het griffierecht en de kosten proceskostenvergoeding die eiser in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vastgesteld op viermaal € 875 per punt.
Het bestuursorgaan dient de kostenvergoeding over te maken op de rekening van de rechtshulpverlener, […]i. onder vermelding van de naam van eiser en adresgegevens zoals vermeld op de bijgevoegde machtiging. Teveel terugbetaalde belastinggelden dienen te worden teruggestort op de rekening van eiser.
Tenslotte verzoekt eiser de ontvangst van dit beroepschrift in cassatie te bevestigen.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 31‑01‑2025
Op grond van artikel 3:79 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gelden de bepalingen van titel 3.3 van het BW over de volmacht ook in bestuursrechtelijke rechtsverhoudingen. Dit betekent dat (gemachtigde) op grond van het BW rechtsgeldig kan worden gemachtigd een betaling in ontvangst te nemen.